6 december 2018

Opinie

Hogere dijken beschermen ons niet tegen water

Op de klimaattop in Katowice in Polen proberen de landen die het klimaatakkoord van Parijs hebben ondertekend, concrete maatregelen af te spreken. Nederland doet heel weinig aan CO2-uitstootreductie. We stoten relatief veel meer uit dan het wereldgemiddelde, en hebben die uitstoot nauwelijks verminderd in de afgelopen decennia. Nederland en andere rijke landen moeten dus snel en grondig het voortouw nemen. Nederland zal onder meer een antwoord moeten vinden op de zeespiegelstijging. Je hoort nog wel eens het argument dat klimaatverandering ‘onzeker’ is, maar dat geldt niet: die zeespiegel stijgt, de vraag is alleen hoe snel.

Dit opiniestuk verscheen in eerder in NRC.

Door: Prof. dr. Maarten KleinhansProf. dr. Appy SluijsDr. Patrick WitteProf. mr. Marleen van RijswickDr. Herman Kasper GilissenProf. dr. Steven de JongProf. dr. Gerben RuessinkProf. dr. Hans Middelkoop.

Waarom redden we het in de toekomst niet met alleen hogere dijken en een extra waterkering bij Rotterdam? De Nederlandse geschiedenis is rijk aan voorbeelden van watersnoodrampen en technische oplossingen tegen overstroming. Vele van die rampen vertonen een opmerkelijk zelfde patroon: de mens ontwaterde lage, natte gebieden voor landbouw en bewoning, en beschermde deze met dijken. Maar verlaging van het grondwaterpeil veroorzaakt bodemdaling, en dijken voorkomen dat de natuurlijke aanvoer van slib die bodemdaling compenseert. Zo worden de polders langzaam maar zeker klaargezet voor de laatste druppel die de emmer doet overlopen. Zoals bij de Sint Elisabethvloeden in 1421, de Watersnoodramp in 1953 of, verder van huis, de overstromingen van New Orleans na orkaan Katrina.

Waar het in 1421 nog ging om een tiental dorpen, is de hele Randstad zo’n polder met een tiental miljoen Nederlanders en ons economische hart; wereldwijd gaat het om een half miljard bewoners van verdrinkende rivierdelta’s. Het zijn geen incidentele klimaatextremen meer, maar ongekende veranderingen in klimaat en zeespiegel.

Kop in het zand. Beeld: Aike Vonk
"Wie zijn kop nu in het zand steekt, moet hem straks uit het water halen." Illustratie: Aike Vonk

Bij grote zeespiegelstijging kruipt het zoute water onder opgehoogde dijken door. Dit veroorzaakt problemen voor drinkwater, landbouw en natuur. Grotere dijken zijn kostbaar, maar houden de kwel onderlangs niet tegen. Toen 8000 jaar geleden de zeespiegel net zo snel steeg als wordt voorspeld voor de eenentwintigste eeuw, was er al te weinig zand en slib in de delta om verdrinking van half Nederland te voorkomen.

Stel dat we het klimaatakkoord van Parijs wel halen. Dan zitten er nog steeds meer broeikasgassen in de atmosfeer dan voor het industriële tijdperk en is het klimaat evengoed veranderd. Het resultaat: de zeespiegel stijgt wellicht ‘slechts’ enkele meters. Dit probleem is voor een groot deel van het land op te lossen met het opspuiten van zand aan de kust, dijkversterkingen en vooral met natuurlijke opslibbing van te lage gebieden waar nu nog woonwijken worden gebouwd. Zulke grote koerswijzigingen in landgebruik zijn lastig, maar alles wijst erop dat we nú moeten kiezen voor oplossingen die toekomstige aanpassingen niet bij voorbaat onmogelijk maken.

Allereerst moeten we nationaal en internationaal de CO2-uitstoot reduceren naar nul. Maar we moeten ook landschap en bestuur aanpassen. Niet het inzakkende land in metselen in hoge dijken en duinen, en met zware gemalen de zoute kwel en het rivierwater weg te pompen. Wel met gecontroleerde overstromingen vanuit zeearmen voor natuurlijke opslibbing zorgen in kritiek lage gebieden. Dat dit werkt, laten voorbeelden uit het verleden zien, zoals het Verdronken Land van Saeftinghe in Zeeland dat nu meters hoger ligt dan de nabije, binnendijkse omgeving. Daarnaast verlaagt die ruimte de extreme hoogwaterstanden en geeft het gezondere ecosystemen. Dit is ook essentieel voor de zoute landbouw, visvangst en aquacultuur die we nodig gaan hebben.

We moeten niet het inzakkende land inmetselen in hoge dijken en duinen, en met zware gemalen de zoute kwel en het rivierwater weg pompen, maar met gecontroleerde overstromingen vanuit zeearmen voor natuurlijke opslibbing zorgen in kritiek lage gebieden.

De meeste Nederlanders wonen en werken nu nog in de Randstad, het laagste en slapste deel van het land. Onlangs spraken Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen zich in een bestuursakkoord uit voor meer groenaanleg in steden en voor grotere wateropvangbekkens. Maar deze klimaatadaptatiemaatregelen zijn bedoeld om de gevolgen van extreme hitte en regenval in te perken, en leiden de aandacht af van de onvermijdelijke zeespiegelstijging.

Wil dit ‘echt-aan-de-slag-akkoord’, zoals minister Van Nieuwenhuizen (Infrastructuur en Waterstaat, VVD) het betitelt, werkelijk voeten in de aarde krijgen, dan moeten burgers en bedrijfsleven beter betrokken worden bij de klimaataanpak. Zijn we ons wel genoeg bewust van de risico’s van te weinig doen? In Nederland heerst terecht een groot vertrouwen in een overheid die voor de bescherming tegen het water zorgde. Maar iedereen moet ook weten waar je beter niet kunt gaan wonen, voordat huizen en bedrijven wegens bodemdaling en overstromingsrisico onverzekerbaar worden verklaard.

De Deltacommissaris zag het goed: nu hebben we nog de tijd voor grondige aanpassingen op het gebied van woningbouw, landbouw zoetwatervoorziening en de ruimtelijke planning hiervan. Parijs halen leidt ook tot nieuwe kansen voor innovaties, waardoor het ook op lange termijn aantrekkelijk blijft om te investeren in ons land. Maar dan moeten we snel een visie ontwikkelen voor het Nederland van de nabije toekomst. Wie zijn kop nu in het zand steekt, moet hem straks uit het water halen.