Hond & Maatschappij

Veel mensen hebben plezier van het houden van honden. Helaas kunnen zich bij contact met honden soms ook bijtincidenten voor doen. Hiervan kunnen kinderen, volwassenen, andere honden of andere dieren het slachtoffer zijn. Dit heeft op alle betrokkenen een enorme impact. Het riskassessmentteam van de Universiteit Utrecht vindt het van belang om elke individuele hond op een objectieve manier te beoordelen om zo het welzijn van de hond maar ook de veiligheid in de maatschappij het beste te kunnen waarborgen.

Gemeentes hebben hierin een belangrijke rol, maar niet altijd ervaring met deze problematiek. Het is soms lastig de weg te vinden tussen verschillende hondendeskundigen, gedragstesten en regelingen. Hoe kunt u bijtincidenten in uw gemeente voorkomen? Hoe kunt u de procedure rondom bijtincidenten het beste regelen? Onderstaande tekst gaat in op de mogelijkheden die er zijn voor gemeentes om actie te ondernemen. Daarnaast geven we uitleg over de risicoanalyse en de toepassing ervan. 

Bijtincidenten

In principe kan elke hond bijten, alleen zijn er individuele verschillen in hoe snel een dier zal bijten in een bepaalde context. De bijtdrempel wordt beïnvloed door o.a. erfelijke aanleg en mate van socialisatie in de eerste levensfase. Hoe ernstig de schade is als een dier bijt wordt o.a. beïnvloed door fysieke kenmerken en de manier van bijten: de ‘bijtstijl’. Behalve het dier zelf, is ook de eigenaar of geleider van de hond een zeer belangrijke factor in het risico op bijtincidenten. In de basis is de hondeneigenaar verantwoordelijk voor zijn eigen hond. Deze is ook verplicht om de hond veilig te houden in openbare ruimte. Voorkomen is altijd beter dan genezen, maar als eigenaren hun verantwoordelijkheid onvoldoende nemen en er onverhoopt toch bijtincidenten plaatsvinden, dan is het aan de overheid om actie te ondernemen om de maatschappelijke veiligheid te kunnen waarborgen.

Overheidsverantwoordelijkheden rondom bijtincidenten liggen primair bij gemeentebesturen (de burgemeester als verantwoordelijke voor de openbare orde en veiligheid) en het Openbaar Ministerie (OM). Uiteraard zijn er in de praktijk verschillen in de wijze waarop gemeentes hun APV en de bevelsbevoegdheid van de burgemeester hebben ingevuld. Burgemeesters kunnen dus de bevelsbevoegdheid verschillend toepassen, bijvoorbeeld in de waardering van de ernst van het incident en de wijze waarop ze daar tegen optreden. In het stuk hieronder wordt uit gegaan van de model-APV zoals beschreven door Tuk en de Jong (2017). De meeste gemeentes maken in hun APV een onderverdeling tussen lichte bijtincidenten (eerste keer, lichte schade) en ernstige bijtincidenten (ernstige schade zoals weefsel- of functieverlies of dood tot gevolg, of als er sprake is van ophitsing door de eigenaar). Bij ernstige bijtincidenten volgt meestal een strafrechtelijke procedure, bij lichte bijtincidenten meestal een bestuursrechtelijke procedure. Bij het inschatten van de ernst van het bijtincident maakt het niet uit of het slachtoffer een mens is of een dier (kat, hond, schaap etc.), dus ook als het slachtoffer van een ernstig bijtincident een hond is, kan de eigenaar hiervan aangifte doen. Bij het merendeel van de bijtincidenten dat in Nederland plaatsvindt, komt het veelal niet tot een officiële aangifte en wordt alles onderling geregeld. De eigenaar van de bijtende hond regelt dan vanuit eigen initiatief en verantwoordelijkheid de nodige hulp en vergoedt de aangerichte schade. Het aantal bestuursrechtelijke of strafrechtelijke procedures is relatief laag (gemiddeld 120 honden per jaar inbeslaggenomen en aangeboden voor een risicoanalyse) als men bedenkt dat er in Nederland jaarlijks ongeveer 150.000 bijtincidenten plaatsvinden naar personen, en nog veel meer naar honden (Rapport Hondenbeten in perspectief, 2008).

