Over ons

Het trekkersteam van ERI bestaat uit: 

Expertise van de onderzoekers

Dr. Sonja Bekker

Sonja Bekker: "Ik onderzoek arbeidsmarkt en sociaal beleid in een Europese context. Vaak schrijf ik over zogenoemde 'atypische' werknemers, zoals werknemers met een tijdelijk contract, deeltijdwerkers, jongeren of mensen die met hun baan niet genoeg verdienen om boven de armoedegrens uit te komen. Zij hebben vaak een kwetsbare positie op de arbeidsmarkt. De Europese dimensie beslaat Europese coordinatie van nationaal sociaal beleid, zoals bijvoorbeeld gebeurt in het kader van het Europees Semester. In mijn onderzoek combineer ik graag disciplines, al dan niet door samen te werken met juristen, sociologen en politicologen."

Kees van den Bos: Mijn onderzoeksprogramma bestudeert fundamentele vragen over het ervaren van (on)rechtvaardigheid, moraliteit, vertrouwen, spanningen tussen groepen en culturen, pro-sociaal gedrag en radicalisering, extremisme en terrorisme. Inzichten die voortvloeien uit zijn fundamentele onderzoek worden toegepast in belangrijke maatschappelijke contexten, in het bijzonder op het gebied van het recht, sociaal conflict en de samenleving. Onderwerpen die mijn collega's en ik bestuderen zijn onder meer de kwestie van een eerlijke behandeling ('ervaren procedurele rechtvaardigheid') in interacties tussen burgers en de overheid, de rol van bedreigde groepen in terrorisme en radicaal gedrag, en de psychologische processen die leiden tot vertrouwen of wantrouwen in de overheid en andere belangrijke maatschappelijke instellingen zoals het rechtssysteem. Ik coach studenten en stafleden op het gebied van empirische rechtswetenschap (mail me als je hierover een afspraak wilt maken: [k.vandenbos@uu.nl]k.vandenbos@uu.nl). Ik heb over het verrichten van Empirical Legal Research een boek geschreven dat in augustus 2020 uitkomt bij Edward Elgar (en later in Nederlandse vertaling bij Boom juridisch).

Lydia Dalhuisen

Lydia Dalhuisen: I am a lawyer and psychologist and I work as assistant professor of forensich psychiatry and psychology at the Willem Pompe Institute for Criminal Law and Criminology. As a researcher I am affiliated with the Utrecht Center for Accountability and Liability Law (UCALL). I am also affiliated with the Forensic Psychiatric Clinic in Assen where I study the implementation of a treatment program for arsonists. My research focuses on forensic behavioral themes such as arson and the role of victims within forensic psychiatry. Within ERI I investigate victim-offender contact during a TBS treatment.  

Natalie Dobson: I am an Assistant Professor in public international law, and researcher with the Utrecht Centre for Water, Oceans and Sustainability Law (UCWOSL). My research considers states’ rights and obligations to take protective measures responding to climate change risks. My PhD on Extraterritoriality and Climate Change Jurisdiction concerned the legal conditions on the right to regulate for climate protection, with a focus on the EU. My ERI research considers the role of domestic courts in interpreting and forming states’ international climate obligations. In particular, it focuses on how domestic courts are using climate science both independently and in judicial dialogue. Through legal precedent and borrowing, such early court practice can have a great impact on the development of both national and international law. This ERI project will evaluate the legitimacy of the current developments, considering implications for the rule of law.

Emanuel van Dongen

Emanuel van Dongen: Ik ben werkzaam als universitair docent privaatrecht bij het Molengraaff Instituut voor Privaatrecht. Tevens ben ik verbonden als onderzoeker aan Ucall en aan het Montaigne Centrum. In mijn onderwijs en onderzoek benader ik het recht niet alleen vanuit een dogmatisch perspectief naar het (privaatrecht)recht kijk, maar ook vanuit de context van andere domeinen. Hierdoor zijn mijn publicaties niet beperkt tot het privaatrecht, maar hebben ze een bredere reikwijdte. Mijn ‘law and’-benadering past bij mijn brede achtergrond, die ligt op het gebied van privaatrecht, rechtsgeschiedenis en methodologie. Binnen ERI verricht ik een vergelijkend-empirische studie naar misbruik van (proces)recht.

