75 jaar Vrijheid - Jan Veldhuis

Een maand na mijn geboorte in oktober 1938 in Hengelo (O), verhuisden mijn ouders naar Hasselo, een agrarisch gehucht (“boerschop”) tussen de stad Hengelo en het dorp Deurningen, gemeente Weerselo. Mijn vader was tot hoofd der l.o.-school in Hasselo benoemd. Het bezit van de aktes l.o. land- en tuinbouw, alsmede (pluim)veeteelt, was zeker ook van invloed op deze benoeming.

Met mijn ouders, mijn 2 jaar jongere zus Ada en baby-broertje Eduard, was ik in de zomer van 1944, het 4e jaar van de Tweede Wereldoorlog,  op bezoek bij mijn oom Hendrik/Harrie Tijhuis, een oudere broer van mijn moeder, en zijn echtgenote Anna Gloudemans, een schoolvriendin van mijn moeder uit de gezamenlijke kostschooltijd op de kweekschool in Schijndel (NB). Het echtpaar woonde in Nijverdal, vlak naast de spoorbrug over de rivier de Regge, en had (nog) geen kinderen.

Als bijna 6-jarige ontsnapte ik al snel aan hun aandacht, en klauterde in het vrij grote huis naar de zolder op de 2e verdieping. Daar aangekomen hoorde ik geritsel, en ontwaarde in één van de hoeken twee volwassen mannen. Zij leken nogal te schrikken, en lieten met de wijsvinger op hun lippen een “sstt, sstt” horen. Ook ik was geschrokken en liep snel weer naar beneden om het gezelschap beneden deelgenoot van mijn bevinding te maken. Ik weet niet meer wat ik te horen kreeg en of mij iets uitgelegd werd, maar wel dat mij te verstaan gegeven werd dat ik “met niemand, helemaal niemand” hierover mocht praten. Voor zover ik weet, heb ik dit ook niet gedaan.

Zoals mij later duidelijk werd, ging het om twee Joodse medeburgers, de gebroeders Benno en Aaron Haas uit Almelo, die zich op die zolder verborgen hielden, met ook nog een Russin, die ik niet gezien heb. Ook bleek mij later dat in het huis ernaast op ongeveer 10 meter afstand, het woonhuis van mijn grootvader Tijhuis en zijn drie toen nog ongehuwde dochters, ook Joodse medeburgers verborgen werden gehouden: het echtpaar Harrie en To de Vries uit Amsterdam.

Mijn ouders waren van beide “verschuilingen” op de hoogte. Sterker, zij gaven een deel van de aan hen ter beschikking gestelde voedselbonnen aan hun Nijverdalse familieleden voor het levensonderhoud van de “onderduikers”. Ons gezin in Hasselo kon voor een belangrijk deel in natura van voedsel worden voorzien. Niet alleen door de producten uit de eigen groente- en fruittuin, maar ook door landbouwende en vee-telende buren en andere inwoners, die hun ‘meester’ – en tevens hun land- en tuinbouwonderwijzer – niet in de steek lieten. In het bijzonder de familie G.J. Oude Reimer vlak naast ons – met 5 kinderen in de leeftijd van 15-25 jaar – was gul. Èn behulpzaam: ze hadden al een “hongerkind” uit Enschede-Glanerbrug (gebombardeerd 10 oktober 1943, met 151 doden) in huis: Minie Leferink. Zij was mijn eerste vriendinnetje. En toen ons woonhuis in oktober 1944, vlak na het bombardement van Hengelo op 6 en 7 oktober 1944 (150 doden),  werd “gevorderd” door de Duitsers, kon ook ons gezin, toen met 3 kinderen, bij hen op de boerderij intrekken. Helaas overleed Minie al begin ’45 (strenge winter ’44-’45) aan difterie. Mijn jonge broertje Eduard van anderhalf jaar, ook besmet, werd naar het ziekenhuis in Almelo gebracht, in een paardenkoets. Hij genas gelukkig vrij snel, en kon toen weer naar “huis” (bij Oude Reimer) terugkeren. Oude Reimer had in het nabijgelegen eikenbos ook een ondergrondse schuilkelder gebouwd, waarin ook ons gezin welkom was als het luchtalarm weer afging, vanwege een dreiging van een bombardement op het enkele kilometers verder gelegen vliegveld “Twente”. Deze kelder was van binnen ruim met stro belegd, vooral op de zit- en ligplaatsen. Toen wij als spelende kinderen een keer een doosje met lucifers hadden bemachtigd, kon stiekem vuurtje stoken in die schuilkelder niet uitblijven: snel uitgebrand maar, na forse “uitbranders” van zowel de buurman als mijn ouders, weer even snel hersteld. Na ongeveer een half jaar konden mijn ouders met hun kinderen terug naar hun huis…na een grote schoonmaakbeurt, want de ongeveer zeven mannelijke Duitsers hadden er een enorme smeerboel van gemaakt.

