Tweetalig zijn opgevoed en nu bijvoorbeeld vloeiend Engels of Duits spreken naast het Nederlands: hoe ideaal klinkt dat? Maar wat als de twee talen Berber en Marokkaans-Arabisch zijn? Of Armeens plus Arabisch? Dan gaan vaak de wenkbrauwen omhoog. Dan zijn er opeens zorgen of meertaligheid niet nadelig is voor een kind, en moeten ze vooral maar snel Nederlands leren praten. Maar met die houding helpen we nieuwkomers niet. Juist als kinderen trots zijn op hun eigen taal en deze mogen gebruiken in de klas, dan leren ze ook sneller een nieuwe taal. Nieuwkomers nemen een koffer vol taalkennis mee. Die moeten we ten volle benutten, in plaats van onuitgepakt in de hoek zetten. Bij de Universiteit Utrecht helpen we kinderen, ouders en leraren die waardevolle bagage zo goed mogelijk te benutten.

Een thuis vol taal

Geschatte leestijd: 15 minuten

Children playing and climbing on a tree, surrounded by birds
Illustratie Luis Mendo

Meertaligheid is in landen om ons heen de norm, en ook steeds meer in Nederland zelf: met zoveel verschillende talen en dialecten die hier worden gesproken. We juichen meertaligheid enerzijds toe: de roep om tweetalig onderwijs en tweetalige kinderopvang wordt steeds groter. Maar dat enthousiasme is wel heel selectief, en beperkt zich vooral tot het Engels, Duits en Frans. Buiten die drie talen gaat meertaligheid vooral gepaard met bezorgdheid over taalachterstanden en over talen mixen. Maar het is niet de meertaligheid zelf die problemen oplevert, het is een aantal hardnekkige mythes over meertaligheid dat de kansen van kinderen in de weg staat. Utrechtse taalwetenschappers proberen de mythes over meertaligheid uit de weg te helpen, om plaats te maken voor kennis en praktische hulpmiddelen voor een betere taalontwikkeling van alle kinderen.

Die eigen taal van het kind moet je vooral niet afpakken.

Mythe: Meertaligheid leidt tot taalachterstand

Meertaligheid zit Nederlands leren niet in de weg. Sterker nog: een rijk taalaanbod thuis – in welke taal dan ook – draagt juist bij aan de taalontwikkeling van een kind, daarmee ook de verwerving van een nieuwe taal. “Taal is meer dan woorden en grammatica. Taal geeft je ook handvatten, om te leren tellen of abstracte concepten te begrijpen, zoals gisteren of morgen. Je kunt alleen maar abstract denken en rekenen als je taal hebt”, zegt taalwetenschapper Jacomine Nortier van de Universiteit Utrecht.

“Een kind dat in het Marokkaans kan tellen, maar geen woord Nederlands spreekt, is verder in zijn ontwikkeling dan een Nederlandssprekend kind dat niet kan tellen. Die eigen taal moet je vooral niet afpakken. De woordenschat in elk van de afzonderlijke talen is bij meertalige kinderen vaak iets lager dan bij een ééntalig kind, maar de taalontwikkeling gaat snel. En daar gaat het om: als kinderen maar talig worden, het maakt niet uit in welke taal. Thuistalen moeten we echt verwelkomen. Die gaan niet ten koste van het Nederlands, zoals vaak wordt gedacht. Elke taal is een verrijking.”

Mythe: Meertaligheid is een probleem

“Meertaligheid is wereldwijd de norm, en ook in Nederland spreken veel mensen meerdere talen of meerdere dialecten, wat ook te beschouwen is als meertaligheid. In Papoea-Nieuw-Guinea leren kinderen zelfs vier of vijf talen parallel. Er is geen enkele aanwijzing dat die kinderen problemen ondervinden door hun meertaligheid”, zegt Elma Blom, hoogleraar Taalontwikkeling en Meertaligheid, die onderzoek doet naar opgroeien in een meertalige omgeving. Dat meertalige leerlingen soms slechter scoren, blijkt vaak te herleiden naar sociale of culturele achtergrond, of naar toetssystemen die zijn niet toegerust op meertalige kinderen; het wordt niet veroorzaakt door de meertaligheid zelf.

Wel zijn er steeds meer aanwijzingen dat meertaligheid juist cognitief voordeel oplevert, zoals betere zogeheten executieve functies. “De executieve functies zet je in wanneer je je moet concentreren op een taak, en afleiding moet negeren”, legt Blom uit. “Meertalige kinderen trainen deze vaardigheid continu. Uit ons onderzoek blijkt dat Fries-Nederlandse, Pools-Nederlandse en Turks-Nederlandse kinderen een voordeel hebben in aandachtstaken die concentratie vergen en het werkgeheugen aanspreken.”

