Dubbelinterview

Hoe Utrecht bereikbaar, gezond en inclusief te houden?

Lot van Hooijdonk en Dick Ettema

“Laatst zei iemand bij wijze van grap dat ze eigenlijk het liefst op de Neude in een boerderijtje wilde wonen… dat zit er dus niet in.” Aldus alumnus Lot van Hooijdonk, wethouder mobiliteit, energie en groen van Utrecht. De ruimte in de stad is beperkt. Daarom werkt de gemeente aan het Mobiliteitsplan 2040 dat Utrecht voor iedereen bereikbaar moet houden. Hoe ‘iedereen’ optimaal verkeersdeelnemer kan blijven, dat onderzoekt Dick Ettema, hoogleraar Urban Accessibility and Social Inclusion.

“De gemeente wil de stad bereikbaar houden op een zo schoon en duurzaam mogelijke manier’, zegt Ettema. “Daarbij gaan we er van uit dat alle mensen zich gemakkelijk kunnen verplaatsen, maar dat is niet zo. Een e-auto is wel schoon, maar ook duur en daarom niet voor iedereen weggelegd. Fietsen is ook schoon, maar veel ouderen durven dat niet in een drukke stad. Transport kan dus een barrière zijn voor een baan, voor onderwijs, voor deelname aan sport of cultuur. Mijn onderzoeksgroep bij Geowetenschappen houdt zich onder andere bezig met deze connectie tussen mobiliteit en inclusiviteit.”

De fiets mag dan wellicht niet voor iedereen ideaal zijn, voor veel mensen in de stad – niet in de laatste plaats ook voor studenten – is het vervoermiddel bij uitstek. Lot van Hooijdonk, ooit zelf geschiedenisstudent aan de Universiteit Utrecht, is er althans razend enthousiast over. “Ik vind de fiets echt een fantastisch ding. Niet alleen om van A naar B te gaan, maar ook voor gezondheid en leefbaarheid. De fiets maakt de stad vriendelijker, er zit een mens op die je aan kan kijken, terwijl je bij een auto alleen een machine ziet. En onderschat het emanciperend effect van de fiets niet: kinderen van 11 jaar die zelfstandig naar hun sportclub gaan – vergelijk dat eens met de bewegingsvrijheid van kinderen in de VS of Canada bijvoorbeeld. Bovendien is de fiets een relatief goedkoop vervoermiddel en daardoor ook beschikbaar voor mensen met een kleinere beurs. En dit succesverhaal loopt al vanaf eind 19e eeuw!”

Dick Ettema

Ettema kan het daar alleen maar mee eens zijn: “Die gezondheidswinst bijvoorbeeld: Nederlanders leven, blijkt uit onderzoek van een van mijn collega’s, gemiddeld een half jaar langer dan andere Europeanen. Dat komt op conto van het fietsen en lopen. Bovendien blijkt uit ons onderzoek dat door de fiets er in het verkeer veel minder congestie voorkomt. In een drukke stad als Utrecht is dat een enorm voordeel. Vanwege innovaties die autoverkeer terugdringen en lopen of fietsen juist stimuleren, bijvoorbeeld via deelmobiliteit, is Utrecht voor een transportonderzoeker een mooie plek om te werken; het gebeurt hier om de hoek.”

Universiteit en gemeente werken dan ook nauw samen. Ettema: “Onze onderzoeksgroep zit in nogal wat mobiliteitsprojecten van de gemeente. Bijvoorbeeld projecten over e-mobiliteit en deelmobiliteit, een project dat mobiliteitsgedrag over een langere periode monitort, over de effecten van Covid op mobiliteit… er zijn heel veel contacten. Van Hooijdonk: “Tegelijk is de universiteit een grote werkgever in de stad en eigenaar van grondgebied op het Utrecht Science Park. De relatie is dus ook op ander gebied intensief dan alleen op dat van kennis en onderzoek.”

Lot van Hooijdonk

Het Mobiliteitsplan van de gemeenste strekt zich uit tot 2040. Is die periode niet wat ruim? Loop je dan niet het risico keuzes te maken waar je later spijt van krijgt? Van Hooijdonk: “Het gaat hier om een groot masterplan, maar dat kan niet anders. Neem bijvoorbeeld de ontwikkeling van een wijk als Leidsche Rijn; daar zijn we al pakweg 25 jaar mee bezig en het is nog steeds niet af. Zo’n ontwikkeling duurt dus lang. Wat niet wil zeggen dat je alles in beton moet gieten, maar je moet wel durven oversteken. Utrecht krijgt er de komende jaren ruim 60.000 woningen bij. Dat is ongeveer een derde méér dan wat we nu hebben; dan heb je het over meer dan 100.000 individuele personen die zich in de stad gaan bewegen. Dat vraagt om een mobiliteitsstrategie van lange adem, waarin niet alleen de fiets of auto wordt meegenomen, maar ook lopen, bus en tram. Alleen al een nieuwe tramlijn ontwikkelen kost jaren tijd heeft de Uithoflijn wel uitgewezen. Dat heeft 15 jaar geduurd.”

