De glas-in-loodvensters in de Aula, van de hand van Joep Nicolas:

‘Deze tak van kunst is aan mij vastgegroeid’

Bij gelegenheid van het 300-jarig bestaan van wat in 1936 nog de Rijksuniversiteit Utrecht heette, schonken oud-studenten zeven glas-in-loodramen aan de universiteit, die een plek kregen in de Aula in het Academiegebouw. De oud studenten gunden de opdracht aan de glazenier Joep Nicolas (1897-1972).

Tekst: Armand Heijnen

Glas-in-lood-ramen in Aula van Academiegebouw

Bij het 300-jarig bestaan van de universiteit toonden de oud-studenten, verenigd in het U.U.F. (Utrechts Universiteitsfonds), zich uitermate genereus. Ook de gobelins in het ‘Groot Auditorium’ (de latere Aula), inclusief het Unie van Utrecht-tapijt, gemaakt door Willem van Konijnenburg (1868-1943), werden toen aan de jarige instelling cadeau gedaan. Evenals het lijvige Jubileumboek met de geschiedenis van de universiteit van de hand van geschiedenishoogleraar G.W. Kernkamp (1864-1943).

gobelins in Aula Academiegebouw

Over ontstaansgeschiedenis en uitwerking van die gobelins is veel bekend. Zo werd er een ‘Gobelincommissie’ geformeerd, bestaande uit de voorzitter van het Utrechtsch Universiteitsfonds, A.J.A.A. baron Van Heemstra, uit de secretaris van het fonds jhr. H.A.M. van Asch van Wijck, de Utrechtse hoogleraar kunstgeschiedenis Willem Vogelsang, de secretaris van de curatoren B.J.L. baron de Geer van Jutphaas, en nog drie leden namens de staat en het ministerie van Onderwijs. De glas-in-loodvensters daarentegen kennen een veel schaarsere overlevering in de archieven.

Om de Aula te sieren “naar middeleeuwse stijl”, zoals het toenmalige alumniblad Post Iucundam Iuventutem het omschreef, waren behalve die gobelins ook glas-in-lood vensters op hun plek.  De Aula was in feite een laat-middeleeuwse zaal, immers in 1462 gebouwd door meester-steenhouwer Jacob van den Borch als ‘groot-kapittelhuis’ van het Domkapittel. In 1634 kreeg de net opgerichte ‘Illustre School’ – die twee jaar later de status van universiteit verwierf – het kapittelhuis van de stedelijke overheid cadeau als gehoorzaal – ‘Auditorium’- voor het onderwijs.

Glas-in-lood-raam in Aula van Academiegebouw

Bij het meest rechtse venster in de Aula, enigszins verscholen achter het oksaal met orgel, staat de tekst – in vertaling uit het Latijn: “Deze ramen van glas zijn gemaakt voor de driehonderdste verjaardag van de universiteit en zijn geschonken door de alumni, voor hen die toen leefden en hen die zullen leven. Joep Nicolas f.” Waarbij de f. staat voor fecit: gemaakt dus door Joep Nicolas. Voordien bestonden de zeven vensters uit langwerpige, in lood gevatte, wit glazen raampjes, met aan de bovenkant een gekleurde rozet. Joep Nicolas deelde zes van de zeven vensters op in twaalf partijen, met in elk deel een voorstelling van een deugd en een ondeugd.

In het bovenste deel van het raam maakten de gekleurde rozetten plaats voor de wapens van de Zeven Verenigde Nederlanden. Dit zijn de gewesten die in deze zaal in 1579 op initiatief van de broer van Willem van Oranje, de stadhouder van Gelre graaf Jan van Nassau, de Unie van Utrecht ondertekenden – een belofte tot samenwerking van deze gewesten en een groot aantal steden tegen de Spaanse overheersers. Het leverde Jan van Nassau een standbeeld op, op het Domplein tegenover het Academiegebouw. De wapens zijn, van links naar rechts, van Holland, Gelre, Friesland, Utrecht (met in het hart het stadswapen van Utrecht), Overijssel en Groningen.

Zes glas-in-lood-ramen Academiegebouw op een rij

Ramen van links naar rechts:

Geloof tegenover Bedrog

Fides en Dolus

Wijsheid tegenover Domheid

Sapientia en Stultitia

Grootmoedigheid tegenover Afgunst

Magnanimitas en Invidia

Voorzichtigheid tegenover Roekeloosheid

Prudentia en Temeritas

Kracht tegenover Lafheid

Fortitudo en Ignavia

 

Rechtvaardigheid tegenover Gewelddadigheid

Justitua en Iniquitas

Grisaille

Hoewel het meeste werk van Nicolas zich kenmerkt door warme, felle kleuren, zijn de ramen in het Academiegebouw vanwege toepassing van de grisaille-techniek sober van kleur. Bij grisaille worden geen natuurlijke kleuren aangebracht maar wordt er gewerkt met diverse schakeringen van dezelfde kleur; doorgaans grijs of bruin. In het geval van de Aulavensters maakte Nicolas gebruik van milde tinten zwart, wit, lichtblauw, heel licht bruin en geel. De grisaille is één van de vernieuwingen die Nicolas in de glas-in-loodkunst doorvoerde.

