Workshops Ucall conferentie 2018

Workshopronde 1

(parallelle sessies)

1.1. Het recht en de ongewenste effecten van internetgebruik

Het internet kan zo bezien, ondanks alle verworvenheden die het heeft opgeleverd, schadelijke effecten hebben voor de gezondheid van consumenten. Veel van deze schadelijke effecten zijn het gevolg van handelen dat op zichzelf niet verboden is. Desalniettemin woedt er over deze onderwerpen een discussie over de vraag of het recht hier niet zou moeten ingrijpen. De vervolgvraag is uiteraard op welke manier een dergelijke interventie vorm zou moeten krijgen. Recentelijk heeft een oud-Facebook-directeur toegegeven dat dit bedrijf consumenten bewust verslaafd probeert te maken aan het gebruik van deze website en de app. Veel fabrikanten van online spelletjes bieden deze gratis aan, maar zijn vervolgens (als de consument verslaafd is geraakt) enkel uit te breiden door alsnog te betalen in een ‘appstore’. De desbetreffende fora en producenten maken hierbij gebruik van technieken die jarenlang in de goksector zijn gebruikt om mensen verslaafd te maken. Dergelijke ‘internetverslavingen’ kunnen de gezondheid van de consument ernstig beïnvloeden. Men kan daarom de vraag stellen of het (aansprakelijkheids)recht hier zou moeten optreden. Hoe ver dient het recht te gaan om deze problematiek te reguleren en welk rechtsgebied en welke middelen dienen hierbij te worden ingezet? 

1.2. A fundamental right to clean air?

According to the National Institute for Public Health and Environmental Protection, five thousand people die at an earlier stage because of the unhealthy air in the Netherlands. Against this background, European environmental non-governmental organizations (‘NGOs’) increasingly resort to litigation as a tool to protect human health and the environment. We can see this through different cases that were brought before the courts in Germany, the UK and the Netherlands. These cases are based on the Air Quality Directive, which offers an interesting mix of procedural and substantive provisions. EU clean air directives offer a favorable field to push environmental litigation from procedural aspects towards obtaining substantive rights to a safe and healthy environment. The question, however, arises whether a fundamental right to healthy air in general exists. 
Several human rights scholars have tried to tackle this question. In particular, to ascertain whether a fundamental right to healthy air exits, it is first necessary to look at the definition of human rights. Human rights are based on the notion of human dignity. Therefore, in order for the international community to regard healthy air as a human right, it must emanate from dignity. In this regard, human survival and personal autonomy are inextricable linked. Nevertheless, there is no such thing as a recognized separate right to healthy air. Human rights systems try to solve this problem by reading environmental rights into four pre-existing rights: the right to life, family, health and property. However, how far can and should a right to healthy air be recognized as a separate fundamental right? And if so, does a positive obligation of states exist to provide for healthy air?

1.3. De polsstok van welke rechter (NL)

Bij de bestrijding van legale, maar potentieel gezondheidsbedreigende goederen in ruime zin heeft de burgerlijke rechter het voortouw genomen. Met innovatieve rechtsvindingmethoden heeft hij internationale publiekrechtelijke normen die een paar jaar geleden als juridisch niet-afdwingbaar werden aangemerkt laten doorwerken door het oprekken van het begrip ‘een-ieder-verbindend’ van artikel 93/94 Grondwet (Hoge Raad 10 oktober 2014, in de Rookverbodzaak) of door hen bepalend te maken voor de invulling van de op de Staat rustende zorgplicht van artikel 6:162 BW (Rechtbank Den Haag 24 juni 2015, in Urgenda). Daarbij schrikt de rechter er niet voor terug om verstrekkende bevelen aan de Staat op te leggen, zoals in de al genoemde Urgenda-zaak (bevel tot emissiereductie van broeikasgassen van 25% in 2020) en in de luchtkwaliteitsuitspraak van de Rechtbank Den Haag van 7 september 2017 (bevel tot opstellen plan waarmee overschrijdingen van NO2 en PM10 op zo kort mogelijke termijn verdwijnen, zie echter ook de tussenuitspraak in de bodemzaak 27 december 2017). De rechtspraak is nog steeds in beweging en in de komende maanden kunnen nieuwe uitspraken worden verwacht, zoals het hoger beroep in de Urgenda-zaak. Deze rechterlijke activiteit roept vragen op, die al vaker zijn geadresseerd maar actueel blijven. Is het internationale of Europese recht waarop beroep wordt gedaan wel voldoende democratisch gelegitimeerd om het via rechtsvinding 2.0 bindend te maken en te laten prevaleren boven plannen die in het Nederlandse parlement uitdrukkelijk zijn goedgekeurd? Zijn er nog grenzen aan al die rechterlijke activiteit of dat ‘old school’-denken? Moet de burgerlijke rechter een volgende stap zetten en ook het verbod van een wetgevingsbevel opzij zetten? En, waarom is juist de burgerlijke rechter zo actief en horen we relatief weinig van de bestuursrechter? Het is toch opmerkelijk dat de Haagse rechtbank in het kort geding in de luchtkwaliteitszaak stelt dat het Nationaal Samenwerkingsprogramma Lucht (NSL) niet voldoet aan de Europese en nationale regelgeving, terwijl datzelfde NSL bij de toetsing door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in vele zaken overeind is gebleven. Zijn voor dat verschil goede redenen of is de bestuursrechter minder kritisch is dan zijn civiele collega? En ten slotte, hoe zit het precies met de afbakening tussen beide rechters? In haar tussenuitspraak van 27 december 2017 in Milieudefensie e.a. tegen de Staat, spreekt de Haagse rechtbank in dit verband van een ‘lappendeken’. Is dat inderdaad het geval en, zo ja, belemmert die lappendeken een effectieve bescherming van luchtkwaliteitsnormen? 