Hoe gebalanceerder de tweetaligheid – wanneer ze beide talen dus evenveel gebruiken – hoe meer cognitief voordeel het oplevert, zegt Blom. Dat pleit er wederom voor de thuistalen ruim baan te geven, want dat kinderen talen opzuigen als sponzen is eveneens een misvatting, vertelt Blom: “Het taalaanbod en het gebruik van taal zijn bepalend voor de mate waarin kinderen een taal leren. De hersencapaciteit is het probleem niet, de blootstelling aan kwalitatief goed taalaanbod wel. Het is dus belangrijk voor kinderen om hun moedertaal of -talen veel te blijven horen en gebruiken.”

Als niet-Nederlandsprekende ouder moet je vooral geen Nederlands proberen te spreken met je kinderen.

Mythe: ook thuis moeten kinderen Nederlands spreken

Thuis blijven praten in de thuistaal is voor kinderen om nog meer redenen belangrijk: “Als niet-Nederlandsprekende ouder moet je vooral geen Nederlands proberen te spreken met je kinderen. Dat draagt niet bij aan het goed leren van Nederlands”, zegt taalonderzoeker Manuela Pinto.

Praten, voorlezen en lezen in de thuistaal versterkt de taalontwikkeling, en draagt daarmee ook bij aan het leren van nieuwe talen. “Als kinderen het gevoel krijgen dat hun thuistaal er niet mag zijn of dat ze zich moeten schamen voor hun thuistaal, dan zullen ze die minder spreken; kinderen voelen dat feilloos aan. Dat zit ook taalontwikkeling voor andere talen in de weg.”

Nederlands wordt bij kinderen vanzelf de dominante taal, door school, vriendjes, de buurt; daar hoeven ouders niet extra hun best voor te doen, zegt Pinto, die ook workshops geeft aan ouders van meertalige kinderen. “Vaak zien we dat kinderen rond groep 3 of 4 stoppen met het spreken van de thuistaal, maar ook dan is het nog steeds verstandig en het meest natuurlijk als ouders wel in hun eigen taal tegen ze blijven praten”, zegt Pinto, die altijd Italiaans is blijven praten tegen haar kind, ook toen hij daar zelf mee stopte. “Kinderen verstaan het prima en zo leren ze ongemerkt meerdere talen goed beheersen, waar ze alleen maar profijt van hebben.”

Five members of a multilingual family eating together at the table
Illustratie Luis Mendo

De thuistaal moeten we juist een plek geven in de klas.

Mythe: in de klas moet alleen Nederlands worden gesproken

Scholen die trots of dwingend een veel gezien bordje ophangen met ‘Op school spreken wij Nederlands’ zouden zich dus even achter de oren moeten krabben. “De thuistaal moeten we juist een plek geven in de klas”, zegt taalonderzoeker Sergio Baauw, die voorstander is van het strategisch inzetten van de thuistaal. “Dat betekent niet: praat maar wat je wil. Maar bijvoorbeeld: een klassikale uitleg in het Nederlands, vervolgens in groepjes in een andere taal een opdracht maken, en tot slot het resultaat van de opdracht in het Nederlands verwoorden.”

Als kinderen onderling in een andere taal spreken, is dat geen bedreiging voor het onderwijs of voor het leren van Nederlands. “De thuistaal helpt hen juist om kennis of vaardigheden te verwerven waartoe ze in het Nederlands nog niet in staat zijn, en ze kunnen elkaar onderling helpen wanneer ze de uitleg in het Nederlands nog niet snappen.”

Vooral vluchtelingenkinderen nemen vaak een koffer vol met talenkennis mee. “Je moet je voorstellen dat kinderen soms een lange weg achter de rug hebben. Dat maakt kinderen ontzettend taalgevoelig”, zegt Baauw. “Ze komen bijvoorbeeld uit Syrië, waar ze Arabisch leerden, verbleven een tijd in Marokko waar ze Marokkaans-Arabisch spraken, kwamen in contact met Spaans en Catalaans in Spanje, pikten nog wat Frans op, en leren nu Nederlands. Het zijn allemaal resources, zoals we dat als taalonderzoekers zien, waar kinderen uit kunnen putten. Die kennis moeten we ze veel meer laten benutten op school.”

