Bij het stimuleren van autonomie bij kinderen is een belangrijke rol weggelegd voor de leerkracht in de klas. Autonomie heeft betrekking op zelf iets kunnen zoals zelfstandig naar de wc gaan en gymkleren aan en uit doen. Daarnaast gaat het er bij autonomie ook om dat het kind kan werken aan een opdracht die het zelf kiest of waarvan het kind snapt waarom het er aan werkt. Het expliciet uitleggen van een leerdoel aan de leerlingen en ze een keuze bieden helpt hierbij.

Onderbouwleerkrachten kennen de ervaring dat autonomie bij kleuters als vliegwiel fungeert voor de hele gang van zaken in de klas. Hoe meer kinderen zelfstandig bezig zijn, des te beter jij je als leerkracht kunt bewegen in de klas en overzicht kunt houden op waar ieder kind mee bezig is. Bovendien kun je zo gemakkelijker extra aandacht geven aan kleine groepjes kinderen.

Echte keuze bieden

Maar hoe houd je als leerkracht de kinderen bezig zonder het voortdurende ‘Juf! Juf! Juf!’? Dat het fijn werkt als kleuters geen hulp nodig hebben bij het naar de wc gaan spreekt voor zich. Ouders ervan overtuigen hoe belangrijk het is dat ze dit zelf kunnen voor ze starten in groep 1 is dus geen overdaad. Maar bij die tweede kant van autonomie – werken aan een opdracht die je zelf koos of weten waarom je aan die taak werkt – is een belangrijke rol voor de leerkracht weggelegd. De kans dat kinderen afmaken waar ze aan begonnen zijn is aanzienlijk groter als ze een keuze hebben in wat ze gaan doen. Een echte keuze: probeer als leerkracht niet te veel zelf te bepalen waar de kleuters aan werken.

Maak het leerdoel expliciet

Hoe doe je dit dan als je wilt dat de leerlingen aan een specifieke (week)taak werken? Dan is het expliciet maken van het leerdoel een goede manier: leg uit waarom je het belangrijk vindt dat een kind een taakje op een specifieke manier doet, en neem ze daarbij serieus. Lotte Henrichs, adviseur en onderzoeker bij Onderwijsadvies & Training: ‘Een mooi voorbeeld hiervan zag ik kortgeleden tijdens een observatie in de gruwelijk eng-week. De leerkracht vroeg de kinderen om een heksenketel te maken, waarbij ze dunne reepjes moesten scheuren van gekleurd papier. Behoorlijk gestuurd, zou je zeggen, is daar wel ruimte voor autonomie? Maar doordat ze er bij uitlegde: “ik wil graag dat je dunne reepjes scheurt. Want dan oefen je met je vingers om kleine bewegingen te maken. En dat is straks bij schrijven in groep 3 wel zo handig!” , begreep de leerling dat juf niet hamerde op die smalle reepjes om hem dwars te zitten, maar om hem te helpen. De taak bleef zo van hem.’

Betrokken bij eigen taak

Bij het stimuleren van autonomie bij kinderen moet de leerkracht dus regelmatig laveren tussen leerkracht-gestuurd en leerling-gestuurd werken. Maar om alle kleuters in de klas de aandacht te geven die ze verdienen, is het vooral belangrijk om in het oog te houden hoe de kleuter betrokken is en blijft bij zijn eigen taak.