Nicolas werkte eerder samen met de maker van de wandtapijten in de Aula

Een reden om Nicolas de vensters te laten maken kan liggen in het feit zijn dat hij al had samengewerkt met de maker van de wandtapijten die ook in 1936 in opdracht van de alumni de Aula moesten versieren: W.A. van Konijnenburg. Nicolas had in 1925 een ontwerp van Van Konijnenburg voor een herdenkingsraam ter gelegenheid van het derde eeuwfeest van Hugo de Groots De jure belli et pacis (1625) in de Grote Kerk te Delft uitgewerkt. Ook later zouden zij nog eens samenwerken: in 1939 voltooide Nicolas een ontwerp van Van Konijnenburg van twee ramen ter gelegenheid van het regeringsjubileum van koningin Wilhelmina in de Amsterdamse Nieuwe Kerk. Die samenwerking zou ook een verklaring kunnen zijn van de sterk symbolistische aanblik die Nicolas aan zijn glas-in-loodramen in de Aula meegaf; Van Konijnenburg was immers symbolist bij uitstek. Ook met A.J. Derkinderen had Nicolas samengewerkt. Deze directeur van de Rijksacademie voor Beelden Kunsten te Amsterdam had het uit 1894 stammende glas-in-loodraam in de hal van het Academiegebouw gemaakt, met een afbeelding van de stedenmaagd die het gebouw overdraagt aan de Vrouwe Academia. Derkinderen zat in 1923 in de jury van de N. de Vegeliusprijs, die toen door Nicolas gewonnen werd met het schilderij De kruisafneming. Het maakte hem op slag bekend. Nicolas had bovendien een opdracht voor het hoofdkantoor van de Nederlandsche Handelmaatschappij in Amsterdam afgemaakt, die Derkinderen niet meer had kunnen voltooien omdat hij in 1925 overleed.

Glas-in-lood-raam in Aula van Academiegebouw

De in de Aula gebruikte symboliek voor de deugden en ondeugden heeft een nogal gewelddadig karakter. Nicolas strooide kwistig met messen, zwaarden, doodshoofden, galgen en stroppen. Wellicht hangt deze nogal zwarte iconografie samen met de somberte van de jaren dertig van de vorige eeuw – de economische crisis en een dreigende oorlog. Qua kleurstelling vormen alleen de wapens een uitzondering, én het meest linkse, heraldische raam, dat de Unie van Utrecht moet verbeelden: die zijn namelijk wel zeer uitbundig en kleurrijk. In het meest linkse venster staat een klassieke figuur afgebeeld, in een tuin omgeven door een hek dat versierd is met eveneens de wapenschilden van de Verenigde Provinciën. Een sinasappelboom steekt boven de tuin uit – een verwijzing naar het huis van Oranje.

Bon vivant

Joep Nicolas stond en staat te boek als een bourgondische bon vivant, hoewel ook worstelend met zijn talent en met zijn melancholieke inborst. Na het gymnasium aan het Bisschoppelijk College in Roermond ging hij in 1916 in het Zwitserse Fribourg filosofie en kunstgeschiedenis studeren. Hij was echter meer geïnteresseerd in Wein, Weib und Gesang – en dat zou zijn hele leven zo blijven. Daarom haalde pa Charles hem spoorslags terug naar Nederland, om hem in Amsterdam rechten te laten studeren. Daarvoor sjeesde hij, maar hij blonk wél uit op de avondcursussen beeldende kunst die hij eveneens volgde.

In Amsterdam ontmoette hij de 19 jarige Suzanne Nys uit Brussel, zijn latere echtgenote en een verdienstelijke beeldhouwer. Hij ging met haar in het Noord-Hollandse Groet wonen. Het verhaal gaat dat tijdens een avondwandeling door Groet Joep en Suzanne op een groep jongeren stootten die met rommelpotten en lampions al hossend het Sint Maartensfeest vierden. Joep, die zijn hele leven lang warm liep voor fanfares, carnavalsvierders en optochten, riep: ‘Ik heb het, het thema van mijn raam’, waarna hij naar zijn boerderijtje rende en koortsachtig begon te schetsen aan het Sint Maartensraam. Dat raam was een opdracht die hij na het winnen van de N. de Vegeliusprijs had gekregen en dat dienst moest doen als Nederlandse inzending in 1925 voor de Salon des Arts Décoratifs in Parijs. Nicolas viel in de prijzen viel en werd als lid toegelaten tot de Maîtres Verriers de France. Zijn artistieke toekomst was daarmee verzekerd.