Mythe: elke ouder moet in één taal spreken met de kinderen

Maar wat als kinderen al die talen door elkaar gaan gebruiken? Om het mixen van talen te voorkomen, was lange tijd een veelgebruikte en geadviseerde strategie: one person, one language (OPOL). In een Duits-Keniaans gezin spreekt moeder bijvoorbeeld enkel in het Duits met de kinderen, en vader in Swahili, en alleen onderling spreken de ouders Engels. Zo strikt hoeft het niet, zeggen taalonderzoekers tegenwoordig. Er is weinig bewijs dat het gunstig is voor het leren van een taal. En een te strikte scheiding is zelfs niet wenselijk: dan hebben kinderen thuis geen woorden om over school te kunnen vertellen, of is het moeilijk om over een uitje met vader aan moeder te kunnen vertellen.

Het mixen van talen kan een teken zijn van creativiteit.

“Meertaligheid betekent niet dat het in kinderhoofdjes chaos is. Ze scheiden hun taalsystemen van jongs af aan en weten heel goed met wie ze welke taal kunnen spreken”, zegt Blom, die recent een VICI-beurs kreeg voor onderzoek naar het mixen van talen. En mixen ze wel, dan hoeft dat geen probleem te zijn. “Soms mixen kinderen talen om met woorden uit de ene taal gaten in de andere taal op te vullen. Maar het kan ook een teken zijn van creativiteit of een uitgebreide woordenschat. Het kan samenhangen met een lage taalvaardigheid, maar ook juist met een grote uitdrukkingsvaardigheid.”

Straattaal

Het mixen kan bovendien contextafhankelijk zijn. Dat is goed te zien bij straattaal, een mengtaal die jongeren uit verschillende culturele achtergronden spreken naast het Nederlands. “Straattaal is geen teken van gebrekkige kennis van taal, maar juist een blijk van goede beheersing”, zegt Nortier. “In verschillende contexten spreken ze verschillende talen; in een sollicitatiegesprek zullen ze zeker geen straattaal spreken. Ze kunnen het functioneel toepassen.”

Het wordt tijd dat we meertaligheid niet als een probleem beschouwen, maar als een verrijking. Daarmee is niet gezegd dat thuistalen geen impact hebben op een klas, op een leerkracht, of op het leren van het Nederlands. Want de specifieke thuistaal heeft grote invloed op het leren van een nieuwe taal, net als iemands persoonlijke omstandigheden: of iemand migrant is, vluchteling of expat. Thuistalen omarmen betekent dus ook: rekening houden met iemands afkomst, in de klas en in de samenleving. Utrechtse onderzoekers ontwikkelen allerlei methodes en instrumenten om daarbij te helpen.

Webapp voor thuistalen in de klas

“De moedertaal beïnvloedt in grote mate het leren van Nederlands. Er zijn namelijk grote verschillen tussen de kenmerken van talen”, zegt Nortier. “Het Chinees, Vietnamees en Indonesisch hebben bijvoorbeeld geen meervoudsuitgangen. Het Russisch en het Berber kennen geen lidwoorden, en het Turks geen verschil tussen hij of zij. Het Marokkaans-Arabisch heeft wel lidwoorden, maar geen verschil tussen ‘de’ en ‘het’. Als je dat soort kenmerken kent als leerkracht, dan weet je ook welke concepten lastig zijn voor een leerling.”

Speciaal voor leerkrachten ontwikkelde taalwetenschapper Sterre Leufkens de webapplicatie Moedertaal in NT2 (MoedINT2), waarmee ze vorm gaf aan een idee van Nortier. “Uit de praktijk blijkt dat docenten het vaak lastig vinden om met moedertaalspecifieke problemen om te gaan. Ze weten niet van iedere taal wat de verschillen met het Nederlands zijn, laat staan dat ze oefeningen paraat hebben om juist hiermee te oefenen.” Het programma helpt hen daarbij: in de webapp vinden ze overzichten van cruciale verschillen en overeenkomsten tussen het Nederlands en een aantal veelvoorkomende eerste talen, met oefeningen erbij. Zo weten ze precies welke leerling moeite zal hebben met lidwoorden, voorzetsels of bijwoorden, en hoe ze daarbij kunnen helpen.

