Home | Thema | Programma | Spelregels | Forum | Bijsluiter | Sprekers | Etalage | Organisatie

 Voorbeeldessay 1

View from everywhere
Door Abram Hertroys

View from everywhere. Een postmodern betoog voor pluraliteit en debat

Zonsondergang

Plato plaatst de mensen aan benen en hals gekluisterd in een grot. Het schimmenspel dat zich voor ons op de muur afspeelt, beschouwen wij ten onrechte als de werkelijkheid. De schaduwen staan voor de zintuiglijke wereld en deze is fundamenteel onbetrouwbaar. Wij kunnen ons er enkel meningen van vormen; het mist de stabiliteit die voor ware kennis is vereist. Volgens Bacon is het menselijk kenvermogen geïnfecteerd door zogenaamde idolen, dogmatische veronderstellingen, diep verankerd in het verstand. Deze komen onder meer voort uit de talige interactie. De termen die wij gebruiken om de wereld te benoemen, zijn onkundig geabstraheerd of simpelweg verzinsels. Bovendien plaatst Bacon ons in individuele grotjes die 'het licht van de natuur breken en vervormen'. De persoonlijke grot staat symbool voor de individuele dwalingen die ontstaan door opvoeding, gewoonte en eigen aard. Gelukkig is de redding nabij. Volgens Bacon kunnen wij ons ontdoen van de idolen door ze te herkennen en te verwerpen. Dan pas kunnen wij gezuiverd en onbevangen als een kind de wereld tegemoet treden en de natuur zien zoals zij echt is. In de grotvergelijking van Plato zijn de schimmen op de wand verwarde afspiegelingen van een intelligibele wereld. Een extern, onafhankelijk domein dat inzichtelijk is en waar de ware kennis op berust. Door een juiste opvoeding en door met elkaar de dialoog aan te gaan, zijn wij in staat ons van de ketenen te ontdoen en moeizaam, maar geleidelijk uit de grot op te klimmen om uiteindelijk de Zon te aanschouwen. De Zon die ons in staat stelt helder naar de werkelijkheid te kijken.

Het probleem met deze stabiele, 'transcendente' wereld is dat zij zich onttrekt aan de directe waarneming. Wij blijven opgescheept met de vergankelijke, misleidende ervaringswereld. Hoe weten we dan wat echt waar is? Kunnen wij wel toegang krijgen tot de wereld ansich? Nee, luidt het postmoderne antwoord. Onze kijk op de wereld is inherent subjectief. Of zoals Nietzsche stelt, 'Er zijn geen feiten, slechts interpretaties.' En dit is zelfs een noodzakelijke voorwaarde om de wereld (zij het op een bepaalde manier) te kunnen begrijpen. De vrijmoedige kinderen van Bacon zouden chaos tegemoet treden. In de praktijk bestaat er geen kijkerloze kijk op de wereld, een God's eye of een view from nowhere. Wij mogen ons gelukkig prijzen met de idolen die ons helpen de wereld te interpreteren. Het ontbreken van een onafhankelijke waarheid als objectieve toetssteen heeft echter een pluralistische consequentie. Er zijn nu eenmaal verschillende manieren om naar de wereld te kijken en er is geen mogelijkheid om te bepalen welke manier beter is. Vergelijk het met de bekende tekening van het eendkonijn. Je kunt er een eend in zien, of een konijn (de interpretaties zijn niet verenigbaar), maar er is geen manier om vast te stellen wat het echt is. Wijsgeren als Nietzsche, (de latere) Putnam en Rorty hebben allen verdedigd dat het onmogelijk is ons van onze ketens te ontdoen en naar de uitgang van de grot te klimmen. Er bestaat simpelweg geen metafysische Zon die ons in staat stelt de wereld te zien zoals zij werkelijk is. En met de ondergang van Plato's zon is thans De Waarheid dood verklaard.

