Wie is wie?

Derrida
Feyerabend
Van Fraassen
Frankfurter Schule
Franse Filosofen
Foucault
Haack
Kuhn
Lacan
Lakatos
Nietzsche
Popper
Postmodernen
Rorty
Wiener Kreis
Wittgenstein

Externe links

 

Jacques Lacan (1901 - 1981)

Lacan wordt met Foucault, Derrida en Lyotard gerekend tot de belangrijkste representanten van de stroming in de Franse filosofie die de antisubjectfilosofie genoemd wordt. Deze filosofie is een reactie op het traditionele eenheidsdenken, ook wel identiteitsfilosofie genoemd. Genoemde filosofen zijn vooral tijdgenoten. Zij vormen geen actieve groep. De antisubjectfilosofie verwerpt het idee dat de individuele mens als grondslag kan dienen voor het filosofisch denken. Dat de mens de waarheid in pacht zou hebben of via de wetenschap zou kunnen krijgen, vinden zij een grenzeloze overschatting van de kwaliteiten die toegeschreven worden aan het feit dat mensen kunnen denken. Kortom, het idee van de mens als subject van de geschiedenis vormt een misvatting. De taal is in het werk van deze filosofen een belangrijk aanknopingspunt. De mens die er prat op gaat dat hij spreekt, is in feite horig aan de orde die de taal sticht. De verschillen tussen deze filosofen spitsen zich vervolgens vooral toe op een viertal aspecten: het samenvallen van de taal en het vertoog (Foucault), de plaats die het individuele spreken kent ten opzichte van de taal (Lacan), het verschil tussen spreken en schrijven (Derrida) en de kwestie van de pragmatiek van de verhalende kennis en de zelflegitimatie van de wetenschappelijke kennis (Lyotard).

In de groep Franse denkers is de psychoanalyticus Jacques Lacan in zekere zin nog het minst radicaal in zijn subjectkritiek. Weliswaar verwerpt ook hij het idee van het individu als uitgangspunt of grondslag van het filosofisch denken, maar hij onderkent wel een centraal beginsel: de taal. De mens is geen oorspronkelijk subject, maar wordt in en door de taal gevormd. De taal bevat de menselijke code. Kenmerk van het wezen is dat het spreekt: «a parle! Niet het menselijk subject maar de taal vormt het ordenend principe in het denken. Gaat Lacan minder ver dan bijvoorbeeld Foucault in zijn afwijzing van het subject, zijn standpunt is wel zeer radicaal te noemen als men let op het debat waarvoor het geformuleerd wordt. Dit debat vindt plaats in de wereld van de psychoanalyse. Lacan verzet zich sterk tegen wat hij noemt het afglijden van de theorie van de psychoanalyse naar een rationeel humanistisch model waarin het individu zijn oorsponkelijke driften de baas zou kunnen worden en in staat zou zijn zichzelf uiteindelijk te bevrijden in zelfactualisatie. Dit model dat met name in Amerika ontwikkeld wordt, is een ontmanteling van het model van Freud waarin juist de irrationaliteit der driften (het 'Es') gedurende de gehele levensloop blijft opspelen. Freud plaatst het 'ik' in een benarde positie tussen Es en Über-Ich. De Amerikaanse egopsychologie maakt van het 'ik' een moderne, zichzelf aansturende cognitieve instantie. Dit is Lacan een gruwel. Zijn antwoord is de ontsubjectivering. Hij radicaliseert het model van Freud en brengt het buiten het bereik van allerlei analoge interpretaties. Hij stelt dat het ontstaan van het 'ik' samenvalt met de toegang tot de taal. Het is de taal waaraan het sprekend subject zijn identiteit ontleent en waaraan het tegelijk ondergeschikt is.

Lacan legt de menselijke situatie uit aan de hand van het verschil tussen behoefte, vraag en verlangen. De redenering van Lacan is even eenvoudig als revolutionair (Lacan 1966). De behoefte is reŽel, maar haar object (de vervulling van de behoefte) is bemiddeld. Er is geen menselijke behoefte mogelijk die - om vervuld te worden - zonder een andere mens kan. Daarom formeert de behoefte een vraag aan een andere mens. In deze vraag verschijnt de behoefte opnieuw. Echter niet als zichzelf maar bemiddeld in de taal. Dat is de reden waarom wij moeten leren spreken en waarom de taal boven ons moet staan. Boven ons wil zeggen dat de taal symbolisch moet zijn: de taal moet de kwaliteit hebben iets (de behoefte) naar een ander niveau (vraag) te tillen. Daarmee komt een systeem op gang dat niemand bezit en dat juist daardoor vrij, voor iedereen bruikbaar is. In principe leert de mens al vroeg (als kind) de taal te hanteren. Het kunnen hanteren van de taal verschaft het kind zijn 'andere-ik'. Het kind krijgt een naam en daarmee zijn 'buitenkant' toebedeeld. 'Ik' (1e persoon, de binnenkant) ben tegelijk ook 'zij/hij' (3e persoon, de buitenkant). De 1e persoon en 3e persoon zijn dezelfden maar toch ook niet: daar zit het spreken (de taal) tussen.

Om deze reden noemt Lacan het spreken een vorm van vervreemding, maar het is nu juist deze vervreemding die recht doet aan het oorspronkelijke model van Freud. De taal vormt de scheiding tussen de 1e en 3e persoon. Om te spreken is het 'ik' gespleten. De taal vormt zowel de scheiding binnen het subject als de verbinding tussen subjecten onderling. Zo voorkomt de taal de zelflegitimatie van het subject (waar het humanisme toe neigt). Lacan situeert hier het derde element: het verlangen. De scheiding die het spreken 'betekent', vormt het verlangen naar volledig begrip. Het betreft het verlangen naar de situatie waarin de taal opgeheven zou zijn en de behoefte met zichzelf en ieder ander zou samenvallen. Maar zo werkt het niet. In het feit dat de mens spreekt, wordt steeds opnieuw het verlangen geboren. Het verlangen is een eeuwig verglijdend verlangen. Het spreekt.


Literatuur en links:

Costa, D. de. Sprekende stiltes. Kampen, Kok/Agora, 1989.
Kooistra, J. Denken is bedacht. Culemborg, Giordano Bruno, 1988.
Lacan, J. Ecrits. Paris, Editions du Seuil, 1966.
Mooij, A. Taal en Verlangen. Meppel, Boom, 1975.
Klukhuhn, A. De geschiedenis van het denken. Prometheus, 2005 pp. 408
http://nl.wikipedia.org/wiki/Jacques_Lacan