Het hypothetisch-deductieve model

De belangrijkste theorie van de wetenschap is het zogehete hypothetisch-deductieve model. De vanzelfsprekendheid van dit model is een indicatie van haar enorme invloed. Het hypothetisch-deductieve model deelt het wetenschappelijke proces op in verschillende stappen. Wetenschappelijk onderzoek begint met een vermoeden of hypothese over een bepaald aspect van de natuur. Of deze hypothese voortkomt uit ervaring of inspiratie is voor de wetenschappelijke objectiviteit niet van belang. Deze subjectieve achtergrond van een hypothese is de zogenaamde context of discovery.

De objectieve rechtvaardiging van een hypothese gaat als volgt in zijn werk. Allereerst moet een empirisch meetbare consequentie van de hypothese worden gededuceerd. Hier heeft het model haar naam aan te danken. Wordt dit gevolg inderdaad gemeten, dan is de hypothese bevestigd. Deze bevestiging noemt men vaak confirmatie. Wordt het gevolg niet gemeten, dan is de hypothese ontkracht. De logische en empirische rechtvaardiging van een hypothese staat beter bekend als de context of justification. Dit onderscheid tussen de context of discovery en de context of justification waarborgt de wetenschappelijke objectiviteit.

Het hypothetisch-deductieve model kent een aantal problemen, waaronder de volgende drie. Op de eerste plaats is de strikte scheiding tussen de context of justification en de context of discovery vanuit wetenschapsfilosofische en -historische hoek geproblematiseerd. Volledig onbevangen observaties bestaan niet. De tekening waarin je zowel een oude als een jonge vrouw kan zien is hier een illustratie van. De waarneming is zelf theoretisch geladen. Men zegt ook wel dat de theoretische taal en de empirische taal niet te scheiden zijn. De uitkomst van de empirische test is dus niet volledig onafhankelijk van de hypothesen die getoetst wordt.

Op de tweede plaats geeft het hypothetisch-deductieve model niet aan hoe je met theorieën om moet gaan die statistische voorspellingen doen. Volgens het model moet namelijk een noodzakelijke empirische consequentie van de theorie worden afgeleid. Maar bij statistische theorieën kan dat niet. Deze doen uitspraken over de waarschijnlijkheid waarmee een bepaald verschijnsel zich voordoet. In dat geval kan een enkele meting nooit voldoende zijn om een theorie te bevestigen of ontkrachten.

Op de derde plaats helpt het hypothetisch-deductieve model je niet bij de keuze tussen twee verschillende theorieën die dezelfde empirische voorspellingen doen. Volgens het hypothetisch-deductieve model wordt een theorie bevestigd of ontkracht. Een tussenweg bestaat niet. Toch zijn er voor elk verschijnsel zeer veel, zij het ad hoc theorieën te bedenken waarvan het verschijnsel een noodzakelijk gevolg is. Het hypothetisch-deductieve model geeft niet aan waarom ad hoc theorieën niet en 'echte' theorieën wel bevestigd worden door het verschijnsel.

Of deze kritiekpunten voldoende zijn om het hypothetisch-deductieve model te verwerpen, of dat ze juist aangeven hoe het model verbeterd kan worden, blijft een punt van discussie.