Misvormende taal

De mens is een talig wezen. Dit stelt ons in staat om met elkaar te praten en de wereld om ons heen te beschrijven. De woorden die wij hanteren om de wereld te benoemen, zijn conventionele abstracties - en daarom per definitie niet objectief. Onze concepten delen de wereld op een bepaalde manier in. De taal is dus een weergave van hoe wij de wereld begrijpen en bovendien van invloed op hoe wij de wereld begrijpen. De waarneming is nooit sec. Wij zien geen 'zwart-wit gestipt beest met een kwispelende staart' (deze omschrijving is bovendien al verre van neutraal), maar een Dalmatiër. Waarneming gebeurt binnen een wereld van talige betekenis. En de taal is aan alle kanten besmet door theorie. De leus the truth is out there is inderdaad science fiction.

Hoe komen wij erachter of we de wereld correct benoemen? Volgens Carnap is dit een vraag die we beter niet kunnen stellen. Hij maakt een onderscheid tussen de vragen die we stellen binnen ons talige kader en de vragen die we stellen over het kader. Van binnenuit kunnen wij bijvoorbeeld vragen of Dalmatiërs bestaan. Dit is een vraag die empirisch kan worden benaderd. Het heeft echter geen metafysische implicaties. De externe vraag naar de ontologische status van de Dalmatiër, is echter on-zinnig. "To be real in the scientific sense means to be an element of the system; hence this concept cannot be meaningfully applied to the system itself." Wij gebruiken de taal om de wereld te beschrijven, maar we kunnen niet vragen naar de realiteit van de wereld die wij erin beschrijven. Of zoals Oudemans het treffend verwoordt: 'Wolken metafysica zijn gereduceerd tot druppels taaltheorie.' De taal is dus niet eens zozeer misvormend. We weten immers niet waar het vanaf wijkt. Beter gezegd is de taal vormend. De manier waarop wij de wereld begrijpen, wordt bemiddeld door het conceptuele systeem waarmee wij haar benaderen.

Wonderlijke wetenschap

Nu de neutrale werkelijkheid overboord is, rest ons een hardnekkig probleem. De wetenschap blijkt steeds beter in staat succesvolle voorspellingen te doen. En als de werkelijkheid zo onkenbaar is en onze perspectieven erop alleen maar subjectief, hoe kunnen we dan verklaren dat we steeds beter in staat blijken de ervaringswereld te verklaren en te voorspellen. Kortom: de beste verklaring van het succes van de wetenschap is de veronderstelling dat onze theorieën gewoonweg waar zijn en overeenkomen met de objectieve wereld. Het alternatief is dat het toevallig zo is gelopen, oftewel miraculeus. (Dit is een nogal vrije parafrasering van Hillary Putnams prorealisme-argument dat bekend staat als het miracle argument). Nu blijft het probleem hiermee dat het eventueel een aardige verklaring is, maar dat die waarheid evengoed onkenbaar blijft. De verklaring is hoogstens een redelijke veronderstelling, maar zeker geen geldige deductie. En is het wel een redelijke veronderstelling? Het redeneerschema gaat ongeveer als volgt. We nemen een onverklaarde observatie (wetenschap is succesvol) en een eventuele verklaring (wetenschap is bij benadering waar). Als deze eventuele verklaring aannemelijker is dan de alternatieven (wetenschap is een wonder), is het redelijk om de verklaring te onderschrijven. Dit wordt ook wel een inference to the best explanation genoemd. Allereerst is het belangrijk om een verschil te maken tussen waarheid en empirische adequatie. Empirische adequatie houdt in dat een theorie de observaties verklaart en correct voorspelt. Zolang een theorie verklaart wat het beoogt te verklaren en op dit terrein (de reikwijdte van de theorie) juiste voorspellingen doet, is zij empirisch adequaat. Voor zover de wetenschap succesvol is, is zij dus empirisch adequaat. Is dit dan niet gewoon een andere term voor waarheid? Nee, empirische adequatie is uiteraard geen verklaring voor het succes van de wetenschap (oftewel empirische adequatie). Bovendien is het mogelijk dat er twee concurrerende theorieën - bijvoorbeeld theorieën met ongeveer dezelfde reikwijdte, maar met een rivaliserende ontologie - beide empirisch adequaat zijn, terwijl er volgens de opvatting van één objectieve waarheid slechts één theorie waar kan zijn. Op het moment dat je stelt dat beide theorieën (voor zover wij kunnen weten) waar zijn, verwerp je het realisme in strikte zin en dus ook de notie van een objectieve waarheid. Een theorie is makkelijk te controleren op empirische adequatie, maar het wordt lastiger deze af te zetten tegen een onkenbare werkelijkheid. Het blijft dus gissen naar het waarheidsgehalte. Kunnen we nu zeggen dat het groeiende succes van de wetenschap een indicatie is van een naderen tot de waarheid?