Hanneke van Eijken, Foto: Robert Oosterbroek

Hanneke van Eijken: Ik ben universitair docent en onderzoeker Europees recht. Mijn onderzoeksthema's zijn: Europees burgerschap, bevoegdheidsverdeling, het vrije verkeer, democratie en grondrechten. Binnen Empirisch juridisch onderzoek en conflict oplossende instituties (ERI) zal ik mij bezighouden met empirisch onderzoek naar het Europees recht en zich richten op Europees burgerschap en rechterlijke toetsing in Europa. Mijn focusgebieden zijn het Europees burgerschap, vrij verkeer en grondrechtenbescherming. Hoe gaat de rechter om met de rechten van het kind in Europees burgerschapszaken? Hoe worden vrijheden beperkt van EU burgers om te reizen en te verblijven in andere lidstaten?

Marion Evers

Marion Evers: Na het afronden van de HR-bachelor Personeelwetenschappen aan de Universiteit van Tilburg heb ik de gecombineerde master Labour Law and Employment relations afgerond. Deze combineert aspecten van HR, sociaal beleid en (Europees) arbeidsrecht. Vanuit deze achtergrond ben ik momenteel als onderzoeker verbonden aan het Europese ‘Working, Yet Poor’ project, een internationaal onderzoek naar armoede onder werkenden.

Julie Fraser

Julie Fraser: I am an Assistant Professor with The Netherlands Institute of Human Rights (SIM) and a researcher with the Montaigne Centre where I focus on human rights and transitional justice. My ERI research project looks at the role of Islamic law in cases before the International Criminal Court, in particular the case from the situation in Mali: The Prosecutor v Al Hassan. From the perspective of legal pluralism, my research examines the relationship between Islamic law and international criminal law and seeks to investigate their interaction within the context of international criminal justice. In addition to traditional legal desk research, this project will include empirical studies involving stakeholders at the International Criminal Court. This builds upon the empirical studies in my PhD  which won the Max van der Stoel Prize for human rights in 2019. Prior to joining Utrecht University, I worked at the International Criminal Court in The Hague for almost two years.

laura henderson

Laura Henderson: Ik ben universitair docent Internationaal en Europees Recht. Een toekomstbestendige rechtsstaat moet adequaat omgaan met de onzekerheid die de uitdagingen van de 21e eeuw kenmerken. Ik zal empirisch onderzoeken in hoeverre de huidige tactieken voor het omgaan met empirische onzekerheid binnen de juridische besluitvorming voldoende robuust zijn voor deze hedendaagse uitdagingen. Om deze vraag te beantwoorden, zal ik een benadering van meerdere casestudy’s gebruiken die gebaseerd is op een theoretisch replicatieontwerp om te bestuderen hoe rechtbanken omgaan met empirische onzekerheid in de 21e eeuw. Ik streef er specifiek naar om inzicht te krijgen in de verschillende soorten empirische onzekerheid waarmee rechtbanken worden geconfronteerd en de tactieken die ze gebruiken om deze onzekerheid te verminderen.

Joost Huijer: I am an Assistant Professor at the Molengraaff Institute for Private Law and a researcher at UCERF (Utrecht Centre for European Research into Family Law). My research specialises in the functioning of the system of child protection in the Netherlands. In November 2020, I received my PhD with a study of the legal justification in practice for the use of a child protection measure. The empirical-legal research comprises an extensive analysis of files of the Child Protection Board, which examines whether, and if so how, the legal requirements are applied in practice. In addition, in cooperation with the Verwey-Jonker Institute, I conducted the 2018 interim evaluation of the Child Protection Measures Review Act.

pauline-jacobs

Pauline Jacobs: Ik ben werkzaam als universitair docent straf(proces)recht bij het Willem Pompe Instituut. Tevens ben ik verbonden als onderzoeker aan het Montaigne Centrum. In mijn onderwijs en onderzoek houd ik mij met name bezig met straf(proces)recht en mensenrechten en het penitentiaire recht (het recht dat betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van straffen en maatregelen). Binnen ERI verricht ik onderzoek naar kwetsbare gedetineerden, meer specifiek transgender gedetineerden. 

Manon Julicher

Manon Julicher: Ik ben universitair docent staatsrecht bij de afdeling Staatsrecht, bestuursrecht en rechtstheorie. Als onderzoeker ben ik verbonden aan het Montaigne Centrum voor Rechtsstaat en Rechtspleging en het onderzoekscluster ERI. Binnen ERI houd ik mij bezig met de Grondwet. Ik ga onderzoeken welke functie de Grondwet heeft volgens verschillende groepen in de samenleving (bijv. studenten, docenten op middelbare scholen, rechters en Kamerleden). En hoe de Grondwet er in lijn met deze functie uit moet zien. Voldoet de huidige Grondwet aan de wensen? Of dient deze gewijzigd te worden? Zo ja, op welke onderdelen dan? Over het doel en de functie van de Grondwet is van oudsher veel discussie. Bijvoorbeeld over de vraag of de Grondwet een richtinggevende functie moet hebben als er conflicten of problemen in de samenleving zijn. Of de vraag of de Grondwet een ‘identiteitsbepaler’ moet zijn en ook in het onderwijs moet kunnen worden gebruikt om de waarden van de democratische rechtsstaat te leren kennen. Of is het voldoende als de Grondwet sober is, alleen gaat over de basisregels van onze staatsinrichting, en hier geen enkele samenbindende werking vanuit gaat? Met deze en andere vragen over de Grondwet zal ik mij de komende tijd bezighouden.

