Het begon veelbelovend: ik scoorde 550 punten op de Citotoets, de maximale score. Zes jaar later had ik mijn vwo-diploma op zak. Ik was maar net geslaagd. Inmiddels zijn we 22 jaar verder en werk ik op een afdeling die zich bezighoudt met de kwaliteit van onderwijs. Een goede gelegenheid om te onderzoeken waarom ik niet met hoge cijfers de school verliet.

Het ging eerst zo makkelijk
Ik haalde op de lagere school altijd hoge cijfers. Ik kan me niet herinneren of ik leren leuk vond: ik weet wel dat het me kwam aanwaaien. En de Citotoets, die vond ik makkelijk. Het verbaasde me niet dat ik 550 punten scoorde.

En toen niet meer
Vanaf de brugklas werden mijn cijfers lager. Niet voor alle vakken, maar wel voor veel. Mijn gedrag in de klas was niet anders dan op de lagere school – ik kletste graag en lette niet altijd op. Wel veranderden er andere dingen: ik ging naar school in een andere plaats, kreeg nieuwe klasgenoten, ging actief volleyballen, kreeg interesse in jongens, de puberteit kwam. Is dat waarom ik maar net slaagde? Zat de oorzaak in mezelf of in de omgeving? Had ik het anders kunnen doen? Of de school?

Tijd voor een onderzoek
Ik besloot mijn collega Karin Smit te raadplegen. Karin doet promotie-onderzoek naar de motivatie van leerlingen (in het vmbo). Misschien kon zij mij helpen. Had ik een motivatieprobleem? Karin wees me op onderzoek over zelfregulering, en dat je motivatie kan benaderen in termen van verwachtingen, doelen en welbevinden. Na een gezamenlijke brainstorm had ik genoeg stof tot nadenken en ging me inlezen.

Had ik eigenlijk wel doelen?
Zelfregulerend leren betekent dat je actief deelneemt aan een leerproces, doelen stelt, monitort of je die doelen bereikt en je kennis, motivatie en gedag aanpast om die doelen te bereiken (Van der Veen & Peetsma, 2009). Poeh, nu word ik wel even ergens op gewezen. Doelen heeft met nut te maken volgens mij, het nut inzien van een investering. Ik had niet echt doelen, behalve dat ik wilde gaan studeren na het vwo. Maar ik heb bijvoorbeeld nooit interesse gehad in een studie waar cijfers een rol speelden bij de toelating. Ik had ook niet de ambitie om ergens in uit te blinken of bij de besten te horen. Ik ging denk ik behoorlijk doelloos door het vwo heen.

Aardrijkskunde: ‘ik snap het gewoon niet’
En die verwachtingen en dat welbevinden die een rol spelen bij motivatie, hoe zat het daarmee? Sommige vakken zoals Engels en wiskunde A lagen me, aardrijkskunde juist weer niet. Voor de eerste twee hoefde ik niet veel moeite te doen - en deed ik het ook niet. Bij aardrijkskunde accepteerde ik dat het me niet lag: ‘ik snap het gewoon niet’, dacht ik vaak. Een stuk ouder en wijzer denk ik: wat voelde ik me bij dat vak onmachtig, ik had er geen grip op, voelde me klein. En dom. Een gering welbevinden dus. En dat gevoel kan ik doortrekken naar een grote lijn: ik vond de tijd op school niet de leukste tijd. Ik was liever in de sporthal om (heel gemotiveerd) te volleyballen.

Wat kan de school doen?
Met deze inzichten ging ik weer naar Karin. En vroeg haar of de school een rol kan spelen bij leerlingen zoals ikzelf die moeite hebben met een bepaald vak. Dit is wat Karin zei: “Leren heeft te maken met inzet. Als je de waarde ergens van inziet dan ben je bereid je er meer voor in te zetten. Leerlingen waarbij het niet vanzelf gaat kunnen erbij gebaat zijn dat een docent het nut en het doel van zijn vak uitlegt. Denk aan aardrijkskunde: het draagt bij aan je algemene ontwikkeling en het geeft je inzicht in hoe de wereld in elkaar zit. Dat klinkt misschien voor de hand liggend, maar zo werkt het wel. Het vak helpt je ook om dingen in je eigen belevingswereld te begrijpen. Als de docent je dat kan laten inzien, dan kan dat als effect hebben dat je je meer gaat inzetten."

Wat kan de leerling doen?
Niet alleen leraren kunnen iets doen, ook de leerling zelf, legde Karin me uit. Door behapbare en kleine, kortetermijndoelen te stellen: “Zeggen dat je wilt gaan studeren is nog erg ver weg als je net in de brugklas zit. Dat motiveert niet altijd. Je kunt dat doel dichterbij halen door te zeggen: als ik wil studeren, dan moet ik slagen voor mijn examen, en als ik dat wil dan moet ik dit jaar overgaan, en dus wil ik het proefwerk van volgende week goed maken.”   

Meer factoren die invloed hebben
Al pratend ontdekte ik dat er meer factoren zijn die invloed hebben op motivatie. Karin vertelde bijvoorbeeld ook dat je motivatie verandert met je leeftijd, doordat je interesses meer gedefinieerd worden. En dat dat dus ook invloed kan hebben op het moment dat je de middelbare schoolleeftijd bereikt. Ook interessant om meer over te weten: ik ben nog lang niet uitgelezen – en uitgeleerd - volgens mij.

Janneke Hartemink (j.e.hartemink@uu.nl / 030 253 7241) werkt als communicatieadviseur bij Onderwijsadvies & Training.

Kijk hier voor een overzicht van alle blogs.