5 oktober 2016

Een klas vol onderzoekers

Waar is Wally

Rianne van Rooijen, Nicolette Munsters en Carlijn van den Boomen bestuderen bij het KinderKennisCentrum hoe baby’s visuele en sociale informatie verwerken. Het Wetenschapsknooppunt koppelde ze aan Utrechtse basisscholen, waar ze in de klas vertelden over hun werk. Het doel? Een brug slaan tussen wetenschappelijk onderzoek en de belevingswereld van kinderen. Want iedereen kan onderzoek doen, sterker nog: veel kinderen doen het al elke dag op school.

'Kijk juf, ik ben onderzoeker!'

Rianne van Rooijen onderzoekt hoe baby’s anderen gaan begrijpen. Groep 4/5 van OBS De Klimroos in Utrecht bereidde haar komst op een speelse manier voor: ‘De kinderen kregen een sticker op hun hoofd met een dier erop. Zelf wisten ze niet welk dier. Hoe kom je daarachter als je alleen lichaamstaal mag gebruiken?’ Dat leverde leuke taferelen op, weet leerkracht Kim Baan nog: ‘Er lagen bijvoorbeeld kinderen op de grond als een zeehond. Door die oefening ging het voor de kinderen echt leven. Hoe moeilijk is het om baby’s te onderzoeken die niet kunnen praten? Dat kunnen kinderen zich niet voorstellen, ze moeten het zelf ervaren. In ons lesprogramma besteden we veel aandacht aan onderzoekend leren. De kinderen zagen dat onderzoekers een beetje op dezelfde manier nadenken als zij. Dat vonden ze heel leuk: "Dan ben ik zelf dus ook een onderzoeker!"’

Vragenmachientje

Met het Vragenmachientje hadden ze van tevoren onderzoeksvragen bedacht. Rianne: ‘Goede vragen die je als onderzoeker ook zou kunnen bedenken: Waarom wil een baby aandacht? Kijkt een baby vaker naar z’n eigen moeder dan naar anderen?’ Om dat soort vragen te beantwoorden meet Rianne de oogbewegingen van baby’s: ‘Hoe lang, hoe snel en hoe vaak kijkt een baby naar een gezicht, en wat betekent dat? Hoe communiceren baby’s met hun ogen? Het is leuk om je onderzoek te vertalen naar het niveau van jonge kinderen, maar het viel nog niet mee om er een simpel verhaal van te maken. Het is wel gelukt, want sommige kinderen zeggen nog steeds: "Juf, je praat met je ogen!"’

Juf Kim: ‘We vulden elkaar goed aan. Als leerkracht voel ik het beste aan wat de kinderen wel en niet snappen, of wanneer ze even toe zijn aan actie. Rianne liet op haar beurt de kinderen kennismaken met onderzoek. Bij wetenschap denken ze toch nog vaak aan iemand met een witte jas die in een microscoop kijkt. Nu weten ze dat onderzoek veel breder is, en dat ze misschien zelf ook wel wetenschapper kunnen worden.'

Vind je Wally sneller als je ouder wordt?

Carlijn van den Boomen vertelde over haar onderzoek naar emotieherkenning in groep 7 en 8 van Op de Groene Alm in Utrecht. De kinderen zaten vol vragen: hoe trek je een conclusie, en hoe weten je hersenen welke gezichtsuitdrukking iemand heeft? Leerkracht Hester Vonk ontdekte een nieuwe kant van haar leerlingen: ‘Sommige kinderen hebben een uniek talent om goede vragen te stellen. De kinderen werden ook echt uitgedaagd om verder te denken dan normaal.’

Wat gebeurt er bijvoorbeeld als een stukje van je brein het niet doet? En hoe werkt het als je blind bent? Carlijn gebruikte een alledaags beeld om uit te leggen hoe hersendelen met elkaar praten: ze vergeleek de connectiviteit in het brein met een netwerk van landweggetjes en snelwegen. Daar gingen de kinderen ook weer creatief mee om. Wat als er file staat, of als er een weg verdwijnt?

