Opdrachtonderzoek voor derden

UCERF voert in opdracht onderzoeksprojecten uit en adviseert onder andere overheidsinstellingen in binnen- en buitenland en niet-gouvernementele organisaties.

Lopende projecten:

  • WODC: onderzoek naar omgang met grootouders na scheiding met het Verwey Jonker Instituut
  • WODC: onderzoek naar zwakke adoptie samen met het ACFL, het Amsterdams familierechtcentrum

Eerder WODC-onderzoek:

De regeling en rechtsgevolgen van vermissing in rechtsvergelijkend perspectief

In 2017 hebben onderzoekers van UCERF een onderzoek uitgevoerd in opdracht van het WODC naar ‘de regeling en rechtsgevolgen van vermissing in rechtsvergelijkend perspectief’. De centrale onderzoeksvraag was: Welke beleids- en wettelijke maatregelen bestaan er voor (achterblijvers van) vermiste personen in Nederland, België, Denemarken, Duitsland en Engeland & Wales en kunnen deze maatregelen een oplossing bieden voor de gesignaleerde knelpunten (van achterblijvers) in Nederland? Zijn er eventueel andere mogelijkheden om deze knelpunten op te lossen?

Zie ook:

Recht doen aan genderidentiteit evaluatie drie jaar transgenderwet in Nederland 2014-2017

In 2017 is door UCERF onderzoeker Marjolein van den Brink met medewerking van Danielle Snaathorst een evaluatie uitgevoerd van de transgenderwet. Dit gebeurde in opdracht van het WODC.

Dit onderzoek brengt in kaart in hoeverre de transgenderwet voldoet aan de doelstellingen van de wetgever. Dat betreft zowel praktische doelstellingen zoals vereenvoudiging van de procedure en uitvoerbaarheid, als het overkoepelende doel om de wet in overeenstemming te brengen met de huidige mensenrechtelijke normen. De centrale vraag die in dit onderzoek is beantwoord, luidt: In hoeverre voldoet de wet van 1 juli 2014 aan de doelstellingen van de wet, te weten vereenvoudiging van de procedure en respect voor mensenrechten, en zijn er – mede in het licht van ervaringen in het buitenland – mogelijkheden om de wet nog verder in overeenstemming te brengen met die doelstellingen, zonder afbreuk te doen aan de uitvoerbaarheid of te leiden tot een toename van (identiteits)fraude? In het onderzoek zijn ook de wetten in Argentinië, Ierland, Malta en Noorwegen behandeld.

Zie ook:

Internationale kinderontvoering

Sinds 2010 zijn er in Nederland veranderingen ingezet in de uitvoeringspraktijk bij inkomende zaken van internationale kinderontvoering. Zo is er in 2011 een verkorte procedure gerealiseerd, mediation wordt ingezet en de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering is per 1 januari 2012 gewijzigd, waardoor de procesvertegenwoordiging niet meer plaatsvindt door de Centrale autoriteit (CA) en cassatie is beperkt tot cassatie in het belang der wet. De doelen van de wijzigingen zijn het verkorten van de procedure, het verbeteren van de ‘equality of arms’ en algemeen, het beter dienen van het belang van het kind.
Onderzoekers van UCERF hebben in opdracht van het Ministerie onderstaand onderzoek uitgevoerdd. Het doel van dit onderzoek was om de huidige uitvoeringspraktijk van inkomende kinderontvoeringszaken te evalueren. Dit zijn zaken waarbij een kind vanuit het buitenland naar Nederland is overgebracht. De vraag die daarbij centraal staat luidt:
Worden de recente wijzigingen uitgevoerd zoals beoogd en hoe verhoudt zich de Nederlandse uitvoeringspraktijk ten opzichte van de uitvoering in andere landen met een vergelijkbaar stelsel?

Zie ook:

M/V en verder

Marjolein van den Brink en Jet Tigchelaar hebben met medewerking van Eric Gubbels het WODC rapport: ‘M/V en verder. Sekseregistratie door de overheid en de juridische positie van transgenders’ geschreven. Dit onderzoek betrof de volgende probleemstelling: In hoeverre en onder welke voorwaarden is het mogelijk mede in het licht van internationaalrechtelijke verplichtingen, het geslacht in sommige gevallen onbepaald te laten, en welke juridische en praktische problemen kunnen daardoor ontstaan of juist worden verholpen? 

