Overig beleid
In het overige beleid gaan we in op onderwerpen die niet voor iedereen van toepassing zijn, zoals preventie van individuele huisvesting en de aanschaf en fok van proefdieren.
Preventie individuele huisvesting van proefdieren (pdf)
Dit document beschrijft hoe de Universiteit Utrecht en het UMC Utrecht omgaan met het voorkomen van individuele huisvesting van dieren die gebruikt worden voor onderzoek en onderwijs. In principe worden deze dieren in groepen gehouden, omdat de meeste dieren van nature sociaal zijn. Alleen dieren die van nature alleen leven, zoals hamsters, worden standaard individueel gehuisvest.
Soms is het toch nodig om dieren tijdelijk alleen te huisvesten, bijvoorbeeld vanwege ziekte, agressie, fok, dracht of een experiment. Individuele huisvesting kan invloed hebben op het welzijn van het dier én op de betrouwbaarheid van onderzoeksresultaten. Daarom mag dit alleen als het echt nodig is en moet de duur zo kort mogelijk blijven.
Het beleid beschrijft wanneer individuele huisvesting is toegestaan en onder welke voorwaarden. Dit moet altijd worden afgestemd met experts, zoals de dierenarts en de Instantie voor Dierenwelzijn (IvD), en goed worden vastgelegd.
Als dieren individueel gehuisvest worden, moeten onderzoekers extra maatregelen nemen. Zo moeten dieren, waar mogelijk, contact kunnen houden met soortgenoten (zien, horen, ruiken of voelen). Ook moet er extra aandacht zijn voor verrijking, zoals speelgoed of extra verzorging.
Daarnaast geldt dat onderzoekers altijd moeten proberen om dieren weer terug in groepshuisvesting te plaatsen zodra dat kan. Als dit niet lukt, moet worden vastgelegd waarom.
Het document geeft ook praktische voorbeelden om individuele huisvesting te voorkomen, zoals het samenvoegen van groepen, het inzetten van ‘buddy-dieren’ of het aanpassen van de experimentele opzet.
Tot slot benadrukt het beleid dat we voortdurend zoeken naar verbeteringen, zodat zowel het dierenwelzijn als de kwaliteit van onderzoek zo goed mogelijk worden gewaarborgd.
Hergebruik, verzamelen van weefsels en adoptie of herplaatsing (pdf).
Flowchart hergebruik en herplaatsing (pdf)
De Universiteit Utrecht en het UMC Utrecht willen het diergebruik in onderzoek en onderwijs zo veel mogelijk beperken en dieren die worden gebruikt optimaal benutten. Dieren die na onderzoek, onderwijs of fok niet langer nodig zijn, worden ‘surplus-dieren’ genoemd. Het beleid beschrijft wat de richtlijnen hiervoor zijn: hergebruik, weefselverzameling, herplaatsing of euthanasie.
Hergebruik: dieren kunnen opnieuw worden ingezet in onderzoek als ze gezond zijn, hersteld van een eerdere proef en het nieuwe onderzoek slechts licht tot matig ongerief veroorzaakt. Dieren die ernstig hebben geleden, mogen alleen hergebruikt worden in een proef waarbij de dieren onder algehele verdoving worden gebracht en niet meer wakker worden of direct worden gedood.
Verzamelen van weefsels: weefsels mogen worden verzameld voor onderzoek of onderwijs als er een projectvergunning is of na melding bij de CCD. Soms kan dit zonder aparte vergunning, bijvoorbeeld als het dier al wordt gebruikt of al dood is. Het verzamelen van weefsels kan wel of geen dierproef zijn, afhankelijk van of het ongerief veroorzaakt of speciale handelingen vereist.
Herplaatsing: als een dier niet hergebruikt kan worden, kijkt de IvD of herplaatsing mogelijk is. De IvD beoordeelt geschiktheid binnen de wettelijke kaders, regelt de toewijzing en begeleidt de overdracht. Adoptanten moeten zorgen voor goede verzorging en tekenen een overeenkomst. Voor ratten is er een speciaal programma met een wachtlijst voor adoptanten en opvanglocaties voor ratten die niet direct bij adoptanten kunnen worden geplaatst.
Euthanasie: als een dier niet geschikt is voor hergebruik, adoptie of herplaatsing, wordt het gedood of, bij landbouwhuisdieren, via een slachterij gedood. Bij zieke dieren wordt vaak gekeken wat de oorzaak van de ziekte was. Dode dieren kunnen, wanneer mogelijk, worden gebruikt in diergeneeskundig onderwijs.