Machiko Kanetake

Machiko Kanetake: I am Assistant Professor of Public International Law. At Utrecht University, I assume various responsibilities, including a member of the Management Board of the Utrecht Centre for Regulation and Enforcement in Europe (RENFORCE). Among a number of external responsibilities, I serve as an Editorial Board member of the Leiden Journal of International Law and a convenor for the Interest Group on International Courts and Tribunals within the European Society of International Law. Within ERI, my research focus lies in the regional human rights courts' engagement (particularly the ECtHR) with UN human rights treaty-monitoring bodies. My project analyses the extent to which the regional human rights courts accept, or even contest, the interpretations put forward by the treaty bodies on a set of human rights norms commonly prescribed by the regional and international human rights treaties.

Laura van Oploo

Laura van Oploo: Ik ben als universitair docent Straf(proces)recht verbonden aan het Willem Pompe Instituut. Mijn onderzoek bevindt zich op het grensvlak van de (culturele, forensische) psychiatrie en psychologie en het straf(proces)recht. In 2021 promoveerde ik op een onderzoek naar culturele overwegingen in gedragskundige adviezen aan de rechter over verdachten. Binnen ERI doe ik onderzoek naar aan cultuur en migratie gerelateerde bias in (forensische) risicotaxatie-instrumenten.

Thomas Riesthuis

Thomas Riesthuis: Ik ben universitair docent Rechtstheorie. Rechtsfilosofen zijn het grotendeels eens over het feit dat de rechter in uitzonderlijke gevallen niet enkel en alleen op basis van het recht kan rechtspreken. Deze gevallen worden ook wel moeilijke gevallen genoemd. Rechtsfilosofen verschillen met elkaar van mening over hoe vaak moeilijke gevallen in de rechtspraktijk voorkomen en hoe een rechter in deze gevallen tot een rechterlijk oordeel komt. Rechtstheorieën bieden verschillende verklaringen waarom rechters geconfronteerd worden met moeilijke gevallen en hoe rechters moeilijke gevallen oplossen. Echter, deze rechtstheorieën zijn vaak gebaseerd op algemene aannames en intuïties over ons recht; niet op empirische data. In dit project onderzoek ik daarom of theorieën over rechtsvinding overeenkomen met de percepties en ervaringen van Nederlandse feitenrechters. In mijn onderzoeksproject verken ik in hoeverre rechtstheorieën die als doel hebben om te verhelderen hoe rechters moeilijke gevallen oplossen, aansluiten bij de percepties en ervaringen die Nederlandse feitenrechters hebben ten aanzien van rechtsvinding. Het project is een eerste verkenning toegespitst op rechtsvindingproblemen in EVRM-zaken waar rechters in rechtbanken mee worden geconfronteerd. Op basis van interviews zal in kaart worden gebracht in welke mate theorieën over rechtsvinding de praktijk van rechtsvinding in EVRM-zaken daadwerkelijk kunnen verhelderen.

Rianka Rijnhout: Mijn onderzoek spitst zich toe op de afwikkeling van schade van personen. Welke moeilijkheden worden ervaren bij schadeverhaal door gedupeerden en instituties? Hoe zou collectieve schade moeten worden afgewikkeld? Hoe wikkelt men schade af in het buitenland? En zouden andere (alternatieve) schadeafwikkelingssystemen in de praktijk beter werken dan de klassieke route voor schadeverhaal: het aansprakelijkheidsrecht? In mijn onderzoek sta ik met name stil bij maatschappelijk relevante thema’s, waarbij het telkens gaat om kwetsbare gedupeerden: afwikkeling van letselschade, afwikkeling van mijnbouwschade, mensenrechtenschendingen en collectieve acties van bijvoorbeeld consumenten of verenigingen met een ideëel belang (klimaatacties). Ik gebruik diverse methoden: literatuur- en rechtspraakanalyse, interne en externe rechtsvergelijking en kwalitatief onderzoek (interviews, focusgroepen). 
Als nevenfunctie ben ik als voorzitter verbonden aan de Werkgroep Normering van De Letselschaderaad en ik geef als permanent docent les binnen de opleiding van de Letselschade Advocatuur. Daarnaast ben ik uiteraard enthousiast docent binnen de Master Privaatrecht, specialisatie Aansprakelijkheidsrecht van de Universiteit Utrecht. 

