10 december 2019

Juliette Legler werkt aan betere Europese testen voor hormoonverstorende stoffen

‘Ik wil het bewustzijn vergroten over het enorme belang van een gezond milieu voor mens en dier’

Als kind was Juliette Legler al bezig met het redden van het milieu en onze mooie planeet. Haar fascinatie voor de natuur en ecologie en haar passie voor onderzoek brachten haar bij de toxicologie. Haar onderzoek werd wereldwijd toonaangevend. Sinds 2018 staat Legler aan het roer van “een van de sterkste toxicologiegroepen ter wereld”. Met haar onderzoek naar de effecten van hormoonverstorende stoffen slaat zij een brug tussen milieuwetenschap en humane toxicologie. Zo is de cirkel voor haar weer rond.

“Hormonen zijn ontzettend belangrijk bij allerlei processen in ons lichaam”, vertelt Juliette Legler, milieuwetenschapper en hoogleraar toxicologie bij de faculteit Diergeneeskunde. “Hormonen hebben invloed op de juiste ontwikkeling van de hersenen en allerlei organen tijdens het vroege leven. Gedurende ons hele leven regelen zij allerlei belangrijke facetten, zoals voortplanting, ontwikkeling en temperatuur van ons lichaam.”

Juliette Legler tussen de groene planten in de botanische tuin op het Science Park in Utrecht
Juliette Legler

Hormoonsystemen ontregelen

In onze leefomgeving komen stoffen voor die deze hormonen kunnen aantasten of die hun werking kunnen verstoren, legt Legler uit. “Denk aan bestrijdingsmiddelen, stoffen in plastics, verpakkingen, geneesmiddelen, cosmetica en industriële stoffen, zoals vlamvertragers. Deze worden door de chemische industrie voor hele andere doeleinden geproduceerd, maar kunnen als ongewenst neveneffect de hormoonhuishouding verstoren van mensen, dieren en het ecosysteem. Als toxicoloog onderzoek ik hoe deze stoffen onze hormoonsystemen kunnen ontregelen.”

Betrokken bij de natuur

Juliette Legler groeide op in Canada. Zij was altijd buiten, druk met plantjes, beestjes en vogels in de tuin. “Van jongs af aan ben ik enorm betrokken geweest bij de ecologie en het milieu. In Canada had ik eindeloos veel natuur om mij heen en dat was heel fijn. Op de middelbare school volgde ik het vak ecologie en dat was het voor mij helemaal. Daar ging echt een lampje branden, wow, dit gaat over alle connecties tussen mens en dier, tussen dieren onderling en dieren en hun omgeving! Fantastisch hoe alles in elkaar zit. Na de middelbare school ben ik daarom milieuwetenschappen gaan studeren in Canada. Niet vanuit mijn familie, maar puur vanwege mijn eigen interesse in ecologie en milieu.”

Tijdens haar studie liep Legler stage in Nederland en maakte daar kennis met laboratoriumonderzoek en met toxicologie. “Dat vond ik zo leuk! Toxicologie houdt zich bezig met het effect van giftige stoffen op mens en milieu, dat was voor mij dé manier om zowel milieu als mens te kunnen beschermen. Toen bedacht ik: ik wil onderzoeker worden én toxicoloog.” In de loop der jaren ging Leglers onderzoek zich steeds meer richten op de gezondheid van de mens. “Sommige mensen vinden mij nu geen milieutoxicoloog meer, omdat ik me niet meer bezighoud met beestjes in de bodem. Maar de mens is ook een dier en misschien wel het belangrijkst om te beïnvloeden als het gaat over bewustzijn voor stoffen om ons heen. Ik zie mijzelf echt als brug tussen milieu en humane toxicologie.”

Na een succesvolle wetenschappelijke periode aan de Vrije Universiteit Amsterdam (VU) en Londen (Brunel University), werd Legler in 2018 benoemd tot hoogleraar Toxicologie bij de faculteit Diergeneeskunde. Daar staat ze aan het roer van een van de beste toxicologiegroepen ter wereld.

‘De mens is misschien wel het belangrijkste dier om te beïnvloeden als het gaat over bewustzijn voor stoffen om ons heen’

Wat maakt dat deze groep wereldwijd zoveel impact heeft?

“Wij doen het goed in de internationale rankings, we blinken op bepaalde niches echt uit. In de neurotoxicologie, immuno-toxicologie en alternatieve modellen en met mijn eigen onderzoek naar hormoonverstorende stoffen zijn wij wereldwijd bekend. Zo hebben we testen ontwikkeld om de toxiciteit van stoffen op het ontwikkelende brein te beoordelen, vooral effecten van giftige stoffen op neuronen, onderzoek van Remco Westerink, maar ook Martin van den Berg heeft in de normering van dioxines een wereld leidende rol gespeeld. En mijn eigen onderzoek naar de rol van hormoonverstorende stoffen in obesitas en diabetes is wereldwijd toonaangevend en nieuw. Ik heb daarin het eerste Europese project geleid, dus zeker in Europa ben ik een pionier.”

Wat is de link naar diergeneeskunde?

“Binnen de toxicologie is een veterinaire tak die zich bezighoudt met vergiftigingen van gezelschapsdieren en landbouwhuisdieren. Dat is een belangrijke onderzoekslijn met potentie, waarin we onderwijs geven. Ik had nooit gedacht dat ik bij een faculteit Diergeneeskunde terecht zou komen, maar eigenlijk is alles met elkaar verbonden. We mogen niet uit het oog verliezen dat diergeneeskunde niet alleen gaat over het behandelen van ziektes, maar ook over het voorkomen ervan. Juist daar is dat milieuaspect zo belangrijk. Ik wil het bewustzijn vergroten over het enorme belang van een gezond milieu voor mens en dier, dat zie ik als mijn belangrijkste missie als toxicoloog.”