In Groet begon hij een relatie met de vrouw van zijn vriend, de schilder Henk Wiegersma. Dat liep uit op een forse ruzie. Het gezin Nicolas – zij hadden inmiddels twee dochters - moest Groet ontvluchten. Ze verhuisden weer naar Roermond. Zijn huis werd ontmoetingsplaats voor veel kunstenaars, waaronder zijn zwager Aldous Huxley – auteur van Brave New World - Jan Engelman, Jacques Bloem, Adriaan Roland Holst en de Engelse schrijver D.H. Lawrence, wiens portret hij schilderde. Ondertussen vond Nicolas volop emplooi in het beglazen van de talloze kerken die tijdens het interbellum verrezen, maar ook bijvoorbeeld van de stadhuizen van Breda, Hilversum en Tilburg, de hoofdkantoren van grote ondernemingen zoals Philips in Eindhoven, de Amstelbrouwerij in Amsterdam of Unilever in Rotterdam, het St. Canisiusziekenhuis in Nijmegen en het KRO-gebouw in Hilversum. Hij decoreerde zelfs de eetzaal ‘eerste klas’ van de S.S. 'Nieuw Amsterdam', het vlaggenschip van de Holland-Amerika Lijn.

In Roermond begon hij een ménage à trois: de kunstenares Gisèle van Waterschoot van der Gracht kwam in zijn atelier studeren en werken – en Joep afleiden, terwijl ze tegelijk de beste vriendin werd van Joeps echtgenote Suzanne. Na verloop van tijd kon Suzanne de escapades van Joep met Gisèle echter niet meer verdragen, waarop ze voorstelde om naar New York te verhuizen, zogenaamd om de dreigende oorlog te ontvluchten, maar in de wetenschap dat Gisèle hen daar zeker niet naar toe zou volgen. Dat plan kwam in een stroomversnelling toen zich een opdracht in het Holland House in New York voordeed; Nicolas verkocht het Roermondse atelier en scheepte zich met zijn gezin in. Tijdens zijn verblijf in de Verenigde Staten beglaasde hij 22 Amerikaanse kerken en voorzag hij diverse publieke gebouwen van wandschilderingen. Maar het werken in opdracht en onder tijdsdruk beviel hem geenszins. “Wat de schilderkunst betreft, zit men hier nog helemaal vast in een volkomen voorbijgestreefde moderniteit en ik zal echt moeten vechten om uit de nonsens te geraken die ons hier omgeeft”, schreef hij over zijn Amerikaans verblijf.

Mijn legende loopt af en ik weet niet eens hoe ik er een keurig slot voor moet verzinnen

Centraal Museum

Eind 1955 ontving Nicolas het eervolle verzoek de Oude Kerk in Delft te beglazen, een enorme klus – pas in 1964 rondde hij dit magnum opus af met het befaamde Willem de Zwijgerraam. Aanvankelijk pendelde hij heen en weer tussen de VS en Nederland voor deze opdracht, maar in 1959 besloot het echtpaar toch definitief terug te keren naar Nederland, waarna het zich vestigde in het Limburgse plaatsje Steyl.

Ondertussen ging het bergaf met de kunstenaar zelf, en met zijn werk. De roerige jaren zestig lieten ook een omslag zien in de waardering voor het rooms-katholieke geloof, evenals voor de glasschilderkunst. Erger nog: enkele van de scheppingen van Nicolas konden ternauwernood voor sloop worden behoed. Tegen het einde van zijn leven kreeg hij te maken met een schrijnend gebrek aan opdrachten. In 1963 werd hij bovendien getroffen door een lichte beroerte. Voortaan moest hij de zo geliefde whiskyfles laten staan en diende hij het kalmer aan te doen. In 1964 schreef hij zijn dochter Claire: 'Mijn legende loopt af en ik weet niet eens hoe ik er een keurig slot voor moet verzinnen'.

Bij zijn zeventigste verjaardag in 1967 kreeg hij twee tentoonstellingen: een in het Centraal Museum Utrecht over de glazenier, en een bij de Rijksakademie Amsterdam over de schilder. Vooral de Utrechtse expositie was een opzienbarende exercitie. Op verschillende plekken werden de glas-in-loodramen tijdelijk uit hun sponningen verwijderd en overgebracht naar Utrecht. In de catalogus bij die expositie schreef Nicolas zelf: “Ik ben nog steeds bezig: deze tak van kunst is aan mij vastgegroeid, mijn dagen vullend en mijn gedachten.” Maar veel tijd was hem niet meer vergund. Eind juli 1972 stierf Nicolas thuis aan een hartaanval. Overeenkomstig zijn wens werden hij en zijn vrouw Suzanne begraven in Sint Odiliënberg, een dorp onder de rook van Roermond en in de schaduw van de romaanse basiliek, waarvoor Joep het glas-in-lood had vervaardigd.