De hoofdarchitect van dit laten onderduiken van Joodse medeburgers bij leden van onze familie Tijhuis was de oudste broer van mijn moeder, Albertus Tijhuis, hoofd der r.k. lagere school in Nijverdal, en tevens vooraanstaand bestuurder van onderwijsorganisaties in zijn eigen gemeente Hellendoorn, in de regio´s Twente en Salland, en in het aartsdiocees Utrecht. Hij koos voor het onderbrengen steeds voor huizen zonder kinderen, en daarom niet voor zijn eigen huis met 5 kinderen noch voor het huis van mijn ouders met 3 kinderen.

Albertus Tijhuis was een van de leidende figuren in het verzet in zijn woonplaats en in de vrij wijde omgeving ervan. Verzet dat niet alleen tot uitdrukking kwam in het zoeken en vinden van onderduikadressen voor Joodse medeburgers, èn voor Engelse piloten, die levend uit de neergeschoten vliegtuigen waren gekomen, maar zich ook uitte in andere verzetsactiviteiten, zoals overvallen op distributiekantoren (met voedselbonnen) en op wapendepots.

Albertus Tijhuis was dan ook een door de Duitsers intensief gezochte persoon. Hij had ongeveer 8 verschillende namen, inclusief de hierbij behorende persoonsbewijzen (“Ausweise”), en had over diverse plaatsen in Twente en Salland verspreide schuilplaatsen. Door bemiddeling van mijn vader dikwijls op/in de boerderij van zijn ouders in Enter, waar de derde zoon, onze oom Gerard, inmiddels de scepter zwaaide. Hier waren twee schuilplaatsen gemaakt: één onder de vloer van de keuken, en één in een “hutje”, gebouwd in één van de drie hooimijten. Diverse keren met succes gebruikt.  In die schuilhut kaartte hij vaak met jongere broers van mijn vader. Ze maakten nogal eens lawaai. Als er Duitsers kwamen, ging de vrouw van oom Gerard, tante Mien, op het erf met luide stem en rammelend met een bak vol voer de loslopende kippen roepen.

Het geluk was echter niet altijd met hem. Hij werd  tweemaal opgepakt en vastgezet. Eerst in het Huis van Bewaring in Zwolle, waaruit hij zich vrij snel wist vrij te praten. Daarna in de beruchte Koepel in Arnhem. Hieruit werd hij door zijn uit de Elzas afkomstige en (dus..) Duitssprekende echtgenote Marie Keck “losgepraat”.