ATEX-platform: via ATEX stemmen medewerkers van UU en UMC Utrecht vraag en aanbod af van surplus-dieren, organen en weefsels, die beschikbaar komen binnen de Universiteit Utrecht en het UMC Utrecht.
Aanschaf en fok van proefdieren (pdf)
Toepassingsregeling fok van proefdieren (pdf)
Dit document beschrijft hoe de Universiteit Utrecht en het UMC Utrecht omgaan met de aanschaf en het fokken van dieren die gebruikt worden in onderzoek en onderwijs. Het doel is om het welzijn van de dieren te waarborgen, het aantal onnodig gefokte dieren te beperken en de kwaliteit van onderzoek te verbeteren. Bij de keuze tussen dieren kopen of zelf fokken, geldt het principe ‘nee, tenzij’. Dit betekent dat dieren bij voorkeur worden aangeschaft bij een leverancier, en alleen in speciale gevallen zelf worden gefokt.
Voor zowel aanschaf als fok gelden strikte regels. Zo mogen dieren alleen worden gebruikt als er een goedgekeurd werkprotocol en een projectvergunning zijn. Ook het starten, onderhouden en uitbreiden van foklijnen moet goed onderbouwd zijn en afgestemd worden met experts, zoals de Instantie voor Dierenwelzijn (IvD) en fokcoördinatoren. Voor het fokken met genetisch aangepaste dieren gelden extra regels. De praktische toepassing hiervan is uitgewerkt in de toepassingsregeling fok van proefdieren.
Bij het fokken van dieren ontstaat vaak een overschot aan dieren (surplus-dieren). Het beleid schrijft voor dat dit aantal zo klein mogelijk moet blijven. Waar mogelijk worden deze dieren alsnog zinvol ingezet, bijvoorbeeld in onderzoek of onderwijs, of voor het verzamelen van weefsels. Fokcoördinatoren begeleiden het fokproces en er vinden regelmatig evaluaties en controles plaats. Ook wordt gekeken of het beter is om een foklijn in stand te houden of tijdelijk in te vriezen (cryopreservatie).
Tot slot wordt er continu gewerkt aan verbeteringen, bijvoorbeeld door betere samenwerking en databases, en nieuwe technieken. Zo willen de vergunninghouders zorgen voor verantwoord diergebruik en zo min mogelijk onnodig gebruik van proefdieren.
beleid Patiëntgebonden onderzoek en onderwijs (pdf)
beslisboom (pdf)
Het doel van dit beleid is om ervoor te zorgen dat dieren goed beschermd worden, dat onderzoekers duidelijk weten welke regels gelden en dat onderzoek en onderwijs op een zorgvuldige en verantwoorde manier plaatsvinden. In dit document wordt uitgelegd wanneer handelingen bij zieke dieren (patiënten) in onderzoek en onderwijs vallen onder de Wet op de dierproeven (Wod) en wanneer onder de Wet dieren.
Dieren die behandeld worden door dierenartsen of studenten, bijvoorbeeld in een kliniek, vallen meestal onder de Wet dieren. Dit geldt als de handelingen onderdeel zijn van de normale behandeling en niet meer belasting (ongerief) geven dan gebruikelijk. Ook mag materiaal dat tijdens de behandeling wordt verzameld (zoals bloed of weefsel) gebruikt worden voor onderzoek, zolang dit geen extra belasting voor het dier geeft.
Soms vallen handelingen wél onder de Wet op de dierproeven. Dit is het geval wanneer er, naast de normale behandeling, extra handelingen worden uitgevoerd die mogelijk meer ongerief veroorzaken. Bijvoorbeeld als er extra biopten worden genomen voor onderzoek, of als een nieuwe, niet-standaard behandeling wordt getest. In zulke gevallen is een projectvergunning nodig.
Onderzoekers en docenten moeten hun plannen altijd vastleggen in een werkprotocol. Hierin beschrijven zij duidelijk welke handelingen onderdeel zijn van de normale behandeling en welke speciaal voor onderzoek of onderwijs worden gedaan. De Instantie voor Dierenwelzijn (IvD) beoordeelt vervolgens of de handelingen onder de Wod vallen.
Om dit makkelijker te maken, bevat het document een beslisboom. Deze helpt onderzoekers stap voor stap te bepalen welke regels van toepassing zijn. Bij twijfel moeten zij altijd contact opnemen met de IvD.