Wie is wie?

Derrida
Feyerabend
Van Fraassen
Frankfurter Schule
Franse Filosofen
Foucault
Haack
Kuhn
Lacan
Lakatos
Nietzsche
Popper
Postmodernen
Rorty
Wiener Kreis
Wittgenstein

Links en meer informatie

 

Jacques Derrida (1930 - 2004)

paul Derrida wordt met Foucault, Lacan en Lyotard gerekend tot de belangrijkste representanten van de stroming in de Franse filosofie die de antisubjectfilosofie genoemd wordt. Deze filosofie is een reactie op het traditionele eenheidsdenken, ook wel identiteitsfilosofie genoemd. Genoemde filosofen zijn vooral tijdgenoten. Zij vormen geen actieve groep. De antisubjectfilosofie verwerpt het idee dat de individuele mens als grondslag kan dienen voor het filosofisch denken. Dat de mens de waarheid in pacht zou hebben of via de wetenschap zou kunnen krijgen, vinden zij een grenzeloze overschatting van de kwaliteiten die toegeschreven worden aan het feit dat mensen kunnen denken. Kortom, het idee van de mens als subject van de geschiedenis vormt een misvatting. De taal is in het werk van deze filosofen een belangrijk aanknopingspunt. De mens die er prat op gaat dat hij spreekt, is in feite horig aan de orde die de taal sticht. De verschillen tussen deze filosofen spitsen zich vervolgens vooral toe op een viertal aspecten: het samenvallen van de taal en het vertoog (Foucault), de plaats die het individuele spreken kent ten opzichte van de taal (Lacan), het verschil tussen spreken en schrijven (Derrida) en de kwestie van de pragmatiek van de verhalende kennis en de zelflegitimatie van de wetenschappelijke kennis (Lyotard).

Derrida neemt de tekenleer van Ferdinand de Saussure als uitgangspunt. Deze tekenleer die dateert van het begin van de twintigste eeuw (De Saussure, 1916), vormt een bron van inspiratie voor de Franse filosofen. Overigens voornamelijk als iets om zich tegen af te zetten. Zo ook Derrida. De Saussure geeft de aanzet tot de structuralistische taaltheorie waarin hij de positie analyseert die het spreken van de 'enkeling' heeft (la parole) tot het taalsysteem (la langue). De Saussure komt daarbij tot het idee van het primaat van het taalsysteem ten opzichte van het individuele spreken. Het taalsysteem is onafhankelijk van het individu dat dit systeem evenmin scheppen als wijzigen kan. Het individu spreekt 'in termen van het taalsysteem'. Het taalteken dat is opgebouwd uit een klank en een betekenis kent deze structuur. Klank (signifiant) en betekenis (signifié) vormen de twee kanten van het taalteken. Zij zijn binnen een cultuur arbitrair aan elkaar verbonden, wat wil zeggen dat de keuze van een signifiant niet bepaald wordt door de signifié. Er is geen natuurlijke maar een conventionele relatie tussen beide. Binnen een cultuur wordt de taal gevormd door een systeem van klanken (tekens) waaraan betekenissen zijn toegekend. Het individu leert dit systeem te hanteren waarbij het teken weliswaar arbitrair is als teken in een systeem, maar daarmee niet als creatie van de individuele spreker geldt. De individuele spreker blijft voor de communicatie met de ander aangewezen op correct gebruik van de tekens. De 'gek' trekt zich niets aan van deze conventie waardoor hij onbegrijpelijk (en dus gek) is. Ook zijn er de 'schriftgeleerden' die even onwijs zijn. Zij proberen immers het totale taalsysteem te bepalen en zich op die wijze de macht over het spreken van de enkeling te verwerven. Tot zover zeer kort De Saussure. Zijn analyse heeft veel losgemaakt en de invloed ervan is terug te vinden bij alle antisubjectfilosofen.

Derrida draait de taalconstructie van De Saussure om. Hij stelt dat elke manier van denken en spreken de eigenschap van een tekst kent. Deze eigenschap is de afwezigheid van wat er niet gezegd (niet 'betekend') is. Ieder denken of spreken wordt gekenmerkt door een meervoudige afwezigheid. De tekst die bij De Saussure juist het 'positieve geheugen' vormt 'van wat er te zeggen valt', is bij Derrida de creatie die het uitzicht belemmert op 'wat er allemaal gezegd had kunnen zijn'. Teksten gaan een eigen leven leiden: spreken en denken hechten zich aan 'tekens-van-tekens-van-tekens-van-tekens enzovoort'. Derrida dringt er op aan te letten op wat er niet staat. Hij duidt zijn manier van werken als 'schrijven in de marge'. Zijn werk 'deconstrueert' de tekst (het denken en spreken). Naast de filosofische en theoretische reflecties kent met name het latere werk van Derrida allerlei voorbeelden van deze deconstructies. In feite 'ontdekt' Derrida opnieuw de kunst op het punt waar deze tracht de bestaande relaties tussen teken en betekenis te deconstrueren. Het latere 'kunstzinnige werk' van Derrida is dan ook beroemder dan de gedachtengang waarop het gebaseerd is. Vanaf de kant van de kunst bezien, vormt bijvoorbeeld het werk van René Magritte een goed voorbeeld van dezelfde gedachtengang. Magrittes beroemde schilderij: 'Ceci n'est pas une pipe' vertelt het verhaal vanaf de andere kant. Het teken: de combinatie van beeld en betekenis zoals mensen het hanteren, vormen een te manipuleren grootheid.


Literatuur en links

Costa, D. de. Sprekende stiltes. Kampen, Kok/Agora 1989.
Kooistra, J. Denken is bedacht. Culemborg, Giordano Bruno 1988.
Mooij, A. Taal en Verlangen. Meppel, Boom 1975.
Klukhuhn, A. De geschiedenis van het denken. Prometheus, 2005 pp. 51-52
nl.wikipedia.org/wiki/Derrida
www.hydra.umn.edu/derrida/