Onderzoekend en ontwerpend leren biedt een rijke omgeving voor het stellen van vragen aan leerlingen en het aanzetten tot redeneren.

Drie tips om redeneren bij kinderenen te stimuleren:

  • Geef leerlingen nadenktijd bij iedere stap in de onderzoekscyclus. Ze zijn zelf vaak goed in staat te bedenken wat er zal gebeuren in bijvoorbeeld de verkennende fase, maar ook om te observeren wat er gebeurt, en hier conclusies uit te trekken.
  • Laat alle leerlingen meedenken. Zoek naar werkvormen waarbij ze allemaal aan het woord komen. In tweetallen overleggen kan zelfs al bij de kleuters.
  • Stel open vragen. Tijdens de lessen hebben de leerkrachten de tijd om zowel in de instructie als tijdens het rondlopen vragen te stellen aan individuele leerlingen of groepjes leerlingen. Met vragen stimuleer je de leerlingen om echt zelf verder te denken en de volgende stap te zetten in hun leerproces.

Afgelopen half jaar heb ik, als onderwijskundig adviseur aan de Universiteit Utrecht, op verschillende basisscholen leerkrachten gecoacht in het stellen van vragen tijdens onderzoekend & ontwerpend leren. De videobeelden die we verzamelden bij de coaching lieten ons opnieuw zien hoe rijk die context eigenlijk is. Ik neem jullie graag mee in twee voorbeelden waarin de leerkrachten in de verkenningsfase de leerlingen stimuleren tot redeneren met open vragen:

In groep 1/2 leerde de leerkracht de kinderen waarom eenden in ijskoud water in een wak kunnen blijven zitten en wij mensen dat niet kunnen. Zij had een doek en een kan water. In tweetallen liet zij de kinderen nadenken: ‘Wat denken jullie dat er gaat gebeuren als ik het water op de doek doe?’ Alle leerlingen gingen daarop met hun buurman of buurvrouw in gesprek. Zij kregen voldoende gelegenheid om na te denken. De antwoorden van enkele kinderen waren verassend: ‘dat het blijft zinken in de doek’. De leerkracht sloot mooi aan bij dit antwoord: ‘Je bedoelt dat het water in de doek zal trekken. Ja dat kan.’ Nadat de leerlingen geobserveerd hadden wat er gebeurde, ging de leerkracht verder: ‘Nu mogen jullie overleggen wat er zal gebeuren als de doek vet is en ik er dan water op doe’. De leerkracht loopt langs de leerlingen die aan het overleggen zijn. Sommige kinderen denken weer dat het erin trekt. Anderen denken dat het gaat drijven. Zij proberen allemaal woorden te geven aan wat zij denken dat er gebeurt.

In groep 7 krijgen de leerlingen een tekst over de ‘Ultradeluxe kerstboom’, met daarin woorden als pony’s en Tommy’s kerstbomenwinkel. De leerkracht vraagt ze de tekst te lezen en in groepjes na te denken over welke grammaticale moeilijkheid er in de tekst zit. ‘Wat dachten jullie?’ De leerlingen noemen: ‘afkortingen en komma’s’, een ander groepje noemt hetzelfde en voegt daarbij leestekens toe. Bij de vraag of er nog andere dingen in de tekst te vinden waren, zegt een meisje: ‘leenwoorden’. ‘Kan je eens een leenwoord noemen?’ vraagt de leerkracht. ‘YouTube’. Zo zijn kort de spellingcategorieën genoemd voordat de leerlingen beginnen. De leerkracht is onder de indruk. De les zal gaan over een specifiek leesteken, de apostrof. Doordat de kinderen dit in eigen woorden hebben proberen te beschrijven kan de leerkracht perfect aansluiten bij hun voorkennis. Samen gaan zij opzoek naar welke redenen er zijn om een apostrof te gebruiken. Bij de nabespreking blijkt dat de leerlingen drie van de vier redenen om een apostrof te gebruiken zelf uit de tekst gehaald hebben.

Telefoon: 062 342 3245
Medewerker onderwijsontwikkeling