In zijn artikel Confutation of Convergent Realism ontkent Larry Laudan dit. De huidige theorieën zijn niet volledig waar, daar zijn ook de realisten het over eens, maar zij zijn zogenaamd tenminste grotendeels waar of meer waar dan de oude theorieën. Om grotendeels waar te zijn, aldus Laudan, moeten tenminste de gepostuleerde entiteiten werkelijk bestaan. De termen die we gebruiken om de wereld te beschrijven moeten verwijzen naar objecten in die wereld. "To have a genuinely referring theory is to have a theory which 'cuts the world at its joints', a theory which postulates entities of a kind that really exist." (Wanneer dit wordt ontkent, hanteer je een instrumentalistische 'ontologie'. Dit is geen realiteitsclaim.) Laudan geeft nochtans voorbeelden van theorieën die correcte voorspellingen deden, maar volgens huidige inzichten niet correct verwezen (bijvoorbeeld de aether- en de flogistontheorie). Bovendien is het omgekeerde ook mogelijk. Een theorie die volgens huidige opvatting correct verwijst, hoeft niet perse goed te voorspellen. Er is een makkelijke truc om ondersteunende voorbeelden te generen. Wij nemen een theorie waarvan wordt aangenomen dat zij verwijst en ontkennen een aantal willekeurige claims. Het resultaat is een theorie die inderdaad verwijst, maar geen correcte voorspellingen doet. Zoals Musgrave het fijntjes stelt, "`George Bush is fat, blonde, eloquent and atheistic' refers to Bush all right, but would not be much good at predicting Bush-phenomena." Juist verwijzen is kennelijk geen sine qua non voor voorspellend succes. Gelet op de Newtoniaanse mechanica, de klassieke thermodynamica en andere succesvolle theorieën die wij tegenwoordig niet (bij benadering) waar zouden noemen, mogen we concluderen dat voorspellingskracht geen (gedeeltelijke) waarheid impliceert. En om te bepalen of gedeeltelijke waarheid tot voorspellende kracht leidt, zouden we moeten preciseren wat 'gedeeltelijk waar' inhoudt. Tot op heden hebben de realisten hier geen bevredigende invulling aan gegeven en kunnen we concluderen dat het succes van de wetenschap met de holle term 'waarheid' niet (afdoende) wordt verklaard. Zowel realisten als antirealisten moeten het erop houden dat het succes van de wetenschap een wonder is. Of zoals Rorty het stelt, `Over de waarheid valt niks te zeggen, omdat ze nergens relatief aan is.' Een theorie kan voor zover wij kunnen achterhalen hoogstens empirisch adequaat zijn.