One Health, One Toxicology

Terug naar de hormonen en stoffen die hun werking verstoren. Bij uitstek een onderwerp dat past binnen het concept van One Health, dat de gezondheid van mens, dier en milieu verbindt - een strategische focus binnen de faculteit Diergeneeskunde. “One Health spreekt mij enorm aan”, zegt Legler, ook tijdens haar oratie ‘One Health, One Toxicology’. “De werking van hormonen is heel vergelijkbaar tussen mensen en andere dieren. Hormoonverstorende stoffen grijpen aan op verschillende organismen, niet alleen de mens.”

Het duidelijkste bewijs komt uit veldonderzoeken met vissen of zoogdieren in het milieu, een beroemde casus een aantal jaar geleden. “Vissen die tijdens hun ontwikkeling in oppervlaktewater zwemmen dat is vervuild met stoffen met een vrouwelijke hormoonwerking, blijken te vervrouwelijken. Mannetjesvissen gaan dan veel meer op vrouwtjesvissen lijken, zelfs zo extreem dat zij zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen ontwikkelen. Dat is heel ingrijpend. Het komt vooral door stoffen die door de mens worden uitgescheiden, zoals synthetische hormonen in de anticonceptiepil en andere geneesmiddelen die wij slikken. Deze komen uiteindelijk in het milieu terecht.”

‘De werking van hormonen is heel vergelijkbaar tussen mensen en andere dieren. Hormoonverstorende stoffen grijpen aan op verschillende organismen, niet alleen de mens.’

Dat klinkt verontrustend…

“Het is vooral verontrustend dat we dit eigenlijk niet weten van de stoffen die wij produceren, die worden daar onvoldoende op getest voordat ze op de markt komen. Voor bestrijdingsmiddelen worden allerlei dierproeven gedaan om te testen of ze giftig zijn voor knaagdieren, als model voor de mens, maar hormonale veranderingen worden niet gemeten in de standaard toxiciteitstesten. Deze kijken niet naar subtielere effecten die een dier of mens op langere termijn kwetsbaar maken voor ziektes. Dat is een belangrijke tekortkoming.”

Vatbaar voor overgewicht

Sinds januari 2019 is Legler trekker van het Horizon2020-project GOLIATH, gefinancierd door de Europese Unie. Dat richt zich op de invloed van hormoonverstorende stoffen op het ontstaan van metabolische aandoeningen, zoals obesitas, diabetes en niet-alcoholische leververvetting. “Wij kijken op dit moment hoe de blootstelling aan hormoonverstorende stoffen tijdens de ontwikkeling de aanmaak van vetcellen beïnvloedt. Dat onderzoek gebeurt elders al bij muizen, maar wij doen het met zebravissen. Zebravissen vormen dan bijvoorbeeld vetcellen die groter zijn of anders functioneren. Dat maakt een organisme vatbaarder voor overgewicht.”

Microscopisch beeld van vetcellen in een zebravis

Er zijn nog geen gevalideerde, internationaal geaccepteerde testmethodes voor stoffen die mogelijk een rol spelen bij het ontstaan van metabole ziektes. “Dan kan een stof op de markt komen die zo’n ongewenste hormonale werking heeft op vetcellen. Volgens de wet is het verplicht om stoffen te testen op hun hormonale werking, maar als die tools er niet zijn, kan de industrie daar niet aan voldoen. Dat is een belangrijke lacune. We moeten beginnen met het ontwikkelen van eenvoudige, dierproefvrije testen, waarmee fabrikanten de hormonale werking van stoffen kunnen screenen vóórdat deze de markt opgaan. Gelukkig heeft de EU nu vijftig miljoen euro geïnvesteerd in acht projecten die allemaal gaan over betere testmethodes voor hormoonverstorende stoffen. Ons doel is dat we over vijf jaar veel betere testen hebben die de industrie nodig heeft.” Legler is tevens coördinator van het overkoepelende cluster van die acht projecten, het zogeheten ‘EURION’ cluster, dat als doel heeft synergieën tussen de projecten te bevorderen. Veel van die hormoonverstorende stoffen komen ook voor in het milieu binnenshuis, weet Legler. “Ze hechten aan stof en dat adem je in. Een simpel advies is om veel te ventileren en vooral veel te stofzuigen.”

Ventileer je deze stoffen dan niet juist je huis weer in?

(lacht) “Nee, stofzuigen helpt echt! Naast voeding is stof binnenshuis een van de belangrijkste bronnen van hormoonverstorende stoffen. Stofzuigen is dus heel belangrijk. En voor zwangere vrouwen is mijn advies om niet teveel vette vis te eten, zeker niet meer dan aanbevolen. In het vet van vis hopen dit soort stoffen zich op en dat kan terechtkomen bij de foetus. Zo blijkt uit een nieuw onderzoek van Hania Dusza, een van onze aio’s, dat er verschillende stoffen met een hormoonverstorende werking zijn te vinden in het vruchtwater rondom de ontwikkelende baby.”

Moeten we stofzuigerzakken voortaan bij het chemisch afval zetten?

“Dat doe ik zelf ook niet, maar zou misschien wel moeten. Ik ga ervan uit dat de Nederlandse vuilverbrandingsinstallaties deze stoffen eruit halen met de nieuwste technologieën, maar misschien is het wel chemisch afval. Ik heb er nooit bij stilgestaan, een hele goede vraag. In de ecologie komt alles terug. Daarom moeten we hormoonverstorende stoffen aan de voordeur stoppen, anders komen we er nooit vanaf. Iedereen moet zijn steentje bijdragen.”

Dit is een artikel uit de Vetscience Nr. 6, december 2019