Waar is Wally

Hoe je visuele informatie verwerkt verandert als je ouder wordt. Na het bezoek van Carlijn gingen de kinderen dat zelf onderzoeken. Ze gaven kleuters en kinderen uit groep 5 Waar is Wally-zoekplaten: op welke leeftijd vinden kinderen Wally sneller?  ‘Ze mochten helemaal zelf bedenken hoe ze het gingen uitvoeren’, vertelt juf Hester. ‘Het moeilijkst vonden ze het om hun bevindingen om te zetten in conclusies: klopt het dan wel wat we gevonden hebben? Eigenlijk dezelfde vraag die echte wetenschappers zich ook stellen.’ 

Zelf aan de slag met onderzoekend leren

Basisschoolleerlingen enthousiasmeren voor onderzoek is niet altijd makkelijk, vertelt Maarten Reichwein, projectmanager bij het Wetenschapsknooppunt dat wetenschappers van diverse pluimage aan basisscholen koppelt: ‘Bij een onderzoek over celwandsynthese moesten we meer uit de kast halen dan bij het babyonderzoek.’

Juist daarom is de krachtenbundeling met het onderwijs zo belangrijk: ‘We zetten in op een gelijkwaardige samenwerking tussen leerkrachten en wetenschappers. Ze ontwikkelen samen de les, allebei met hun eigen expertise: de leerkracht op het gebied van de kinderen en de wetenschapper op het gebied van zijn onderzoek.’

'Het Wetenschapsknooppunt zet in op een gelijkwaardige samenwerking tussen leerkrachten en wetenschappers.'

Het Wetenschapsknooppunt wil meer scholen bereiken en een methode aanbieden waarmee leerkrachten zelf met onderzoekend leren aan de slag kunnen. Dit jaar ontwikkelde Reichwein samen met Merel Sprong van Onderwijs met stijl voor het eerst lesbrieven voor groep 5 tot en met 8 van het basisonderwijs. Eén over gedragswetenschap in het algemeen, en één gebaseerd op het onderzoek naar emotieherkenning van Carlijn van den Boomen.

Reichwein: ‘De lessen zijn al uitgeprobeerd in de klas: we hebben dus bewijs dat kinderen en leerkrachten er goed mee kunnen werken. Daarbij is de inhoud gebaseerd op bestaand, actueel wetenschappelijk onderzoek. Uiteindelijk moeten er ook lesbrieven op basis van andere onderzoeken komen, zodat wetenschap in de klas steeds toegankelijker wordt voor basisscholen.’

Hoe kom je erachter wat een baby denkt?

Nicolette Munsters bezocht groep 7 van de Bosbergschool in Hollandsche Rading. Leerkracht Marjolein bereidde haar klas voor met een les over wat wetenschap eigenlijk is: ‘Veel leerlingen kennen Einstein wel, maar wat onderzoekt een gedragswetenschapper?’

Nicolette kijkt naar de sociale interactie tussen baby’s en hun ouders: ‘Kun je bij baby’s zien of ze moeite hebben met contact maken? Ik probeer erachter te komen welke vroege signalen mogelijk autisme kunnen voorspellen.’ Ze illustreerde haar verhaal met een filmpje over autisme. Marjolein: ‘Een jongen in de klas is autistisch en herkende daar veel van. Voor hem was het een kans om te vertellen hoe hij het ervaart.’

‘Iedereen die nieuwsgierig is kan onderzoek doen.'

De kinderen stelden Nicolette vragen die varieerden van ‘Waarom bent u wetenschapper geworden?’ tot echte onderzoeksvragen als  ‘Hoe kom je erachter wat een baby denkt?’ Marjolein: ‘Nicolette sprak op het niveau van de kinderen en liet met een draagbare EEG-scanner zien hoe je hersenactiviteit meet. De kinderen konden zo hun eigen hersenactiviteit op het scherm bekijken. Dat vonden ze mateloos interessant.’

De kern van Nicolette’s verhaal? ‘Iedereen die nieuwsgierig is kan onderzoek doen: het is niet makkelijk, maar wel leuk. Onderzoeken is niet alleen iets voor hele slimme mensen. Iedereen doet het, bijvoorbeeld als je jezelf iets afvraagt ("Waarom ….?")  en op zoek gaat naar het antwoord (omdat je meer wil weten dan het antwoord "Daarom!" van je ouders). We willen een brug slaan tussen de wereld van de wetenschap en die van kinderen.’