Waardevol debat

Hoe kunnen we zonder de maatstaf van een ongeïnterpreteerde werkelijkheid een keuze maken tussen de verschillende interpretaties? De subjectieve kijk op de werkelijkheid noemt Nietzsche een perspectief. Zijn wij, als er geen manier is om de claims tussen verschillende, onverenigbare perspectieven te beslechten, niet overgeleverd aan alomvattend relativisme? Volgens Nietzsche hangt de waarde van een perspectief inderdaad af van onze persoonlijke waarden, wensen en doelen. Relatief aan een bepaald doel kan het ene perspectief beter dan het andere worden genoemd. Gestelde doelen zijn echter uiteenlopend en (vaak) niet te vergelijken volgens hetzelfde criterium, ze zijn incommensurabel (niet langs dezelfde meetlat te leggen). In andere woorden: het lijkt niet mogelijk om rationeel te debatteren over de meerwaarde van een bepaald perspectief. Over smaak valt immers niet te twisten. Het is dan hoogstens mogelijk om 'interne redenen' te geven, dat wil zeggen: redenen relatief aan een bepaald (arbitrair) perspectief.

Nietzsches perspectief roept associaties op met het paradigma van Thomas Kuhn. In zijn revolutionaire The Structure of Scientific Revolutions beschrijft hij de opeenvolging van wetenschappelijke zienswijzen (paradigma's) als een sociaal, niet-rationeel proces. Elk paradigma kent haar eigen theorieën, methodes en standaarden en heeft een andere opvatting van de juiste wetenschappelijke problemen en mogelijke oplossingen. Vanwege de uiteenlopende wetenschappelijke waarden is er geen zinnig debat tussen verschillende paradigma's mogelijk: zij zijn volgens eigen criteria ongetwijfeld superieur. Binnen een paradigma worden entiteiten en processen geponeerd en vervolgens is men bezig de theorieën aan te passen aan de hand van afwijkende observaties, zonder het kader zelf ter discussie te stellen. Kuhn vergelijkt dit met het oplossen van puzzels, waarbij de regels voor lief worden genomen en de puzzelaar bezig is om binnen de gegeven grenzen oplossingen te vinden. Reguliere wetenschapsbeoefening is "an attempt to force nature into the preformed and relatively inflexible box that the paradigma supplies." Een wetenschappelijke revolutie is een plotselinge, niet-rationele verandering waarbij de oude overtuigingen rigoureus overboord gaan en worden vervangen door een nieuwe set van methodologische waarden en ontologische veronderstellingen. Het is een verandering van de opvatting van hetgeen überhaupt als wetenschappelijk probleem telt; een verandering van de wetenschappelijke meetlat. Het nieuwe paradigma is incommensurabel met het oude: "judgments about scientific rationality and progress can only be made relative to paradigms".

We moeten dus erkennen dat er verschillende paradigma's (mogelijk) zijn en dat zij niet te verzoenen zijn door een beroep te doen op een absoluut principe. Toch is Kuhn geen strikte relativist. Er zijn bestaan 'inter-paradigmatische' waarden: wetenschappelijke waarden die door de paradigma's heen snijden en worden gedeeld. Voor zover er overlap is tussen deze waarden is er ruimte voor rationeel debat en intersubjectieve overeenkomst. En ook in Andersons lezing van Nietzsche "overarching values are shared across incompatible perspectives, and this enables us to evaluate their relative merits." Er valt te denken aan wetenschappelijke waarden als logische consistentie, genoemde empirische adequatie en weerlegbaarheid (of in de woorden van Bas Haring: een uitspraak moet logischerwijs als een leugen ontmaskerd kunnen worden). Dit bestaat erin dat een theorie contingente voorspellingen doet, dus niet voorspelt dat het 'morgen wel of niet regent'. Overige, veelgenoemde waarden zijn maximale eenvoud en reikwijdte, dus met zo min mogelijk assumpties zoveel mogelijk verschijnselen verklaren. Niet alle waarden spreken voor zich. Over de invulling en het relatieve belang kan worden gedebatteerd, bijvoorbeeld in het licht van waarden waarover wel consensus bestaat. Hoe meer overeenstemming er wordt gevonden, des te meer onze kijk op de wereld onafhankelijk van één bepaald perspectief is. We moeten de pluraliteit aan perspectieven erkennen en op zoek naar overlapping consensus of zoals Nietzsche het stelt, "make the variety of perspectives and affective interpretations useful in the service of knowledge". Wetenschappelijke objectiviteit bestaat juist in het intersubjectieve debat.

