3V's

De 3V's zijn Vervanging, Vermindering en
Verfijning

De 3V's (of 3Rs in het Engels) zijn belangrijke uitgangspunten in het proefdieronderzoek, die beschrijven hoe onderzoekers met proefdieren om moeten gaan en hoe ze er voor kunnen zorgen dat er zo min mogelijk of helemaal geen dieren nodig zijn. Onderzoekers zijn verplicht de 3V's in overweging te nemen alvorens te starten met een dierproef. De 3V's zijn als eerste beschreven in 1959 door twee Engelse onderzoekers, W.M.S. Russell en R.L. Burch, en staan voor 'Vervanging, Vermindering en Verfijning' (de 3V's).

Wet op de Dierproeven (Wod)
Volgens de Wet op de Dierproeven (in overeenstemming met de Europese richtlijn 2010/63/EU) wordt een dierproef pas verricht wanneer het beoogde resultaat niet kan worden bereikt door middel van een wetenschappelijk verantwoorde methode of onderzoeksstrategie waarbij geen levende dieren worden gebruikt.

De wettelijke definitie van een dierproef is de volgende:

"Een dierproef is elk gebruik van een dier voor experimentele, onderwijskundige of andere doeleinden waarvan het resultaat bekend of onbekend is, dat bij het dier ongerief veroorzaakt, vergelijkbaar met het inbrengen van een naald volgens goed diergeneeskundig vakmanschap"

Meer over dierproeven vindt u op de website van de Instantie voor Dierenwelzijn.

Voorbeelden 3V's in de praktijk

kunstrat
De plastic kunstrat wordt veel gebruikt in het proefdierkundig onderwijs

Voorbeelden van de toepassing van Vervanging (Replacement), Vermindering (Reduction) en Verfijning (Refinement) in de praktijk zijn:

  • Vervanging: de koninklijke weg onder de 3V’s, waar de dierproeven uiteindelijk vervangen zijn door proefdiervrije alternatieven. Dit kan met computermodellen of cel- en weefselkweekmethoden. In het onderwijs worden plastic kunstratten en bijvoorbeeld fietsbanden voor het aanleren van hechttechnieken gebruikt.
     
  • Vermindering: het aantal dieren per proef wordt zo veel mogelijk verminderd. De onderzoeker kan hier vooraf rekening mee houden met een gedegen statistische analyse, door goed te berekenen hoe je met zo min mogelijk dieren toch betrouwbare resultaten krijgt. Of door bijvoorbeeld moderne meetinstrumenten te gebruiken, zoals een MRI-scan, waarmee de tumorgroei van één proefdier in meerdere stadia wordt gevolgd. Ook kunnen delen van één proefdier apart worden gebruikt in verschillende proeven.
     
  • Verfijning: het ongerief (zoals pijn/ongemak) van de proefdieren wordt zo veel mogelijk voorkomen en verlicht, of het welzijn van de dieren wordt vergroot, zowel voor, tijdens als na het experiment. Het is daarom belangrijk rekening te houden met een optimale huisvesting, het gedrag van het dier te observeren en waar nodig pijnbestrijding en humane eindpunten toe te passen. Humane eindpunten zijn momenten in het experiment waarbij het dier mogelijke pijn of ongemakken ervaart, waarop actie wordt ondernomen door het lijden van een proefdier actief te beëindigen of verminderen, door het dier uit de proef te halen. Het doel is dat het dier zo min mogelijk lijdt, of enige andere vorm van ongerief ondergaat.