Over ons

Het trekkersteam van ERI bestaat uit: 

Expertise van de onderzoekers

Rianka Rijnhout: Mijn onderzoek spitst zich toe op de afwikkeling van schade van personen. Welke moeilijkheden worden ervaren bij schadeverhaal door gedupeerden en instituties? Hoe zou collectieve schade moeten worden afgewikkeld? Hoe wikkelt men schade af in het buitenland? En zouden andere (alternatieve) schadeafwikkelingssystemen in de praktijk beter werken dan de klassieke route voor schadeverhaal: het aansprakelijkheidsrecht? In mijn onderzoek sta ik met name stil bij maatschappelijk relevante thema’s, waarbij het telkens gaat om kwetsbare gedupeerden: afwikkeling van letselschade, afwikkeling van mijnbouwschade, mensenrechtenschendingen en collectieve acties van bijvoorbeeld consumenten of verenigingen met een ideëel belang (klimaatacties). Ik gebruik diverse methoden: literatuur- en rechtspraakanalyse, interne en externe rechtsvergelijking en kwalitatief onderzoek (interviews, focusgroepen). 
Als nevenfunctie ben ik als voorzitter verbonden aan de Werkgroep Normering van De Letselschaderaad en ik geef als permanent docent les binnen de opleiding van de Letselschade Advocatuur. Daarnaast ben ik uiteraard enthousiast docent binnen de Master Privaatrecht, specialisatie Aansprakelijkheidsrecht van de Universiteit Utrecht. 

Kees van den Bos: Mijn onderzoeksprogramma bestudeert fundamentele vragen over het ervaren van (on)rechtvaardigheid, moraliteit, vertrouwen, spanningen tussen groepen en culturen, pro-sociaal gedrag en radicalisering, extremisme en terrorisme. Inzichten die voortvloeien uit zijn fundamentele onderzoek worden toegepast in belangrijke maatschappelijke contexten, in het bijzonder op het gebied van het recht, sociaal conflict en de samenleving. Onderwerpen die mijn collega's en ik bestuderen zijn onder meer de kwestie van een eerlijke behandeling ('ervaren procedurele rechtvaardigheid') in interacties tussen burgers en de overheid, de rol van bedreigde groepen in terrorisme en radicaal gedrag, en de psychologische processen die leiden tot vertrouwen of wantrouwen in de overheid en andere belangrijke maatschappelijke instellingen zoals het rechtssysteem. Ik coach studenten en stafleden op het gebied van empirische rechtswetenschap (mail me als je hierover een afspraak wilt maken: [k.vandenbos@uu.nl]k.vandenbos@uu.nl). Ik heb over het verrichten van Empirical Legal Research een boek geschreven dat in augustus 2020 uitkomt bij Edward Elgar (en later in Nederlandse vertaling bij Boom juridisch).

Daan van Uhm

Daan van Uhm: Ik ben universitair docent Criminologie aan het Willem Pompe Instituut voor Strafrecht en Criminologie. Ik doe onderzoek naar verschillende vormen van milieucriminaliteit, zoals grensoverschrijdende handel in wilde dieren, ontbossing en houthandel in Zuidoost-Azië, illegale mijnbouw in Latijns-Amerika en de illegale handel in honden in Europa, en assisteerde daarbij in verschillende rechtszaken. Ik promoveerde in 2016 aan de Universiteit Utrecht op Criminologie (The Illegal Wildlife Trade: Inside the World of Poachers, Smugglers and Traders, Springer). In 2018 ontving ik de prestigieuze Veni-beurs van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) voor zijn onderzoeksproject: 'The Diversification of Organised Crime into the Illegal Trade in Natural Resources'. Ik richt me primair op onderzoek in het kader van groene misdaden en schade.

Hanneke van Eijken, Foto: Robert Oosterbroek

Hanneke van Eijken: Ik ben universitair docent en onderzoeker Europees recht. Mijn onderzoeksthema's zijn: Europees burgerschap, bevoegdheidsverdeling, het vrije verkeer, democratie en grondrechten. Binnen Empirisch juridisch onderzoek en conflict oplossende instituties (ERI) zal ik mij bezighouden met empirisch onderzoek naar het Europees recht en zich richten op Europees burgerschap en rechterlijke toetsing in Europa. Mijn focusgebieden zijn het Europees burgerschap, vrij verkeer en grondrechtenbescherming. Hoe gaat de rechter om met de rechten van het kind in Europees burgerschapszaken? Hoe worden vrijheden beperkt van EU burgers om te reizen en te verblijven in andere lidstaten?