Information overload

Een veelheid aan informatie, of een information overload, komt de wetenschappelijke objectiviteit ten goede. Let a hundred flowers blossom! Het project van kennisvergaring wordt door vele handen gedragen en zolang wij met elkaar in kritisch debat blijven en blijven onderhandelen over de omarmde waarden, zal de subjectieve vertekening voor zover mogelijk worden uitgevlakt. Joris Luyendijk probeerde tijdens zijn debat met Rob Wijnberg al een beroep te doen op zo'n intersubjectieve standaard: de mensenrechten. Je kunt deze toch niet met droge ogen van tafel vegen omdat ze 'ook maar arbitrair zijn', het gaat juist om een breed gedragen waarde. En dan is het onder meer in de journalistiek zaak om zo min mogelijk te pogen zelf te bepalen wat de objectieve kijk is, maar om juist vele kanten van de zaak te belichten. Zoals Luyendijk schrijft in de proloog van zijn boek Het zijn net mensen: "Ik bleek als correspondent verschillende verhalen te kunnen vertellen over dezelfde situatie." En juist deze inzet, het verzamelen van perspectieven (die Wijnberg wat minachtend de `wikipediasering' van de journalistiek noemt), draagt bij aan een enumeratie van zienswijzen en biedt op die manier aanleiding om te reflecteren op onze waarden. De fotojournalist Geert van Kesteren deed een poging door in zijn fotoboek Bagdad Calling een veelheid aan kiekjes uit de mobiele telefoons van Iraakse burgers op te nemen. Een minpunt is dat hij het probeerde te onttrekken aan kritisch debat door er zelf al een oordeel mee te uit te dragen. (Het boek is bedoeld als aanklacht tegen de coalitie van westerse landen die Irak binnen vielen, "een oproep aan die landen om hun verantwoordelijkheid te nemen en de Irakezen een beter lot te verschaffen.") Hij bracht dus geen rivaliserende perspectieven samen, maar gaf hoe dan ook (eenzijdige) input aan het debat. Ook wetenschappelijke kennis kan de uitkomst zijn van een onderhandeling tussen verschillende opvattingen, uiteenlopende points of view. Door het erkennen en gebruiken van geijkte paden om elkaar te bekritiseren, het openstaan voor commentaar, het zoeken naar gedeelde waarden en het respecteren van elkanders intellectuele autoriteit (er is immers geen manier om te bepalen in hoeverre een bepaald perspectief de neutrale werkelijkheid beter benadert), blijven wij in rationele discussie en geven wij zelf vorm aan ons intersubjectieve begrip van de wereld. In zoverre brengt Plato's dialoog ons uiteindelijk toch tot een zon. Deze is echter niet absoluut, neutraal, of ongeïnterpreteerd, maar juist het product van een gezamenlijke activiteit. Of om met wetenschapsfilosofe Helen Longino te besluiten: er is dan wel geen view from nowhere, maar maximale objectiviteit wordt bereikt vanuit een view from everywhere.

