Anitibioticabeleid

December 2014
Voorschrijven en afleveren van antibiotica aan dierhouders

Nadat de Gezondheidsraadcommissie (GR) in augustus 2011 het advies “Antibiotica in de veeteelt, en resistente bacteriën bij mensen” uitbracht zijn er vanaf januari 2013 meerdere aanpassingen in het antibioticabeleid en de wetgeving rond veterinaire toepassing van antimicrobiële geneesmiddelen doorgevoerd.

Ten eerste vanuit de beroepsvereniging KNMvD, waarvan de Werkgroep Veterinair Antibioticabeleid (WVAB) een richtlijn antibiotica heeft uitgebracht waarin alle antimicrobiële geneesmiddelen zijn geordend van 1e tot 3e keuze middel op grond van hun uitselecterend vermogen dan wel werkzaamheid ten aanzien van door de GR aangewezen als volksgezondheidbedreigende resistente bacteriën, te weten de ESBL/AmpC dragende micro-organismen. De verschillende antimicrobiële therapie formularia voor de voedselproducerende sector en GD en Paard zijn op basis hiervan allemaal herzien. De formularia voor voedsel producerende dieren zullen in 2015 weer worden geüpdatet.

Ten tweede vanuit de overheid, die met de introductie van de Wet Dieren (waarmee de Diergeneesmiddelenwet is vervallen) ook het Diergeneesmiddelenbesluit en de Diergeneesmiddelenregeling heeft vervangen door het Besluit Diergeneesmiddelen (http://wetten.overheid.nl/BWBR0032386)  en de Regeling Diergeneesmiddelen (http://wetten.overheid.nl/BWBR0032626). Met de introductie van het Besluit en de Regeling Diergeneeskundigen zijn een aantal zaken die voorheen in het diergeneesmiddelenbesluit of – regeling stonden naar het Besluit Diergeneeskundigen (http://wetten.overheid.nl/BWBR0035091) verplaatst.  Dit betreft onder meer de cascade regeling; deze staat in art 5.1 (niet voedselproducerend) en art 5.2 (voedselproducerend). In Besluit Diergeneeskundigen artikel 5.7 staat de verplichting dat voorafgaand aan de toepassing van bepaalde, nader aan te wijzen, antibiotica een gevoeligheidsbepaling wordt uitgevoerd. Een gevoeligheidsbepaling is een test die inzicht geeft in het soort antibiotica waar de bacterie gevoelig voor is. Wanneer uit de gevoeligheidsbepaling blijkt dat de bacterie behandeld kan worden met een ander, eenvoudig, antibioticum, is het niet toegestaan één van de aangewezen antibiotica toe te passen. Hiermee wordt de toepassing van deze antibiotica beperkt tot de voor de genezing van het dier absoluut noodzakelijke toepassing. Een dierenarts kan van deze verplichting afwijken indien vanwege diergeneeskundige noodzaak een gevoeligheidsbepaling onmogelijk is of onmiddellijke toepassing van het diergeneesmiddel noodzakelijk is.

De aangewezen middelen komen overeen met de derde keuze middelen in de formularia en betreffen:

alle 3e en 4e generatie cefalosporines: voor GD cefovecin (Convenia), voor Paard cefquinome (o.a. Cobactan) en voor rund en varken ceftiofur (o.a. Excenel) en cefquinome
alle fluorochinolonen (difloxacine, enrofloxacine, marbofloxacine, ibafloxacine, orbifloxacine en pradofloxacine)
alle humane antimicrobiële geneesmiddelen die volgens de cascade toegepast worden

 
Tot slot wordt opgemerkt dat ingevolge art. 5.4 van het Besluit diergeneesmiddelen iedere dierenarts van rechtswege in het bezit is van een kleinhandelsvergunning voor het afleveren van diergeneesmiddelen aan houders van dieren voor die dieren waarvoor de dierenarts in de uitoefening van zijn beroep de medische zorg op zich heeft genomen. Deze vergunning kan worden ingetrokken wanneer de dierenarts niet handelt conform de voorwaarden die aan houders van kleinhandelvergunningen worden gesteld (art. 5.5).

De UDD status van diergeneesmiddelen met antimicrobiële werking

Per 1 maart 2014 hebben alle antimicrobiële diergeneesmiddelen de UDD status. Deze nieuwe groep UDD middelen mogen wel meegegeven worden aan een dierhouder (uitgezonderd de intraveneuze toedieningen en tilmicosine bevattende middelen), voor een de duur van een behandeling mits deze precies is geïnstrueerd. Voor bedrijfsmatig gehouden dieren gelden nog aanvullende eisen ten aanzien van de soorten middelen (in principe alleen 1e keuze middelen) en de hoeveelheid (voor max 15% van de dieren, uitsluitend individuele behandelingen) die op een bedrijf aanwezig mogen zijn. Deze uitzonderingen staan beschreven in de Regeling Diergeneesmiddelen bijlage 9 (http://wetten.overheid.nl/BWBR0032626/Bijlage9)

Zie voor de wetteksten ook de links.