Dramatisch was de dood van zijn, eerdergenoemde, broer Hendrik en van zijn echtgenote Anna op 7 oktober 1944 – ook de tweede dag van het bombardement van Hengelo (zie boven) –  door het geallieerde bombardement van de spoorbrug bij hun huis. Zij werden bedolven onder het neervallend puin. Hendrik was onmiddellijk dood, Anna overleed een dag later in het ziekenhuis in Almelo. De boven wonende Joden – de Russin was al vertrokken – zakten omlaag en waren slechts lichtgewond. Toegesnelde buren, die geen weet hadden gehad van deze onderduikers, waarschuwden hun huisarts, dokter Smit. Deze zag al snel dat het om Joden ging, en zwachtelde hen extra zwaar in om hun uiterlijk te verbergen voor de inmiddels ook aanwezige Duitsers, en liet hen vervoeren naar een ziekenhuis in Almelo. Toen ze vrij snel hersteld waren zorgde Albertus Tijhuis weer voor een veilig onderkomen in het nabij gelegen Hellendoorn.

Hetzelfde gebeurde ook met het Joodse echtpaar De Vries, ondergedoken in het huis van mijn grootvader. Dit huis werd ook ernstig beschadigd, maar er vielen geen gewonden. Mijn grootvader en zijn dochters vonden zelf tijdelijk onderdak bij bekenden, ook in Hellendoorn.

Het meest dramatisch voor mijn oom was het verlies van zijn oudste 16-jarige zoon Albert. Met enige regelmaat werd vader Albertus Tijhuis natuurlijk ook thuis gezocht. Zijn echtgenote heeft bij zijn afwezigheid diverse keren de loop van de revolver tegen haar slaap gedrukt gekregen om zijn verblijfplaats te vertellen, iets wat ze nooit deed, ook als ze – bij wijze van uitzondering – wél wist waar hij verbleef.  Om “gijzeling” van die oudste zoon  te voorkomen had hij deze reeds ondergebracht bij zijn collega hoofd der school in het nabijgelegen dorp Luttenberg.

Vanuit dit dorp werden ook V2’s op Antwerpen afgevuurd. Op 4 december 1944 mislukte een lancering: het projectiel viel sissend op de grond. Publiek stroomde toe, vooral jongeren. Er volgde een ontploffing: vele doden, vele zwaargewonden.  Onder de laatsten ook zoon Albert, levensgevaarlijk gewond.  Alle gewonden werden vervoerd naar een ziekenhuis in Almelo.

Al snel bleek dat Albert zou gaan overlijden. Zijn vader wilde hem bezoeken, maar de Duitsers stonden al bij de ingang van het ziekenhuis gereed om hem op te pakken. Via een speciale ingang en in een witte doktersjas kon hij nog afscheid nemen van zijn stervende zoon. Ook bij de begrafenis in Nijverdal stond de SD hem met twee auto’s op te wachten. Vanachter een venster op de tweede verdieping van een huis aan de overzijde van het kerkhof sloeg hij de begrafenis van zijn zoon gade.

Op 22 maart 1945 werd Nijverdal weer gebombardeerd, en nu vooral het centrum. Hierbij vielen 73 doden, onder wie August Leisink en zijn dochtertje Hannie, vader respectievelijk zusje van de latere echtgenoot van onze jongste zus Jeannette, Leo Leisink. Albertus Tijhuis en zijn gezin, woonachtig in dat centrum, werden gespaard. Het geluk was dit keer met hem en de zijnen.

Hij heeft uiteindelijk ook de oorlog overleefd,  en is voor zijn verzet op diverse manieren onderscheiden: de Eisenhower-oorkonde, door de staat Israël met Yad Vashem, en in het land Israël met de naamgeving van een woud. In Nijverdal zelf met een Meester Tijhuis-straat.

Met de genoemde Joodse medeburgers heeft mijn familie na de oorlog steeds vriendschappelijke relaties onderhouden. De familie De Vries is na enkele jaren naar Nieuw Zeeland geëmigreerd. Een bijzondere band bleef bestaan met Benno Haas, die Rootje Leverpoll, vrijgekomen met en uit de beruchte Tröbitz-trein, ‘The Lost Train´, huwde.


Jan Veldhuis