Literatuur

  • Anderson, R. "Truth and Objectivity in Perspectivism" in Synthese 115, 1998, p 1-32.
  • Anderson, R. "Nietzsche on Truth, Illusion, and Redemption" in European Journal of Philosophy 13:2, 2005, p 185-225.
  • Carnap, R. "Empiricism, Semantics, and Ontology" in Revue Internationale de Philosophie 4, 1950, p 20-40.
  • Fraassen, B. van. "Arguments Concerning Scientific Realism" in M. Curd en J. Cover Philosophy of Science: The Central Issues (New York: W.W. Norton, 1998) p 1064-1087.
  • Kuhn, T., Ernan McMullin, Helen Longino e.a. "Rationality, Objectivity and Values in Science" in M. Curd en J. Cover Philosophy of Science: The Central Issues (New York: W.W. Norton, 1998) p 83-254.
  • Laudan, L. "A Confutation of Convergent Realism" in Philosophy of Science 48:1, 1981, p 19-49.
  • Longino, H. "Multiplying Subjects and the Diffusion of Power" in The Journal of Philosophy 88:11, 1991, p 666-674.
  • Luyendijk, J. Het zijn net mensen: Beelden uit het Midden-Oosten (Amsterdam: Podium, Achttiende druk 2007, 12006).
  • Meynell, H. "Science, the Truth, and Thomas Kuhn" in Mind 84:333, 1975, p 79-93.
  • Musgrave, A. "The `Miracle Argument' For Scientific Realism" in The Rutherford Journal 2, 2006-2007.
  • Nagel, T. "Subjective and Objective" in Mortal Questions (New York: Cambridge UP, 1979) p 196-213.
  • Oudemans, W. Echte Filosofie (Amsterdam: Bert Bakker, 2007).
  • Putnam, H. "Three Kinds of Scientific Realism" in The Philosophical Quarterly 32:128, 1982, p 195-200.
  • Rawls, J. "The Idea of an Overlapping Consensus" in Freeman (ed.) Collected Papers (Cambridge: Havard UP, 2001) p 421-448.
  • Rorty, R. "Putnam and the Relativist Menace" in The Journal of Philosophy 90:9, 1993, p 443-461.
  • Rorty, R. "Representation, Social Practise and Truth" in Philosophical Studies 54, 1988, p 215-228.
  • Wijnberg, R. Nietzsche en Kant lezen de krant: Denkers van vroeger over dilemma's van nu (Amsterdam: De Bezige Bij, 2009).

Abram Hertroys is winnaar van de Wetfil Award van de cursus van 2009. Het thema was toen `Information Overload'.



 Voorbeeldessay 2

Maak iets van je leven!
Door Franca Treur
30 november 2006
(Let op: dit essay is niet geschreven voor deze cursus, en voldoet daarom niet aan alle eisen die aan het einddocument gesteld worden. Dit essay heeft bijvoorbeeld geen bronnenlijst, en geen wetenschapsfilosofische insteek.)

Maak iets van je leven!

Er is niemand die iets van me wil. Niemand die erop staat dat ik bovengemiddeld presteer. Ik leef in een democratie waarin ik door niemand wordt onderdrukt. God noch meester verbiedt mij mijn leven te verkloten. Toch voel ik een alleen maar toenemende druk om iets briljants voor elkaar te krijgen, een bijdrage aan de wereld te leveren, een perfecte relatie te hebben, niet te mislukken. Wie of wat heeft dan zo'n macht over mij dat ik me zo opgejaagd voel?

Volgens de Franse filosoof Michel Foucault (1926-1984) hoeft macht niet van bovenaf te komen. Macht circuleert, wordt zowel uitgeoefend als ondergaan door dezelfde individuen. Macht is een anoniem systeem dat iedereen via een netwerk doortrekt, ongevraagd en vaak ook onbewust. Hij maakt dit duidelijk in Surveiller et punir: Naissance de la prison uit 1975. Hierin presenteert hij zijn machtsopvatting door in te gaan op het ontstaan van de moderne gevangenis.

In de Middeleeuwen, schrijft Foucault, werd een misdaad meestal met een lijfstraf bestraft. De persoon van de misdadiger speelde geen rol. In de moderne gevangenis wel: de misdadiger staat onder het toeziend oog van een leger bewakers en therapeuten. Hij wordt door toezicht en therapie gedisciplineerd totdat er een 'genormaliseerd' individu ontstaat.

