Hoe en/of waarom

Wetenschapsfilosofen laten zich grofweg in twee kampen verdelen. Realisten geloven dat wetenschappelijke theorieën en verklaringen iets zeggen over de realiteit; instrumentalisten zijn van mening dat deze niet meer dan handige instrumenten zijn om de wereld op een eenvoudige en economische manier te beschrijven. Over het algemeen zullen instrumentalisten meer nadruk leggen op het 'hoe' van een bepaald verschijnsel en realisten meer nadruk op het 'waarom'. De claims van de instrumentalisten zijn over het algemeen meer bescheiden. Het komt dan ook vaak voor dat revolutionaire nieuwe theorieën in eerste instantie voorzichtig gebracht- en instrumentalistisch geïnterpreteerd worden. Om zich in te dekken tegen kritiek uit filosofische hoek, beweerden Galileo en Newton bijvoorbeeld geregeld dat het hen uitsluitend om de beschrijving van de fenomenen te doen was. Naarmate hun theorieën algemeen geaccepteerd werden, werden ze ook vaker realistisch geïnterpreteerd. Zo gezien is realisme ook een indicatie van de wetenschappelijke conventies van een bepaalde tijd.

Net als de realisten maken ook instrumentalisten gebruik van wetenschappelijke verklaringen. Ook zij spreken over atomen, velden en krachten. Maar zij zien hier niet meer in dan heuristische conceptuele hulpmiddelen. Ze zullen alleen niet beweren dat ze daadwerkelijk bestaan. Voor de wetenschappelijke praktijk lijkt het dus weinig uit te maken of je realist of instrumentalist bent. Er lijkt op het eerste gezicht geen duidelijk empirisch verschil tussen realisten en instrumentalisten omdat beiden empirische adequaatheid nastreven en dezelfde theorie├źn gebruiken. Het realisme lijkt filosofisch gesproken moeilijker te verdedigen omdat het naast allerlei empirische uitspraken, zich ook uitspreekt over de onderliggende werkelijkheid (atomen e.d.).

Maar deze zwakte blijkt juist een sterk punt. Want de aanname van bepaalde, nog nooit waargenomen objecten kan tot spectaculaire ontdekkingen leiden. Dit kan geïllustreerd worden met behulp van de ontdekking van de planeet Neptunus, in de negentiende eeuw. Het was bekend dat de planeet Uranus een merkwaardige baan volgde. Wetenschappers berekenden, uitgaande van de wetten van Newton, dat er nog een naburige planeet moest zijn. Voor instrumentalisten zou deze planeet niet meer dan een theoretisch construct zijn om de baan van Uranus te verklaren. Maar de planeet Neptunus, waarvan het bestaan al was voorspeld, werd kort daarna ontdekt. (Een soortgelijk verhaal is te vertellen voor het bestaan van bacteriën.)

Het instrumentalisme is geijkt op de beschrijving van fenomenen die we al kennen. Vanuit een instrumentalistische positie zijn voorspellingen en ontdekkingen minder goed te begrijpen. Realisten menen dan ook dat instrumentalisten deze successen niet kunnen verklaren. Let wel: het begrip verklaren wordt hier op een meta-niveau gebruikt. Het gaat niet om de wetenschappelijke verklaring van een bepaald natuurlijk verschijnsel, maar het gaat om de filosofische verklaring van het succes van de wetenschap. Realisten verklaren het succes grofweg als volgt: omdat wetenschappelijke verklaringen iets zeggen over de werkelijkheid zijn ze zo succesvol. Vanuit een andere filosofische positie is het succes van de wetenschap een onverklaarbaar wonder. Deze redenering staat bekend als het no-miracle argument.