laura henderson

Laura Henderson: Ik ben universitair docent Internationaal en Europees Recht. Een toekomstbestendige rechtsstaat moet adequaat omgaan met de onzekerheid die de uitdagingen van de 21e eeuw kenmerken. Ik zal empirisch onderzoeken in hoeverre de huidige tactieken voor het omgaan met empirische onzekerheid binnen de juridische besluitvorming voldoende robuust zijn voor deze hedendaagse uitdagingen. Om deze vraag te beantwoorden, zal ik een benadering van meerdere casestudy’s gebruiken die gebaseerd is op een theoretisch replicatieontwerp om te bestuderen hoe rechtbanken omgaan met empirische onzekerheid in de 21e eeuw. Ik streef er specifiek naar om inzicht te krijgen in de verschillende soorten empirische onzekerheid waarmee rechtbanken worden geconfronteerd en de tactieken die ze gebruiken om deze onzekerheid te verminderen.

pauline-jacobs

Pauline Jacobs: Ik ben werkzaam als universitair docent straf(proces)recht bij het Willem Pompe Instituut. Tevens ben ik verbonden als onderzoeker aan het Montaigne Centrum. In mijn onderwijs en onderzoek houd ik mij met name bezig met straf(proces)recht en mensenrechten en het penitentiaire recht (het recht dat betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van straffen en maatregelen). Binnen ERI verricht ik onderzoek naar kwetsbare gedetineerden, meer specifiek transgender gedetineerden. 

Stefan Philipsen

Stefan Philipsen: Ik ben universitair docent Staats- en Bestuursrecht. Binnen ERI zal ik mij bezighouden met hoe het gebruik van kunstmatige intelligentie in de rechtspraak de beleefde procedurele rechtvaardigheid van rechtszoekenden en hun vertrouwen in de rechtspraak beïnvloedt. De uitvoerende macht (bijv. de Belastingdienst) maakt bij de uitoefening van bevoegdheden in toenemende mate gebruik van (slimme) algoritmen en Kunstmatige intelligentie (KI). In het verlengde hiervan komt steeds nadrukkelijker de vraag op of ook andere staatsmachten zouden kunnen profiteren van de voordelen van Kunstmatige Intelligentie. Dat geldt in het bijzonder voor de rechtspraak. Door een immer toenemende werklast en veranderende maatschappelijke verwachtingen ten aanzien van de rechtspraak, wordt binnen de rechtspraak nagedacht en geëxperimenteerd met de inzet van KI. Het doel van dit onderzoek is door middel van experimenten te onderzoeken op welke wijze de inzet van kunstmatige intelligentie in de rechtspraak de beleefde procedurele rechtvaardigheid van rechtszoekenden beïnvloedt en in hoeverre de inzet van KI in de rechtsspraak invloed heeft op het vertrouwen van rechtszoekenden in de rechtsspraak. Daarbij zal ook gekeken worden naar de vraag in hoeverre het antwoord op deze vragen afhankelijk is van andere factoren zoals: het type geschil en de uitkomst van het geschil. 

Thomas Riesthuis

Thomas Riesthuis: Ik ben universitair docent Rechtstheorie. Rechtsfilosofen zijn het grotendeels eens over het feit dat de rechter in uitzonderlijke gevallen niet enkel en alleen op basis van het recht kan rechtspreken. Deze gevallen worden ook wel moeilijke gevallen genoemd. Rechtsfilosofen verschillen met elkaar van mening over hoe vaak moeilijke gevallen in de rechtspraktijk voorkomen en hoe een rechter in deze gevallen tot een rechterlijk oordeel komt. Rechtstheorieën bieden verschillende verklaringen waarom rechters geconfronteerd worden met moeilijke gevallen en hoe rechters moeilijke gevallen oplossen. Echter, deze rechtstheorieën zijn vaak gebaseerd op algemene aannames en intuïties over ons recht; niet op empirische data. In dit project onderzoek ik daarom of theorieën over rechtsvinding overeenkomen met de percepties en ervaringen van Nederlandse feitenrechters. In mijn onderzoeksproject verken ik in hoeverre rechtstheorieën die als doel hebben om te verhelderen hoe rechters moeilijke gevallen oplossen, aansluiten bij de percepties en ervaringen die Nederlandse feitenrechters hebben ten aanzien van rechtsvinding. Het project is een eerste verkenning toegespitst op rechtsvindingproblemen in EVRM-zaken waar rechters in rechtbanken mee worden geconfronteerd. Op basis van interviews zal in kaart worden gebracht in welke mate theorieën over rechtsvinding de praktijk van rechtsvinding in EVRM-zaken daadwerkelijk kunnen verhelderen.