Workshopronde 2 

(parallelle sessies)

2.1. Voedsel, waarschuwingen en informatie: effectief of niet?

Regelgeving dicteert welke informatie over het levensmiddel vermeld moet worden op het etiket. Het doel van die informatie of waarschuwing is dat de consument goede voedselkeuzes kan maken in het licht van zijn gezondheid, de veiligheid, de herkomst en het milieu. Als onvoldoende wordt geïnformeerd of gewaarschuwd, kan een producent aansprakelijk zijn voor de daardoor ontstane schade. Waarschuwingsplichten of informatieplichten worden veelal in verband gebracht met de volledigheid daarvan, terwijl uit niet-juridisch onderzoek blijkt dat bijvoorbeeld het ontwerp daarvan relevanter is voor de effectiviteit van de informatie of waarschuwing.
In deze workshop wordt gediscussieerd over de inhoud en effectiviteit van de informatieverplichting of waarschuwingsverplichting, in het bijzonder ten aanzien van voedsel en goede voedselkeuzes. Diverse vragen kunnen de revue passeren. Onder welke omstandigheden moet er worden geïnformeerd of gewaarschuwd, en zou dat ook moeten gelden voor bijvoorbeeld onzekere risico’s? Wat maakt een informatiebron of waarschuwing effectief, en hoe verhoudt zich dat tot de bestaande Europese of nationale regelgeving en rechtspraak over informatie- en waarschuwingsverplichtingen? Leidt informeren of waarschuwen wel tot gezondere voedselkeuzes? En waarom zou het recht zich deze externe inzichten moeten aantrekken?

2.2. Consumer boycotts and corporate SLAPP suits (ENG)

How can health and safety and environmental concerns in international production chains as well as other human rights norms be protected when there is widespread ignorance, disrespect or outright hostility for international legal rules by corporations, and the government fails to remedy the situation by way of regulation? Lawyers and public interest groups argue that consumer boycott campaigns are appropriate in such cases. Countering such campaigns, corporations have responded with strategic lawsuits against public participation (SLAPP suits), intending to intimidate and silence their critics by burdening them with the costs of legal defense until they give up their campaign. Law is thus instrumentalized either to make an indirect claim for harms caused by corporate indiscretions, or as a form of corporate protectionism. This workshop will analyze these issues, addressing questions of legitimacy in relation to law-based campaigns that instrumentalize the law to achieve a public or private interest goal.

2.3. Tabak als gezondheidsbedreigend, maar legaal product

Tabak is een gezondheidsbedreigend product, maar wereldwijd nog steeds legaal. Daar waar het juridische gevecht tegen de verkoop van tabak aanvankelijk werd gevoerd binnen het civiele recht, lijkt deze zich momenteel te verplaatsen naar het strafrecht. Twee ex-rokers die lijden aan zware longziekten hebben aangifte gedaan tegen vier tabaksproducenten. Later hebben KWF Kankerbestrijding en andere organisaties zich daarbij aangesloten. De aangevers menen dat de producenten moeten worden vervolgd voor moord, doodslag of (zware) mishandeling (met de dood tot gevolg). Belangrijk hierbij is dat de sigaretten zouden zijn voorzien van minuscule gaatjes, waardoor uit de testcontrole op emissiewaarden een lagere concentratie gevaarlijke stoffen zou blijken dan een roker daadwerkelijk binnenkrijgt. Het OM onderzoekt of daadwerkelijk tot strafvervolging wordt overgegaan. Deze trend lijkt nu ook over te waaien naar andere landen: verschillende anti-rook-organisaties onderzoeken nu of het mogelijk is een strafvervolging te starten in hun land. Deze problematiek roept belangrijke vragen op over de (preventieve) werking en de mogelijkheden van het strafrecht. Kan er een voldoende causaal verband worden aangetoond tussen het gedrag van de producenten en het letsel of overlijden van de rokers? Welke eisen dienen te worden gesteld aan de subjectieve bestanddelen (opzet, schuld) en welke bewijsproblemen kunnen zich ten deze aandienen? Kan een eventuele strafrechtelijke veroordeling inderdaad het gewenste gedrag van de producenten afdwingen? En kunnen er lessen worden getrokken uit de eerdere strijd binnen het civiele aansprakelijkheidsrecht?