 

Gemeentelijke procedures

Idealiter gaan de procedures stapsgewijs met eerst een waarschuwing en advies tot verbetering. Dus als er een melding wordt gemaakt of een aangifte wordt gedaan en er is sprake van een licht incident, dan gaat de hondenbrigade of dierenpolitie vaak eerst langs bij de eigenaar van de hond waarover een bijtincident is gemeld. Zij bespreken het probleem en sporen de eigenaar aan om herhaling te voorkomen. De eigenaar krijgt een waarschuwing en de hond wordt als hinderlijk aangemerkt. 

Na een eerste licht bijtincident is het van belang voor de eigenaar van de bijtende hond om, op vrijwillige basis, hulp te gaan zoeken bij een hondengedragstherapeut. Deze therapeut kan een diagnose stellen, een prognose geven en therapie instellen om een gedragsverandering te bereiken. Ook kan de therapeut de eigenaar begeleiden in de te nemen maatregelen om herhaling te voorkomen, bijvoorbeeld het op een positieve manier aanleren van een muilkorf. Eventueel kan ook aanvullend advies worden ingewonnen bij de eigen dierenarts als er een vermoeden is dat mogelijke lichamelijke ongemakken het gedrag van het dier kunnen beïnvloeden. Het is voor gemeentes van belang om eigenaren te verwijzen naar een goede lokale, gediplomeerde en geaccrediteerde gedragstherapeut voor een individueel, therapeutisch (trainings)advies (www.honden-gedragstherapie.nl, www.certipet.org, www.sppd.nl).

Als er een tweede (licht) bijtincident plaats vindt, kan de gemeente een bestuursrechtelijke procedure starten en het voornemen kenbaar maken om de hond een aanlijn- en muilkorfgebod op te leggen (en dus als gevaarlijk aan te wijzen). De eigenaar kan daarop zijn zienswijze kenbaar maken en met argumenten aangeven waarom hij denkt dat de hond niet gevaarlijk is. Eventueel ondersteund door een (lokale) gedragstherapeut die een gedragstest kan uitvoeren om aanvullende informatie te verzamelen over de gedragsmatige reacties van de hond in een aantal verschillende contexten. De gemeente kan vervolgens het advies van de lokale expert overnemen of een contra-expertise te laten uitvoeren in de vorm van een risicoanalyse van de Universiteit Utrecht (let op: de gemeente is dan opdrachtgever en de hond dient twee weken bij een opslaghouder ondergebracht te worden).

Indien de eigenaar geen goede argumenten heeft en/of niet bereid is een lokale gedragstherapeut in te huren voor expertise, zal de gemeente de hond gewoon als gevaarlijk aanwijzen en dient hij kort aangelijnd- en gemuilkorfd te worden in openbare ruimtes binnen de gemeentegrenzen. ls het aanlijn- en muilkorfgebod is opgelegd dan is het zaak om deze ook te handhaven. Indien blijkt dat het aanlijn- en muilkorfgebod niet wordt opgevolgd, kan de gemeente bestuursrechtelijk handhaven door een last onder dwangsom op te leggen of bestuursdwang toe te passen. Als handhaving niet het gewenste effect heeft, is het mogelijk de hond in beslag te nemen en een risicoanalyse te laten uitvoeren door de Universiteit Utrecht. De eigenaar kan ook medewerking verlenen aan de gemeente en op vrijwillige basis een risicoanalyse laten uitvoeren wanneer er sprake is van grote maatschappelijke onrust in de wijk, of het uitvoeren van een risicoanalyse kan als maatregel onder bestuursdwang worden opgelegd. De hond wordt dan twee weken bij een opslaghouder onder gebracht en kan dan getest worden.