Marc Simon Thomas: Ik ben werkzaam als universitair hoofddocent Rechtssociologie bij de afdeling Staatsrecht, Bestuursrecht en Rechtstheorie (SBR). Tevens ben ik als onderzoeker verbonden bij het Montaigne Centrum voor Rechtsstaat en Rechtspleging. Ik ben jurist en antropoloog en mijn promotieonderzoek betrof een rechstantropologische studie naar lokale vormen van conflictoplossing in een inheemse gemeenschap hoog in het Andes-gebergte van Ecuador. Momenteel verricht ik mijn kwalitatief-empirische onderzoek in Nederland, waarbij ik geïnteresseerd ben alternatieve vormen van conflictoplossing – en dan met name in mediation – en in maatschappelijk effectieve rechtspraak (MER). In de Bachelor doceer ik de rechtstheoretische vakken Grondslagen van recht en Perspectieven op recht en ik geef het rechtssociologische keuzevak Toegang tot het recht. Mijn onderzoek binnen ERI betreft een longitudinaal, empirisch onderzoek naar een MER-experiment met een community court in Rotterdam: Wijkrechtspraak op Zuid.

Jasper Sluijs

Jasper Sluijs: I am assistant professor in European Competition law and work at the intersection of legal research and experimental economics. My research aims to investigate empirically the need for regulatory or judiciary intervention regarding new types of competition on markets. I do this by means of experiments: a methodology in which participants behave like market actors and interact with each other on simulated markets. These experiments are ex-ante evaluations, as an alternative to a-priori normative conclusions.  Outcomes of these experiments can provide a foundation for follow-up doctrinal legal research to recommend a legislative or judiciary response.

Dr. Lorena Sosa

Lorena Sosa: I am an Assistant Professor with The Netherlands Institute of Human Rights (SIM) and a researcher with UCERF. My research explores the inclusiveness of human rights law in relation to gender, sexual orientation, gender identity/expression, and sex characteristics, in the realms of violence, and equality and non-discrimination. I often use multi-level case-study designs and empirical methods for legal analysis, in addition to (qualitative) empirical research. Given my interaction with minorities and groups in vulnerable situations, research ethics are also central to my research. My ERI research project is inspired by my current VENI project on violence against trans and intersex individuals, which indicates that their personal experiences of violence often begin with conflicts between them and their parents during childhood. Solving these conflicts early on becomes decisive for children’s future. Under the ERI programme, I will explore to what extent different parent-child conflict-resolution approaches meet the demands and experiences of the trans and intersex collective, and make proposals for legal and institutional reform.

Daan van Uhm

Daan van Uhm: Ik ben universitair docent Criminologie aan het Willem Pompe Instituut voor Strafrecht en Criminologie. Ik doe onderzoek naar verschillende vormen van milieucriminaliteit, zoals grensoverschrijdende handel in wilde dieren, ontbossing en houthandel in Zuidoost-Azië, illegale mijnbouw in Latijns-Amerika en de illegale handel in honden in Europa, en assisteerde daarbij in verschillende rechtszaken. Ik promoveerde in 2016 aan de Universiteit Utrecht op Criminologie (The Illegal Wildlife Trade: Inside the World of Poachers, Smugglers and Traders, Springer). In 2018 ontving ik de prestigieuze Veni-beurs van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) voor zijn onderzoeksproject: 'The Diversification of Organised Crime into the Illegal Trade in Natural Resources'. Ik richt me primair op onderzoek in het kader van groene misdaden en schade.

Gentrita Bajrami

Gentrita Bajrami: We are witnessing a rising trend towards a wholesale shift in the resolution of civil disputes out of the public realm and into private dispute resolution mechanisms. Conflicts that once used to be resolved by authoritative judges sitting in courtrooms, are now being decided away from courts with the help of alternative dispute resolution mechanisms. In the face of civil justice becoming increasingly privatised, countries have begun to explore new ways in which they hope to maintain the relevancy of traditional court proceedings and the judicial system as we know it. As a PhD candidate affiliated with the Montaigne Centre for Rule of Law and Administration of Justice of the Faculty of Law, Economics and Governance, my research examines institutions for conflict resolution under a rapidly changing rule of law framework. The focus of my doctoral research lies on the role of courts and their societal effectiveness in relation to private and/or digital alternatives for conflict resolution, such as mediation, arbitration, and online dispute resolution (ODR).

