8 april 2019

Bruikbaar onderzoek voor planologen en beleidsmakers

Hoe houd je beginnende hardlopers gemotiveerd?

Jogger in het park

Een levendige en groene omgeving stimuleert beginnende hardlopers om te blijven hardlopen. Opvallend is dat deze relatief onervaren groep hun hardloopomgeving anders beleeft dan meer geoefende hardlopers. Dit blijkt uit een nieuwe publicatie van onder andere Ineke Deelen.

Hardlopen is al jaren een van de meest populaire sporten. Gemeenten zijn zich steeds meer bewust van het belang van de openbare ruimte als dé sportvoorziening. Maar waar moet je op letten als je een omgeving sportvriendelijk wilt inrichten?

Vooral beginnende hardlopers zijn in deze context een interessante groep. Zij zijn vaak minder gemotiveerd dan meer ervaren lopers en ze haken eerder af. Vanuit gezondheidsoogpunt loont het om te kijken wat ervoor nodig is om deze groep gemotiveerd en dus aan het lopen te houden. Wat vinden zij een aantrekkelijke hardloopomgeving? En verschilt dit van meer gevorderde hardlopers?

'Groene en levendige aspecten in de openbare zijn vooral voor beginnende hardlopers stimulerend'
Ineke Deelen

Ineke Deelen, sportonderzoeker en sociaal geograaf, ondervroeg samen met collega’s bijna 2.500 deelnemers van de halve marathon van Eindhoven – een afstand die zowel geoefende als beginnende hardlopers trekt. Beginners zijn in dit onderzoek hardlopers die nog maar een jaar of korter aan hardlopen doen.

Beginners en ervaren hardlopers vinden groene en levendige hardlooproutes en een comfortabele ondergrond belangrijke aspecten van een aantrekkelijke hardloopomgeving. De motieven waarom de verschillende groepen hardlopen, maken hierin nauwelijks verschil. 

Opvallend is dat beginners en ervaren hardlopers hun hardloopomgeving significant anders beleven. “Wat blijkt: groene en levendige aspecten in de openbare zijn vooral voor beginnende hardlopers stimulerend”, zegt Deelen. “Het ervaren van hinder door auto’s heeft met name voor beginnende hardlopers een negatief effect op hoe aantrekkelijk en rustgevend zij hun hardloopomgeving ervaren.” Bij ervaren lopers zorgen loslopende honden en andere voetgangers ervoor dat zij hun hardloopronde minder aantrekkelijk en rustgevend vinden – beginners lijken zich hier aanzienlijk minder aan te storen.

Deelen: “Dit lijkt erop te wijzen dat ervaren en beginnende hardlopers de voorkeur geven aan andere hardlooproutes en omgevingen. Ervaren lopers hebben vaak al bepaalde routines, lopen grotere afstanden, en zijn meer gefocust op snelheid, prestatie en afstand – hierdoor lijken ze zich minder te storen aan omgevingsfactoren. Beginnende hardlopers geven mogelijk juist de voorkeur aan hardlopen in het park, bos of in natuurgebieden. Voor hen kunnen aantrekkelijke hardlooproutes in een groene en levendige omgeving nét voor die extra stimulans zorgen.”

Deze kennis kan goed van pas komen voor planologen en beleidsmakers die zich bezighouden met het stimuleren van sport en een gezonde leefomgeving, volgens Deelen. “Ik raad aan om te investeren in hardlooproutes en paden, met een comfortabele ondergrond, die gescheiden zijn van andere weggebruikers en die parken en natuurgebieden met elkaar verbinden. Dat is wat mij betreft een essentieel onderdeel van de gezonde stad van de toekomst.”

Dit multidisciplinaire sportonderzoek is uitgevoerd door onderzoekers van de Universiteit Utrecht (Sociale Geografie en Planologie, Sociale Wetenschappen), TU Eindhoven (Industrial Design) en Fontys University of Applied Sciences (Sportkunde) en met financiële steun van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek. Dit onderzoek maakt deel uit van het promotieonderzoek van Ineke Deelen, die op 17 mei promoveert. Deelen werkt momenteel als adviseur en onderzoeker bij USBO Advies en Sport & Society.

Voor referenties:

Deelen I, Janssen M, Vos S, Kamphuis, CBM, Ettema, D (2019) Attractive running environments for all? A cross-sectional study on physical environmental characteristics and runners’ motives and attitudes, in relation to the experience of the running environment. BMC Public Health 19:366, pp 1-15