Om een ziektegen op te sporen vergelijken we het DNA van patiënten met de erfelijke aandoening zowel onderling als met het DNA van gezonde dieren van hetzelfde ras. Het is van het grootste belang dat de patiënten dezelfde ziekte hebben en dat de diagnose nauwkeurig vastgesteld wordt. Daarom zijn ook altijd specialisten van de Universiteitskliniek voor Gezelschapsdieren betrokken bij het onderzoek.

Voor monogene ziektebeelden - die door één enkele verandering in het DNA veroorzaakt worden - zijn minimaal zes patiënten nodig om de oorzaak op te sporen. Een belangrijk kenmerk van monogene ziektebeelden is dat deze vaak in nestgenoten waargenomen worden. Als de DNA-verandering bekend is stellen wij direct diagnostiek beschikbaar voor het opsporen van de dragers van de ziekte. Deze dieren hoeven niet uitgesloten worden van de fokkerij, mits ze niet gekruist worden met andere dragers.

Voor complexe ziektebeelden - die veroorzaakt worden door meerdere veranderingen in het DNA - zijn groepen van minimaal 50 patiënten vereist.

Wij zijn altijd bereid om bij verdenking van een erfelijke ziekte het DNA van patiënten op te slaan voor later onderzoek. Voorwaarde is dat het ziektebeeld van de patiënt beoordeeld is door een specialist van de Universiteitskliniek voor Gezelschapsdieren. U kunt daarvoor contact opnemen met het ECGG.