Anouk Wouters

Anouk Wouters: Mijn onderzoek staat in het teken van de vraag of mogelijk een rol voor de Nederlandse overheid is weggelegd bij de afwikkeling van massaschade van consumenten. Op dit moment speelt de Nederlandse overheid geen rol in de afwikkeling van concrete gevallen van massaschade van consumenten, maar stelt zij ‘slechts’ de spelregels (lees: het wettelijk kader) vast waarbinnen de markt vervolgens haar werk kan doen. Een blik over de grenzen laat zien dat alternatieve systemen denkbaar zijn. In dit verband kan allereerst worden gedacht aan een systeem waarbij de overheid private partijen steunt bij hun rol in de afwikkeling van massaschade, bijvoorbeeld door hen te subsidiëren. Een verdergaande variant zou eruit kunnen bestaan dat een partij zoals de toezichthouder een directe rol speelt bij de afwikkeling van massaschade, door bijvoorbeeld te procederen of te onderhandelen over een schadevergoeding voor benadeelden.

Marlou Overheul

Marlou OverheulMijn promotieonderzoek zal gaan over publiek gefinancierde compensatiesystemen voor beroepsziekten, in het bijzonder de compensatiesystemen voor schade door Chroom-6. Deze compensatiesystemen bieden een alternatief voor schadeverhaal via de klassieke route van het aansprakelijkheidsrecht. Het idee is kort gezegd dat deze alternatieve compensatieregelingen met een tegemoetkoming een lang en belastend proces kunnen voorkomen; bijdragen aan preventie (van bijvoorbeeld beroepsziektes); en aan het herstel van het vertrouwen in de instituties. Door middel van juridisch en empirisch onderzoek wil ik er graag achter komen wanneer een alternatief compensatiesysteem te prefereren valt boven het klassieke aansprakelijkheidsrecht.

Max Vetzo

Max Vetzo: Als ERI-onderzoeker zal ik promotieonderzoek verrichten naar de rol van de rechter in politiek gevoelige rechtszaken met een staatsrechtelijke dimensie. Onder de noemer ‘constitutioneel procesrecht’ richt mijn onderzoek zich op het ontwikkelen van handvatten aan de hand waarvan de rechter beslissingen kan nemen in deze categorie aan rechtszaken die in Nederland aan een opvallende opmars bezig is. Daarbij zal ik veel putten uit rechtsvergelijkende inzichten en staatsrechttheorie. Zo probeer ik met mijn onderzoek bij te dragen aan het toekomstbestendig vormgeven van de constitutionele rol van de rechter in het Nederlandse staatsbestel.
 

Stijn van Deursen

Stijn van Deursen: Na mijn bachelor (Utrecht Law College) en master (Legal Research Master) in Utrecht te hebben afgerond, ben ik sinds 1 februari 2020 als promovendus aan het ERI onderzoekscluster verbonden. Ik doe empirisch en rechtsvergelijkend onderzoek naar de betekenis van macro-effecten en maatschappelijke neveneffecten binnen het aansprakelijkheidsrecht en bestuursrecht. Het gaat daarbij in beginsel om de niet-juridische effecten van rechterlijke uitspraken, voor niet bij een procedure betrokken partijen. Meer in het bijzonder spitst mijn onderzoek zich toe op de vraag hoe, wanneer en waarom rechters in deze rechtsgebieden met dergelijke aspecten rekening houden en – als dat het geval is – hoe zij daarover in hun uitspraken motiveren. Eerder ben ik betrokken geweest bij verschillende onderzoeksprojecten van de Universiteit Utrecht, onder meer over de juridische aspecten van algoritmische besluitvorming en over Chinees-Europese universitaire samenwerkingen.

Tekla Beekhuis

Tekla Beekhuis: Als promovenda ben ik verbonden aan het Willem Pompe Instituut voor Strafrechtswetenschappen, Ucall en ERI. Mijn promotieonderzoek gaat over de verplichtingen op grond van de Wet ter voorkoming van witwassen en het financieren van terrorisme (Wwft) tot het doen van cliëntenonderzoek en het melden van ongebruikelijke transacties door banken, accountants en notarissen (poortwachters). De focus ligt op de beoordeling van de strafrechtelijke en bestuursrechtelijke aansprakelijkheid van de poortwachters in het licht van de juridische en praktische (on)mogelijkheden die zij ervaren bij de naleving van genoemde Wwft-verplichtingen. Hierbij maak ik gebruik van zowel klassiek-juridisch als empirisch onderzoek. 

Jacob van der Tang

Jacob van der TangBenadeelden en hun belangenorganisaties maken bij collectieve acties steeds meer gebruik van financiering door derden. Er is onvoldoende duidelijkheid over de wijze waarop dit plaatsvindt. Verder is er nog geen beoordelingskader waarmee rechters vergoedingen aan financiers kunnen toetsen. Mijn onderzoek richt zich daarom op externe financiering van met name massaschadeclaims. Dit fenomeen wordt belicht vanuit juridisch-dogmatisch, empirisch en rechtsvergelijkend perspectief. Het doel is om daarmee een fundamentele bijdrage te leveren aan de ontwikkeling van financiering van collectief schadeverhaal.