De perfecte gevangenis is volgens Foucault het Panopticon, aan het eind van de achttiende eeuw uitgevonden door de Engelsman Jeremy Bentham. Het is een koepelgevangenis waarin de cellen in een cirkel zijn gebouwd met op de binnenplaats een centrale toren voor de bewaker. De bewaker blijft onzichtbaar, zodat de gevangene niet weet wanneer hij wordt geobserveerd en wanneer niet. Het gevoel op elk tijdstip bekeken te kunnen worden, beïnvloedt het gedrag van degene in de cel. De gevangene wordt verantwoordelijk voor zijn gedrag en raakt automatisch gedisciplineerd. Hij wordt zijn eigen bewaker.

Voor Foucault staat dit Panopticon model voor de moderne maatschappij, waarin de burger zich voortdurend door zijn omgeving bekeken weet en zich daarom automatisch aanpast aan wat normaal is. Onbewust houden we elkaar normen voor. Zo vermijden we oogcontact met de onbekende tegenover ons in de trein of wachtkamer.

Het panoptisch systeem creëert individuen die voor zichzelf verantwoordelijk zijn. Ook voor hun eigen succes. Er is sprake van een positieve macht die niet verbiedt, maar het individu aanzet tot zelfreflectie. Kan ik mezelf nog verbeteren? Het is een productieve macht. Een macht die tegen je zegt: je bent vrij. Probeer op het spoor te komen wie je bent, maak je identiteit waar. Of zoals we in Viva kunnen lezen: "wees jezelf".

Enerzijds zijn we dus vrij en zelf verantwoordelijk voor de keuzes die we maken, de dingen die we doen, het succes dat we bereiken. Er is niemand die ons met geweld iets oplegt of ons beperkt in onze keuzemogelijkheden. Maar anderzijds is er het gevoel dat je het nu voor elkaar moet krijgen: een baan waarin al je kwaliteiten tot zijn recht komen, regelmatig een weekend naar Berlijn of Kopenhagen met een hechte vriendengroep en een partner met wie je alles kunt bespreken.

Die druk zorgt voor veel stress bij met name hoogopgeleide jongeren tussen de 20 en de 35 jaar. Ze worden panisch van alle mogelijkheden en kansen en het gevoel op allerlei terreinen iets te moeten presteren. Ze komen terecht in wat wel de quarterlife-crisis wordt genoemd. Deze dip kenmerkt zich door onzekerheid, somberheid, keuzestress, zingevingsvragen, gevoelens van onrust over de eigen carrière, angst om kansen te missen en spanningsklachten. Het resultaat: besluiteloosheid op alle terreinen.

En dat in een tijd waarin ze meer keuzes moeten maken dan ooit. "Now they're getting fucked from all sides", zegt een personage uit de Amerikaanse bestseller Indecision van Benjamin Kunkel. "They can't look at a menu, can't even enter a supermarket. These are like people who want to move to communist Romania". De roman is een internationaal succes. Blijkbaar herkennen veel lezers zich in de 28-jarige hoofdpersoon, die heil ziet in een medicijn tegen besluiteloosheid. Waarom heeft juist mijn generatie dit probleem?

Psychologen en sociologen geven verschillende verklaringen voor het leed van de generatie geboren tussen grofweg 1970 en 1985. We zouden belangrijke keuzes moeten maken in een hectische tijd, in een instabiele wereld. Daarnaast zijn we zo welvarend dat onze basisbehoeften zoals veiligheid, voedsel, onderdak, en sociale contacten zijn vervuld. We zijn toe aan het topje van de piramide van Maslow: zelfverwerkelijking.

We willen niet alleen een goed betaalde, maar ook een uitdagende baan, die past bij onze persoonlijkheid. We moeten er onze idealen in kwijt kunnen, we moeten doorgroeimogelijkheden hebben en de collega's moeten inspirerend zijn. Kortom, we hebben een totaal onrealistisch eisenpakket.