Bij het boek hoort een bijlage ‘Een inventarisatie van Nederlandse wetgeving met sekse specifieke aanduidingen of de term ‘geslacht’’.

Zie ook:

Draagmoederschap en illegale opneming van kinderen

In 2011 hebben medewerkers van het UCERF een door het WODC aangevraagd onderzoek naar draagmoederschap en illegale adoptie afgerond. Dit onderzoek heeft geresulteerd in het rapport Draagmoederschap en illegale opneming van kinderen. Uit dit onderzoek naar draagmoederschap en illegale opneming van kinderen waarin dertien rechtsstelsels zijn geanalyseerd (Californië, Griekenland, India, Oekraïne, België, Duitsland, Engeland, Frankrijk, Noorwegen, Polen, Spanje en Zweden) komen onder meer de volgende drie bevindingen naar voren:

Draagmoederschap is in Nederland niet in detail geregeld. Het strafrecht bevat een aantal bepalingen in het kader van draagmoederschap. Het afstammings- en adoptierecht bevatten geen specifieke bepalingen omtrent draagmoederschap;

Er is in het Nederlandse recht geen helder onderscheid tussen altruïstisch en commercieel draagmoederschap;

Er is onduidelijkheid met betrekking tot de erkenning in Nederland van ouderschap dat in het buitenland na draagmoederschap tot stand is gekomen.

Een belangrijke conclusie die uit het onderzoek voortvloeit, is dat zowel het Nederlandse materiële recht alsook het Nederlandse internationale privaatrecht geen eenduidige antwoorden geeft op vragen die naar aanleiding van draagmoederschap en illegale opneming van kinderen ontstaan. Dit leidt tot onduidelijkheid over de juridische positie van het kind dat wordt geboren na draagmoederschap en tot onzekerheid over de juridische positie van wensouders en draagouders. De afspraken die partijen maken over het draagmoederschapstraject en de overdracht van het kind kunnen niet in rechte worden afgedwongen en het is niet voorspelbaar hoe de rechter zal oordelen als de afgifte van een kind wordt geweigerd.

Zie ook:

De juridische status van polygame huwelijken in rechtsvergelijkend perspectief

Een aantal Tweede Kamerfracties heeft in 2008 vragen gesteld over de erkenning van polygame huwelijken in Nederland. Het voltrekken en aangaan van polygame huwelijken is in Nederland verboden. In de beantwoording van de Kamervragen is uiteen gezet dat huwelijken die in het buitenland zijn gesloten wel erkend worden, omdat zij niet beschouwd worden als in strijd met de Nederlandse openbare orde; de Nederlandse rechtssfeer is dan onvoldoende betrokken. Doel van dit onderzoek is om op basis van een rechtsvergelijkend onderzoek naar de erkenning van polygame huwelijken in een viertal Europese rechtsstelsels inzicht te verkrijgen in hoeverre de Nederlandse benadering hiervan afwijkt.

Zie ook:

Huwelijk of geregistreerd partnerschap?

Dit onderzoek had tot doel om twee belangrijke wetten uit het Nederlandse familierecht te evalueren: de Wet openstelling huwelijk en de Wet geregistreerd partnerschap. Na de invoering van de Wet openstelling huwelijk, heeft de minister van Justitie in 2001 toegezegd de Wet openstelling huwelijk te evalueren waarbij met name dient te worden ingegaan op de relatie van het opengestelde huwelijk tot het geregistreerd partnerschap. Daaraan is met dit onderzoek gevolg gegeven. Hoe functioneert de wetgeving in de praktijk? Zijn de doelstellingen van de wetgeving bereikt? Hebben zich praktische of technische problemen voorgedaan? Welke rol vervult het geregistreerd partnerschap naast het opengestelde huwelijk? Deze en andere vragen liggen ten grondslag aan de evaluatie van beide wetten.

Zie ook: