De inspectie verandert de formule voor het onderbouwrendement … hoera!?
Claudy Oomen

Het rendementsdenken is goed doorgedrongen in het voortgezet onderwijs. Als scholen dit niet uit zichzelf doen, dan dwingt de Inspectie van het Onderwijs hen daar wel toe. Maar als je rendementsdenkt, moet je het wel goed doen. En daar wringt soms de schoen.  

‘Waarom is het onderbouwrendement op mijn school zo laag?’

Het afgelopen jaar ben ik vanuit het ‘Utrechtse dataproject’ onderdeel geweest van een dataprojectteam op vier scholen. Zo’n dataprojectteam bestaat uit een aantal docenten, een directielid van de school, een adviseur van de CED-groep en een van het Centrum voor Onderwijs en Leren (Universiteit Utrecht). Het team formuleert een onderzoeksvraag die relevant is voor de school én te beantwoorden met bestaande data (denk aan MMP of Magister). Niet zelden ging die onderzoeksvraag over het onderbouwrendement. Dat is niet zo gek, aangezien scholen op hun vingers getikt worden door de inspectie als het onderbouwrendement ‘te laag’ is. En voor scholen is het niet zo eenvoudig te achterhalen hoe dat precies komt. 

Leuker kunnen we het niet maken??

De formule die de inspectie gebruikt is knap ingewikkeld. Puntje erbij voor opstroom, half puntje eraf voor ‘afstroom bij dubbeladvies’, puntje eraf voor zittenblijven, enzovoort. Niet alle leerlingen tellen mee, nee, dat zou veel te eenvoudig zijn. De terugkoppeling is ook niet transparant: het enige wat de school terugkrijgt, is één getal dat het onderbouwrendement uitdrukt. 

Werk aan de winkel voor de dataprojectteams dus. Om te achterhalen waar een ‘laag’ onderbouwrendement door veroorzaakt is, hebben we de criteria doubleren en op-/afstroom uit elkaar getrokken. En hebben de teams zelf analyses gedaan. De uitkomst: helder zicht op de oorzaken. We zijn er allemaal blij mee, maar ik vraag me toch af: hadden we deze helderheid niet van de inspectie kunnen (en moeten) krijgen? 

Het dubbeladvies: goed voor de leerling, slecht voor de school

Het gemeenste addertje zit in het dubbeladvies. Stel, een leerling krijgt havo/vwo-advies van de basisschool, en gaat naar dito brugklas. Gaat de leerling naar de havo, dan geldt een half punt aftrek voor het onderbouwrendement. Gaat de leerling naar het vwo, dan komt er een half punt bij. Maar een leerling krijgt niet voor niets een dubbeladvies. Het dubbeladvies is iets voor de twijfelgevallen. Een leerling die zeker vwo aankan volgens de basisschool, zal een vwo-advies krijgen. Een leerling die naar de havo kan en misschien wel naar het vwo, krijgt het voordeel van de twijfel en dus een havo/vwo-advies. Dat betekent dat deze leerlingen (als groep) meer kans hebben om na de brugklas naar de havo te gaan dan naar het vwo. Voor de leerling kan een dubbeladvies een stimulans zijn (recent onderzoek van Roxanne Korthals  wijst ook die richting op), voor de school is het een ramp.

Er wordt wat aan gedaan!

Gelukkig is dit ook tot de landsbestuurders doorgedrongen. Er zijn kamervragen gesteld en staatssecretaris Dekker deelde vorige week mee dat er bij een dubbeladvies geen half punt aftrek meer is als de leerling naar het laagste niveau van het dubbeladvies gaat, en een punt bijtelling als de leerling naar het hoogste niveau gaat. Ook worden de criteria doubleren en op-/afstroom apart vermeld. Dat is heel goed nieuws! 

Hoe gaat het nieuwe basisschooladvies het rendement beïnvloeden?

Toch blijft er nog een punt liggen, waarvan ik me afvraag of het wel tot de hogere regionen is doorgedrongen. Er is dit jaar namelijk veel veranderd met het basisschooladvies. Basisscholen brengen hun advies uit voordat de Cito Eindtoetsscore bekend is. We mogen aannemen dat leerkrachten daarin wel de scores van leerlingen op het Cito LOVS  meenemen. Nadat de uitslag van de Cito Eindtoets bekend is, mag het advies nog naar boven bijgesteld worden, maar niet naar beneden. Vo-scholen mogen niet meer selecteren op basis van de Cito Eindtoets, en ze moeten het basisschooladvies accepteren. 

Deze nieuwe gang van zaken zal het onderbouwrendement zeker gaan beïnvloeden. Hoe precies is nog niet duidelijk (dat moet de tijd uitwijzen), maar ik vermoed dat het eerder de negatieve kant op zal slaan dan de positieve. Ik hoop dat de politiek en de inspectie zich hier ook bewust van zijn en het rendement van voor de verandering niet gaan vergelijken met het rendement van daarna.

Rendementsdenken: met welk doel?

Een meer fundamentele kwestie houdt mijzelf nog het meest bezig: waarom kijken we eigenlijk naar het onderbouwrendement, en waarom op deze manier? Ik ben er zeker niet tegen om naar rendementen te kijken en op zoek te gaan naar de onderliggende oorzaken. Inzicht daarin kan scholen op weg helpen met verbeteracties. Ik hoop dat die vooral over de inhoudelijke onderwijskwaliteit gaan, met als centrale vraag: ‘Hoe dagen we iedere leerling uit om het hoogst haalbare niveau te behalen?’. Een formule zoals die van de inspectie, waarvan het fundament ook nog eens buiten de school zelf ligt (namelijk bij het basisschooladvies), kan ook strategisch gedrag in de hand werken. 

Met het zwaard van Damocles boven het hoofd kies je misschien eerder voor de snelste, effectiefste manier om het onderbouwrendement omhoog te krijgen. Inspectie en staatssecretaris wil ik vragen: wilt u het zwaard zijn? Of zijn er wellicht nog andere manieren om scholen uit te dagen om ‘het beste uit zichzelf’ (en de leerling) te halen?

Claudy Oomen is adviseur en trainer bij Onderwijsadvies & Training
c.c.e.oomen@uu.nl
T 06 18474377 

Kijk hier voor een overzicht van alle blogs.