Risicoanalyse

Er kunnen grote individuele verschillen zijn in gedragsreacties op verschillende prikkels, ook binnen een bepaald ras of type. Daarom is het vormen van een objectief beeld van een individuele hond in het belang van het dier en levert dit maatwerk op voor de maatschappelijke veiligheid. Immers, er wordt een objectief advies gegeven over de mogelijkheden om de hond veilig in de maatschappij te laten functioneren en de hond wordt niet simpelweg geëuthanaseerd na een bijtincident, zoals in sommige landen. Overheidsinstanties, zoals het openbaar ministerie en de gemeentes, kunnen daarom na inbeslagname een risicoanalyse uit laten voeren door het Riskassessmentteam van de Universiteit Utrecht. De Universiteit heeft jarenlange ervaring met het uitvoeren van risicoanalyses na (ernstige) bijtincidenten voor overheidsinstanties en OM, en heeft een multidisciplinair team van mensen beschikbaar (riskassessmentteam@uu.nl). De overheid is altijd opdrachtgever van een risicoanalyse. Particulieren kunnen geen opdracht voor een risicoanalyse geven.

Een risicoanalyse is van toepassing in verschillende situaties:

  • Bij een strafrechtelijk traject, dus wanneer er sprake is van een ernstig bijtincident of ophitsing.
  • Bij een bestuursrechtelijke procedure als het aanlijn- en muilkorfgebod niet wordt opgevolgd, als handhaving (last onder dwangsom) geen effect heeft of juist als onderdeel van de handhaving (bestuursdwang).
  • Bij een bestuursrechtelijke procedure als contra-expertise in opdracht van de gemeente als deze voornemens is de hond als gevaarlijk aan te wijzen (en dus een aanlijn- en muilkorfgebod krijgt), maar de eigenaar het daar niet mee eens is en een zienswijze heeft ingediend.

Een risicoanalyse is een inschatting van de risico’s die de hond geeft voor de maatschappij, in de huidige situatie bij de desbetreffende huidige eigenaar. Hierbij staat de veiligheid van de maatschappij en het welzijn van de hond voorop. Een risicoanalyse wordt opgesteld aan de hand van een groot aantal informatiebronnen: 

  • Het proces-verbaal (informatie m.b.t. het bijtincident, de rol van de eigenaar, leefomstandigheden van de hond etc.); 
  • Schaderapporten; 
  • Gezondheidsverklaring van een dierenarts;
  • Ervaringen van vaste verzorgers in de opvang (via een vragenlijst); 
  • Een gedragstest voor extra informatie over gedragsreacties in verschillende nagebootste maatschappelijke contexten (totaal 19 onderdelen). 

Uitgangspunt is om de hond bij voldoende trainbaarheid en/of duidelijk aanwijsbare prikkel- of contextafhankelijkheid van het bijtincident terug te geven aan de eigenaar. Uiteraard alleen indien deze eigenaar door de overheid als voldoende verantwoordelijk wordt ingeschat om eventuele noodzakelijke maatregelen toe te passen om recidive te voorkomen. Dit is alleen mogelijk als er vrijwel geen recidive-risico bestaat, of wanneer het risico voldoende teruggebracht kan worden door maatregelen. Denk daarbij aan training, castratie, aanlijnen en/of muilkorven en/of maatregelen op het erf om uitbreken van de hond te voorkomen.

Indien wordt ingeschat dat deze maatregelen niet voldoende in acht zullen worden genomen door de huidige eigenaar dan kan gekozen worden voor een herplaatsing (indien nodig onder voorwaarden) om recidive te voorkomen. In gevallen van mishandeling, verwaarlozing en/of het onthouden van de nodige zorg door de eigenaar is herplaatsing geboden vanwege welzijnsborging van de hond. Als de risico’s voor de samenleving onvoldoende kunnen worden weggenomen met bovengenoemde keuzes, blijft helaas euthanasie als uiterste maatregel over. Goed daarbij te vermelden is dat dit in een minderheid van het totaal aantal gevallen de uitkomst is. 

