Een goede start in het leven

De Universiteit Utrecht en het UMC Utrecht hebben de afgelopen 385 jaar ontelbaar veel onderzoeken gedaan. We onderzoeken op dit moment bijvoorbeeld hoe we baby's met hersenschade zo goed mogelijk kunnen behandelen. Het doel? Samen onze wereld van morgen beter maken.

Ontwikkelingsproblemen bij baby’s

De hersenen van baby's die te vroeg geboren zijn of waarbij de geboorte met veel problemen verliep, kunnen zo beschadigd zijn dat ze zich minder goed ontwikkelen. Met als mogelijk gevolg ontwikkelingsachterstanden en -problemen als motorische problemen, ADHD, autisme en angst-, taal-, leer- en gedragsstoornissen.

Dankzij baanbrekende behandelstudies die in het Wilhelmina Kinderziekenhuis (onderdeel van het UMC Utrecht) lopen, hopen onderzoekers in Utrecht mogelijke hersenschade bij deze groep patiënten zo vroeg mogelijk te herkennen en te behandelen, om zo ontwikkelingsproblemen te voorkomen of de ernst ervan in te perken.

Van de kinderen die op de neonatale intensive care terechtkomen, weten we dat 30 tot 40 procent te maken krijgt met ontwikkelingsstoornissen.

Van de kinderen die op de neonatale intensive care terechtkomen, weten we dat 30 tot 40 procent te maken krijgt met ontwikkelingsstoornissen, zegt Manon Benders, hoogleraar Neonatologie bij UMC Utrecht. Als je bedenkt dat er jaarlijks duizenden pasgeboren kinderen intensieve zorg nodig hebben, betreft dit een groot percentage van de bevolking.

Moeilijke start

Deze kinderen en het gezin zullen de last van een moeilijke start vaak de rest van hun leven meedragen. Studies toonden aan dat tot twee derde van de baby's die door een beroerte getroffen is, leer- of ontwikkelingsproblemen krijgt. Van de extreem premature baby's (geboren vóór 32 weken zwangerschap) krijgt 78 procent in de adolescentie of vroege kinderjaren te maken met een chronische gezondheidstoestand als stemmings- of angststoornissen, waar het bij de voldragen baby’s om 37 procent gaat. En ongeveer 40 procent van de matig voortijdig geboren baby's (32 tot 37 weken zwangerschap) vertoont al met 18 maanden problemen op het gebied van aandacht en concentratie; tegen de tijd dat zij acht jaar oud zijn, hebben deze kinderen bijna drie keer zoveel kans om speciaal onderwijs nodig te hebben. De uitkomst bij deze te vroeg geboren kinderen is echter zeer uiteenlopend. We weten gewoon niet zeker wie moeilijkheden zal ondervinden en wie niet, en wie extra steun nodig zal hebben om net zo goed te kunnen gedijen als ieder ander kind, zegt Benders.

Benders onderzoekt nu samen met collega's hoe we deze baby's zo vroeg mogelijk kunnen behandelen, zodat ze een goede start maken in het leven. Door onderzoek naar de ontwikkeling van de hersenen weten we dat de eerste 1000 dagen cruciaal zijn voor de ontwikkeling van een kind. In deze periode - de tijd tussen de conceptie tot aan de uitgerekende datum, ontwikkelen de hersenen zich in hoog tempo, vervolgens gaat het langzamer tot de tweede verjaardag van het kind, waarbij belangrijke verbindingen tot stand komen. Deze verbindingen zijn essentieel voor de ontwikkeling van motoriek, aandacht, interactie en zelfregulatie.

Als er hersenbeschadiging is, is het belangrijk om die snel te herkennen.

Manon vervolgt: Als er hersenbeschadiging is, dan is het belangrijk die snel te herkennen. Het blijkt dat vroegtijdige behandeling met medicijnen of therapie veel effectiever is dan wachten tot het kind verder in zijn ontwikkeling is.

Baanbrekend onderzoek

Om de langetermijneffecten van de behandelingen te beoordelen, volgen onze Utrechtse onderzoekers duizenden van deze kinderen vanaf de zwangerschap tot aan hun kindertijd. En soms zelfs tot in de vroege volwassenheid. Zo kunnen we beter voorspellen welke kinderen een hoog risico lopen om later in hun leven gedragsproblemen, psychische problemen of psychiatrische problemen te ontwikkelen. Ook kunnen we zo beter voorspellen welk type behandeling of ondersteuning nodig is om het kind goed op te laten groeien.

Julia in het Wilhelmina Kinderziekenhuis (Utrecht)

Zo ook Julia. Julia, net 48 uur oud, had koorts en een veel te snelle hartslag. Artsen constateerden dat Julia een herseninfarct had gehad en ze werd onmiddellijk opgenomen. Gelukkig voor Julia en haar familie was het Wilhelmina Kinderziekenhuis destijds net gestart met een experimentele behandeling met het medicijn erytropoëtine, een veelbelovend middel op basis van regeneratieve geneeskunde. Met dit middel hopen artsen de schade aan de hersenen van pasgeborenen na een infarct te beperken.

Dit onderzoek is baanbrekend, omdat schade aan hersenweefsel als onomkeerbaar werd beschouwd.

De medicatie moet in de eerste week tot tien dagen na de geboorte worden toegediend. Deze periode lijkt de ontwikkelingskansen van kinderen met een herseninfarct het meest te vergroten. Het medicijn zorgt ervoor dat beschadigde zenuwcellen in de hersenen herstellen, zegt neonatoloog Manon Benders, die Julia destijds behandelde. Dit is baanbrekend, want schade aan hersenweefsel werd voorheen altijd als onomkeerbaar beschouwd.

Julia was een van de eerste baby's die met dit medicijn werd behandeld. Nathalie, Julia’s moeder: We wisten dat het een experimenteel medicijn was, maar dachten: als er een kans is om ons kind te redden, dan grijpen we die aan. Ik had sterk het gevoel dat Julia het zou halen. Waarschijnlijk was ik positiever dan de artsen zelf.

Over de prognose waren de artsen inderdaad bezorgd. De kans was groot dat Julia een cerebrale parese zou ontwikkelen, een levenslang handicap die de bewegingen en coördinatie van het lichaam beïnvloedt, met mogelijk andere problemen zoals bijvoorbeeld epilepsie. Tegen alle verwachtingen in herstelde Julia snel en het eerste jaar zette het succesvolle herstel zich gestaag voort. Elke ontwikkelingssprong – het moment dat ze haar hoofdje optilde, begon te kruipen, te staan, te lopen – waren momenten van blijdschap, zegt haar moeder.

Tien minuten lang in de ogen kijken van haar moeder is een van de oefeningen die Julia helpt zich beter te concentreren. Foto: Annabel Jeuring

Dit is maar één voorbeeld van hoe een team van wetenschappers van de Universiteit Utrecht en het UMC Utrecht samen met gezinnen werken aan het voorspellen, behandelen en voorkomen van de levenslange gevolgen waarmee veel kinderen na een moeilijke start te maken krijgen. Zodat kinderen als Julia de beste kansen in het leven kunnen hebben. De grootste waarde van deze aanpak is dat het onderzoekers helpt zowel inzicht te krijgen in het ontstaan van moeilijkheden die kinderen vandaag ondervinden als in de veranderbare factoren in de omgeving van een kind, die kunnen helpen de ontwikkeling en welzijn van deze kinderen te verbeteren. 

Wil je meer weten over het UMC Utrecht en de Universiteit UtrechtBekijk onze lustrumpagina.