Nieuwe methodes voor het meten van taalontwikkeling

Om meer te leren over de Nederlandse taal en cultuur gaan kinderen die nieuw zijn in Nederland soms eerst naar een taalschool voordat ze doorstromen naar het reguliere onderwijs. Voor leerkrachten is het lastig te bepalen in welke basisschoolgroep ze het beste kunnen instromen, omdat er geen instrument is om hun taalontwikkeling en -kennis te meten. “De testen zijn niet afgestemd op meertalige kinderen. Maar een tweetalig kind is niet de som van twee eentaligen. Het resultaat is dat nieuwkomers altijd te laag worden ingeschat”, legt taalwetenschapper Shalom Zuckerman uit, die samen met Manuela Pinto een nieuwe methode ontwikkelt om het taalniveau van meertalige kinderen te testen.

Eerder bedachten Zuckerman en Pinto al de methode van het Coloring Book, die geschikt is voor eentalige kinderen. “Hiermee testen we op een speelse manier het taalbegrip. Op basis van zinnen kleuren de kinderen objecten in. Bijvoorbeeld: ‘de tafel is rood’ en ‘het tafelkleed is blauw’. Door de actie zien we wat ze weten, terwijl het voor de kinderen voelt als een spel: ze hebben niet door dat ze getest worden”, zegt Zuckerman. “Bovendien is de gokkans bij deze test kleiner dan bij reguliere taaltesten met vragenlijsten, en is het een groot pluspunt dat begrippen met deze kleurmethode in een context worden geplaatst”, vult Pinto aan.

Nu werken Zuckerman en Pinto aan een nieuw instrument – Nederlands voor alle kinderen – om de taalontwikkeling van nieuwkomers nauwkeuriger in kaart te brengen. “Daarmee kunnen leerkrachten het taalproces van individuele kinderen volgen, afgestemd op hun leeftijd en omstandigheden zoals hun moedertaal, of ze het Latijnse schrift al kennen of hoe lang ze in Nederland zijn. Daarmee kunnen leerkrachten een goed gewogen advies geven om op de juiste plek in het reguliere onderwijs te integreren”, zegt Zuckerman. “We merken vanuit leerkrachten dat daar veel vraag naar is.”

A classroom of students filled with birds
Illustratie Luis Mendo

Van dyslectische kinderen eisen we ook niet dat ze eerst vloeiend en foutloos leren lezen en schrijven voordat ze naar het vwo mogen.

Nieuw toetsbeleid voor nieuwkomers

Ook in het reguliere onderwijs zou het toetssysteem beter rekening moeten houden met meertaligheid. “Net zoals we dat met dyslectische kinderen doen: die geven we meer tijd, een aangepast schrift. Je kunt niet eisen dat ze eerst vloeiend en foutloos leren lezen en schrijven voordat ze naar het vwo mogen, dat zou ondenkbaar zijn. Waarom zouden we nieuwkomers niet hetzelfde behandelen als dyslectische kinderen?”, zegt Baauw, die scholen adviseert over nieuwkomers vanuit het EDINA-project (EDucation International for Newly Arrived migrant pupils).

Vanwege ‘onvoldoende’ taalniveau wordt nieuwkomers na de basisschool nu vaak het beroepsonderwijs geadviseerd, terwijl ze misschien prima naar het hoger onderwijs hadden gekund. Uit onderzoek blijkt bovendien dat de taalachterstand vaak later wel wordt ingehaald. “Loodgieters zijn natuurlijke hartstikke welkom, maar het moet wel een keuze zijn”, zegt Baauw. “We moeten de potentie van deze kinderen tot hun recht laten komen.”

Dat begint met het creëren van bewustwording, zegt Baauw. Als onderzoeksleider van het EDINA-project brengt Baauw scholen, beleidsmakers en onderzoekers samen, om gemeenten, scholen en leraren te helpen bij het integreren van nieuw gearriveerde migrantleerlingen in het onderwijs. “Via een online platform bieden we leerkrachten allerlei tools aan die daarbij helpen, zoals het formuleren van een ander toetsbeleid, een ander taalbeleid, en het omgaan met taalkundig en cultureel diverse klassen. Er is een kentering gaande in de acceptatie van thuistalen, merken we, maar het is een langzaam proces.”

Meertaligen met een taalstoornis

Door de vooroordelen over meertaligheid lopen nieuwkomers bovendien goede zorg of begeleiding mis, als er wel iets aan de hand is. “Aangeboren taalafwijkingen zijn lastig te diagnosticeren, en bij nieuwkomers is dat extra moeilijk. Bijna automatisch wordt aangenomen dat ze een taalachterstand hebben, en moeite met taal wordt snel toegeschreven aan hun meertaligheid”, zegt Blom, die aan diverse instrumenten werkt om een taalontwikkelingsstoornis (TOS) bij meertaligen te kunnen diagnosticeren.