Transit oriented development” heet dat’, voegt Ettema toe. “De infrastructuur is sturend in je planning.” En dat is precies wat Utrecht met het Mobiliteitsplan voor ogen heeft, aldus Van Hooijdonk. “We willen een aantal knooppunten realiseren waarop het OV vanuit de regio geïntensiveerd wordt – dus bijvoorbeeld vaker intercity-treinverkeer – om zo de druk een beetje van dat gigantische knooppunt Utrecht CS af te halen. Vervolgens willen we in de stad de mobiliteit beperken door wonen, werken, winkels, groen en andere voorzieningen zoveel mogelijk bij elkaar te situeren. Voorbeeld van zo’n knooppunt is Leidsche Rijn Centrum of Lunetten-Koningsweg. Bij dat laatste knooppunt is ook het Utrecht Science Park betrokken.”

We willen in de stad de mobiliteit beperken door wonen, werken, winkels en andere voorzieningen zoveel mogelijk bij elkaar te situeren

“Een voorbeeld van een wijk waarin verschillende voorzieningen zijn geconcentreerd wordt de Merwede Kanaalzone’, vervolgt Van Hooijdonk. “Maar eigenlijk zie je dat ook in bestaande wijken al gebeuren. Pakweg 10 jaar geleden moest je voor winkels, restaurants of cafeetjes in de binnenstad zijn. Nu zie je steeds meer dergelijke voorzieningen ook in de buitenwijken. Lombok, Rotsoord of Amsterdamsestraatweg hebben nu hun eigen cafeetjes en restaurants. Dichtbij huis wordt het gezelliger.”

Groeit het succes van de fiets, zoals Van Hooijdonk dat beschrijft, de stad boven het hoofd? Door de stromen fietsers lijkt het verkeer er niet veiliger op te worden, en ondanks de grootste fietsenstalling ter wereld bij Utrecht CS is er nog steeds een gigantisch stallingsprobleem. “Inderdaad is het fietsgebruik enorm gegroeid”, constateert Van Hooijdonk. “We moeten die fietsstromen zien te spreiden door meer bruggen en tunnels voor fietsers aan te leggen. En vergeet niet: het autoverkeer in de stad is niet gegroeid. Dat heeft ertoe geleid dat in Utrecht de verkeersveiligheid is verbeterd, waar die landelijk juist is verslechterd. Het aantal verkeersslachtoffers is in Utrecht gehalveerd.”

Lot van Hooijdonk en Dick Ettema

Ettema: “Wat die grote fietsenstalling betreft: het is de vraag of die bedoeld is om er fietsen hele dagen of nachten onbenut te laten staan. Wat helemaal uit den boze is, is fietsen stallen op plekken die eigenlijk voor voetgangers zijn bedoeld. In die zin zou er ook winst te halen zijn door meer met deelfietsen of deelsteps te gaan werken. Die OV-fietsen werken nu al heel goed. Voor een stad is dat een veel betere oplossing dat autoverkeer. Daar heb je ontzettend veel vierkante meters voor nodig. Toch zal er weerstand zijn tegen het terugdringen van de auto. Niet iedereen heeft een baan, een sportclub of zijn favoriete restaurant om de hoek. Gaat de gemeente dan toch afdwingen dat auto’s minder welkom zijn in het centrum?”

“We zetten lopen, fietsen, deelmobiliteit en OV voorop. De auto is daardoor op steeds meer plekken te gast”, antwoordt van Hooijdonk. “Stapje voor stapje, door bijvoorbeeld parkeerplaatsen weg te halen – nog maar één plek op elke drie woningen – ten behoeve van meer groen, speelvoorzieningen of fietsstallingen. Of door doorgaand autoverkeer onmogelijk te maken. In de binnenstad heeft het autobezit met een derde afgenomen, terwijl de stad toch enorm groeit.”

Lot van Hooijdonk studeerde Geschiedenis/Internationale betrekkingen en politieke wetenschappen in Utrecht, Florida en aan Instituut Clingendael. Ze is lid van GroenLinks en sinds mei 2014 wethouder mobiliteit, energie, groen en dierenwelzijn en van de wijken zuid en west in Utrecht. Ze is nauw betrokken bij het Mobiliteitsplan 2040, waar de gemeenteraad over zal beslissen. Voorafgaand aan haar wethouderschap was zij vele jaren senior adviseur voor het ministerie van Verkeer en Waterstaat en nadien adjunct-directeur van de Natuur en Milieufederatie Utrecht.

Dick Ettema is hoogleraar Urban Accessibility and Social Inclusion bij de faculteit Geowetenschappen en sinds 2004 aan de Universiteit Utrecht verbonden. Hij studeerde architectuur aan de TU Eindhoven en was na zijn doctoraat werkzaam bij verschillende consultancy bedrijven. Zijn onderzoek richt zich onder meer op de connectie tussen bereikbaarheid, sociale inclusie en welzijn. Zo is hij onderzoeksleider van MOBIMON dat een meetmethode beoogt te ontwikkelen die duidelijkheid wil verschaffen over de vraag in hoeverre toegang tot vervoersmiddelen, afstand tot voorzieningen en sociaaleconomische achterstand kunnen leiden tot vervoersarmoede en sociale uitsluiting. Ook is hij betrokken bij onderzoek naar mobiliteit tijdens en na de corona lockdown.