Bovendien moeten we zelf uitvinden op welke manier we precies ons leven willen invullen. Traditionele kaders als religie hebben we achter ons gelaten. Zelfs identiteit is nu een persoonlijke keuze. De vrijheid om alles te kunnen kiezen, vinden we heel belangrijk, maar tegelijkertijd is het een enorme valkuil. Daarin verschilt de quarterlife-crisis van de midlife-crisis: vijftigers hebben juist behoefte om te breken met het te vertrouwde en daardoor beklemmende kader. Wij hebben stiekem behoefte aan zo'n keurslijf. Toch houden we alle opties open en kiezen niet. Dat zorgt voor onzekerheid over de toekomst.

Allemaal waar. Maar er speelt volgens mij nog meer. Terugkomend op Foucault, denk ik dat met name onze sociale omgeving ons die druk bezorgt. Want wie vertelt ons dat we zoveel eisen moeten stellen aan onze carrière en wie zegt dat we onszelf moeten verwezenlijken?

Dat wordt ons onder andere voorgehouden door universiteiten en hogescholen, door de media en door bedrijven. Universiteiten roepen unaniem dat ze alleen de besten willen selecteren. Je moet je tijdens je studie onderscheiden, door bijvoorbeeld een jaartje in het buitenland te studeren. Alleen een universitaire opleiding volstaat niet meer, want iedereen studeert. We kijken niet op van personeelsadvertenties waarin je alleen wordt uitgenodigd wanneer je geen 'van negen tot vijf'-type bent. Omdat we gewend zijn veel van onszelf te eisen, twijfelen we er voortdurend aan of wat we hebben bereikt goed genoeg is. Komen er geen betere kansen? 'Go go go!' is de slogan van carrièresite Monsterboard. Er is altijd wel ergens een betere baan.

Maar minstens even opjagend als de media en het bedrijfsleven zijn de eigen vrienden en kennissen. Op elk feestje zijn we onze carrières aan het vergelijken met die van leeftijds- en studiegenoten. We zien succesvolle mensen van onze leeftijd op tv en in de krant. Tot mijn verrassing bleek ik drie van de op dit moment veelbelovende jonge talenten uit het septembernummer van Rails te kennen. Mensen als ik, die wél in de schijnwerpers staan.

De angst om te mislukken, doet me twijfelen op welk paard te wedden. Ik wil niks uitsluiten. Zo breng ik mijn dagen door met surfen op vacaturesites, op zoek naar die ene baan die alles heeft. Ik weet niet meer wat ik met mezelf aanmoet. Voor de twintigste keer vandaag check ik mijn mail. Heeft iemand misschien een aantrekkelijk aanbod? Dan hoef ik zelf niet te kiezen.

Toegegeven, er zijn ook briljante mensen die zich niet gek laten maken. Mensen met drie titels die toch postbode worden, omdat ze dan de middag vrij hebben voor het lezen van boeken. Uitzonderingen. Ik heb het alleen van horen zeggen.

Waarom willen we niet achterblijven? Voor wie willen we per se niet mislukken? Wiens hete adem voelen we in onze nek? Volgens Foucault is de bewaker in het Panopticon uiteindelijk overbodig. Het idee dat hij bekeken wordt, is voor de gevangene genoeg om zich te disciplineren.

Is er eigenlijk wel iemand die onze carrière bewaakt? Of zijn we bezig tegemoet te komen aan verwachtingen, die niet eens bestaan? Misschien is het, net als voor Foucaults gevangene, wel het beste om het niet te weten. Als we zeker weten dat niemand ons in de gaten houdt, als er geen macht zou zijn die ons activeerde, zouden we waarschijnlijk alleen nog voor de tv zitten. Prestatiedrang heeft immers alles te maken met ijdelheid.

We hebben een bewaker nodig om iemand te zijn. Een hete adem hoeven we echter niet te voelen. Want natuurlijk is de bewaker vooral verdiept in zijn eigen krantje.

Franca Treur is winnaar van de essaywedstrijd over 'Macht en Onmacht' van NRC Next en Contrast.