Huidige methoden daarvoor zijn namelijk gebaseerd op eentalige of Nederlandstalige kinderen. “Een kind dat net in Nederland is, zal vanzelfsprekend laag scoren op een Nederlandse taaltest. Als hij ook slecht scoort in een test in zijn thuistaal, dan is er mogelijk sprake van een taalstoornis, maar logopedisten vinden in alle thuistalen is niet haalbaar.”

Hoe test je dán of kinderen een taalstoornis hebben? “Door de specifieke taal te omzeilen”, zegt Blom. “We ontwikkelen onder andere een methode om taalvaardigheid te testen met behulp van niet-bestaande woorden met klanken die in alle talen voorkomen, zoals ‘kazulumi’. Kinderen met een taalstoornis hebben namelijk moeite met het herhalen van niet-bestaande woorden; een vaardigheid die ook nodig is voor het leren van een nieuwe taal. We zien nu al dat meertalige kinderen bij deze nieuwe test beter scoren dan bij een standaard test. Naar schatting hebben 5,8 miljoen kinderen in Europa een TOS. Hoe eerder een stoornis herkend wordt, hoe sneller kinderen hier hulp bij kunnen krijgen.”

Welkom met eigen taal

In de samenleving zouden al die verschillende thuistalen veel zichtbaarder mogen zijn, betogen de Utrechtse onderzoekers. “Taal is meer dan informatieoverdracht. Ook als je de taal wel beheerst, is het prettig om bijvoorbeeld een gedicht op een muur te zien in je moedertaal. Of waarom niet in het Japans de bestemming op de bus zetten, als je weet dat veel Japanners die bus naar bijvoorbeeld het Nijntje Museum nemen?”, zegt Nortier. “Ook al kunnen veel mensen zich prima redden met Engels, ze voelen zich meer aangesproken en betrokken in hun moedertaal.”

Vanuit het Europese project LUCIDE (Languages in Urban Communities – Integration and Diversity for Europe) onderzocht Nortier good practices van meertaligheid in allerlei steden, bijvoorbeeld in de zorg, het bedrijfsleven en de publieke sector, en stelde toolkits op voor het inzetten van meertaligheid op een positieve en creatieve manier. “Worden mensen bijvoorbeeld in hun eigen taal aangesproken bij de receptie van een gezondheidscentrum, dan zullen ze zich veel meer gerustgesteld voelen”, zegt Nortier. “Een paar woorden is al voldoende.”

Ook in wetenschapsmusea zouden thuistalen een veel prominentere plek kunnen krijgen. “Wetenschapsmusea zijn een van de contexten waarin kinderen leren. Thuistalen kunnen kinderen zelden inzetten in deze context. Door meer te doen met thuistalen, geef je kinderen de kans te leren, mee te doen en zich welkom te voelen”, zegt Blom, die hier vanuit het project Multi-Stem onderzoek naar doet. Dat kan bijvoorbeeld met bordjes in meerdere talen, een meertalig digitaal aanbod, buddy’s in meerdere talen die mee kunnen lopen, of pre-teaching video’s over de expositie die ze thuis vooraf kunnen bekijken.

Het zijn soms eenvoudige aanpassingen, maar met een groot effect: “Het mooie is dat dit ook de ouder-kindrelatie positief beïnvloedt. Je moet je voorstellen dat ouders die geen Nederlands spreken hun kinderen niet kunnen helpen met uitleg. Dat heeft niet alleen effect op kinderen, maar ook een enorme impact op ouders. Door informatie aan te bieden in meerdere thuistalen, kunnen ouders eindelijk weer hun ouderrol vervullen.”

Nederland wordt steeds rijker en diverser, er komen steeds meer talen en culturen bij. Het wordt tijd dat we gaan beseffen dat meertaligheid Nederlands niet in de weg zit. Nieuwe talen zijn een verrijking, en niet alleen voor taalwetenschappers. Al die talen spelen een rol, in Nederland en in het leren van Nederlands. We begrijpen steeds beter hoe we daar rekening mee kunnen houden, in de klas en in de samenleving. Dankzij kennis en praktische methoden van Utrechtse wetenschappers kunnen we meertaligen ook steeds beter helpen met het leren van Nederlands. Zodat nieuwkomers niet alleen welkom zijn, maar zich ook welkom voelen. Want Nederland: dat zijn we samen.

 

  • portrait of Maartje Kouwen

Nieuws over taal