Voorwaarden voor het uitvoeren van risicoanalyse door het Riskassessmentteam van de Universiteit Utrecht zijn:

  • de hond is in beslag genomen
  • de hond is minimaal twee weken gehuisvest bij een opslaghouder op een (voor de eigenaar) onbekende locatie

De hond is na die twee weken geacclimatiseerd en heeft een band gevormd met zijn vaste verzorger bij de opslaghouder. De hond kan daardoor op een veilige manier getest worden onder begeleiding van zijn vaste verzorger (die ook als steun dient voor de hond). Er kan dan een objectief, representatief beeld worden verkregen van zijn gedragsreactie op verschillende prikkels, o.a. reactie op volwassen personen, poppen en honden. Binnen twee weken wordt de rapportage met de adviezen afgerond.
 

Onderscheid risicoanalyse, gedragstherapie, gedragstest of training

Qua doelgroep en qua inhoud is er een groot verschil tussen een risicoanalyse, een gedragsconsult, een gedragstest of een training op een hondenschool. De verschillen worden hieronder uitgelegd:

Een risicoanalyse is een advies voor een overheidsinstantie en adviseert over op te leggen maatregelen op basis van verschillende informatiebronnen (proces-verbaal, vragenlijst opslaghouder, gezondheidsverklaring dierenarts en gedragstest). Dit om de veiligheid voor de maatschappij te kunnen waarborgen. Het betreft honden die een (ernstig) incident hebben veroorzaakt met veelal eigenaren die niet in staat of bereid gebleken zijn om verantwoordelijkheid m.b.t. hun hond te nemen (recidive of hele ernstige bijtincidenten).

Een gedragstherapeutisch advies is van belang voor individuele eigenaren die bereid zijn om de oorzaak van de problemen helder te krijgen en te werken aan het (probleem)gedrag van hun hond door middel van training.

Een gedragstest in het algemeen is van belang om inzicht te krijgen in het karakter/de persoonlijkheid van de hond en de potentiële gedragsuitingen van een hond als reactie op verschillende prikkels in een bepaalde context, wat bijvoorbeeld van belang is om in te schatten of een hond herplaatsbaar is en welk type eigenaar dan bij deze hond past.

Een training op een hondenschool is van belang voor een goede socialisatie en opvoeding van de hond. Deze speelt dus een belangrijke rol in het voorkomen van problemen (preventie), maar is minder geschikt voor het oplossen van probleemgedrag, dus als er al incidenten zijn geweest. Dit omdat een training meestal in een groep plaatsvindt en niet individueel is en vooral gericht is op gehoorzaamheidcommando’s.

Voor gemeentes is het van belang om eigenaren van (hoog-risico) honden te stimuleren om een cursus te volgen bij een hondenschool met goede gediplomeerde trainers, ter preventie van problemen als gevolg van een slechte socialisatie of opvoeding. Bij gedragsproblemen kunnen gemeentes verwijzen naar een lokale, gediplomeerde en geaccrediteerde gedragstherapeut voor een individueel, therapeutisch (trainings)advies (www.honden-gedragstherapie.nl, www.certipet.org, www.sppd.nl ) mits er geen sprake is van een juridische procedure en/of inbeslagname van de hond en/of een overheidsinstantie die de opdracht verleent. In een dergelijk vroeg stadium is goede begeleiding en advies voor de eigenaar van belang om het gedrag van de hond op een veilige manier in goede banen te leiden en herhaling te voorkomen. Is echter een eigenaar niet in staat of van plan om opgelegde maatregelen, zoals een aanlijn- of muilkorfgebod, op te volgen, of is er sprake van een ernstig bijtincident of ophitsing, dan kan de hond in beslaggenomen worden en kan een risicoanalyse door de Universiteit Utrecht uitgevoerd worden. De overheid is daarbij altijd de opdrachtgever.

Extra informatie voor eigenaren
Extra informatie voor gemeenten

Over honden en brokken: De publiekrechtelijke aanpak (deel 1). De gemeentestem, 2017/79, M.I. Tuk en M.A.D.W. de Jong.

Over honden en brokken: De publiekrechtelijke aanpak (deel 2). De gemeentestem, 2017/89, M.I. Tuk en M.A.D.W. de Jong.