Tekla Beekhuis

Tekla Beekhuis: Als promovenda ben ik verbonden aan het Willem Pompe Instituut voor Strafrechtswetenschappen, Ucall en ERI. Mijn promotieonderzoek gaat over de verplichtingen op grond van de Wet ter voorkoming van witwassen en het financieren van terrorisme (Wwft) tot het doen van cliëntenonderzoek en het melden van ongebruikelijke transacties door banken, accountants en notarissen (poortwachters). De focus ligt op de beoordeling van de strafrechtelijke en bestuursrechtelijke aansprakelijkheid van de poortwachters in het licht van de juridische en praktische (on)mogelijkheden die zij ervaren bij de naleving van genoemde Wwft-verplichtingen. Hierbij maak ik gebruik van zowel klassiek-juridisch als empirisch onderzoek. 

Stijn van Deursen

Stijn van Deursen: Na mijn bachelor (Utrecht Law College) en master (Legal Research Master) in Utrecht te hebben afgerond, ben ik sinds 1 februari 2020 als promovendus aan het ERI onderzoekscluster verbonden. Ik doe empirisch en rechtsvergelijkend onderzoek naar de betekenis van macro-effecten en maatschappelijke neveneffecten binnen het aansprakelijkheidsrecht en bestuursrecht. Het gaat daarbij in beginsel om de niet-juridische effecten van rechterlijke uitspraken, voor niet bij een procedure betrokken partijen. Meer in het bijzonder spitst mijn onderzoek zich toe op de vraag hoe, wanneer en waarom rechters in deze rechtsgebieden met dergelijke aspecten rekening houden en – als dat het geval is – hoe zij daarover in hun uitspraken motiveren. Eerder ben ik betrokken geweest bij verschillende onderzoeksprojecten van de Universiteit Utrecht, onder meer over de juridische aspecten van algoritmische besluitvorming en over Chinees-Europese universitaire samenwerkingen.

Han Gulyás: I am an Assistant Professor with the Molengraaff Instituut. My focus is on the valuation of companies, which means I conduct research into how much a company or a block of shares is worth. My ERI research project is about the safeguards the law provides when a judge decides upon conflicts that concern the valuation of shares of private limited companies, with a particular emphasis on the role that valuation experts play in such proceedings. The private character of a private limited company results in the situation where transferring such shares is difficult. This often results in conflicts about the price of the shares where a shareholder would like to exit the company, let alone the situation where shareholders already have a conflict about other matters. The main question here is which price is ‘fair’ for shares that are sold in such conflict situations. This question is frequently decided upon by a judge as supported by a report of a valuation expert. My ERI research project looks at whether Dutch law, given the key role of valuation experts for the judicial decision of share valuations, has sufficient safeguards to ensure parties obtain a ‘fair’ price when ending conflicts within private limited companies. In addition to providing the legal framework for such share valuations, the ERI research project includes empirical studies involving the main stakeholders for valuations. These stakeholders are valuation experts, lawyers, and judges. The ERI research can be seen as a follow-up of my PhD research at the Radboud University Nijmegen. Prior to joining Utrecht University in 2021, I finished my PhD at the Radboud University Nijmegen. My PhD concerns the valuation of publicly traded companies from the perspective of price data.

Annelies Hommes: "As a PhD student, I have been affiliated with the Empirical Research into Institutions for Conflict Resolution (ERI) research cluster, the Montaigne Center for Rule of Law and Justice and the Willem Pompe Institute for Criminal Justice Sciences since August 2021. My PhD research focuses on the needs of victims regarding the exercise of their right to speak in the criminal process. The increasing expansion of the right to speak for victims of crime in criminal proceedings suggests that there is a need for this among those entitled to speak. Whether this is actually the case, however, is unclear: since the introduction of the right to speak in 2005, only a single study has examined victims' needs regarding the exercise of the right to speak in criminal proceedings. The aim of my research is to find out, on the basis of systematic empirical-legal research, what these needs are and to what extent the right to speak in its current form meets those needs of victims. The research is supervised by Prof. François Kristen (supervisor, Professor of Criminal Law and Criminal Procedure) and Dr. Michèlle Bal (co-supervisor, Associate Professor of Interdisciplinary Social Science)."

Deborah Nidel

Deborah Nidel: Ik ben als promovendus verbonden aan het Willem Pompe Instituut voor Strafrechtswetenschappen, RENFORCE en ERI. Mijn promotieonderzoek gaat over gemeenschappelijke onderzoeksteams (‘joint investigation teams’, JITs), een vorm van juridische samenwerking tussen EU-lidstaten onderling, of tussen een EU-lidstaat en een niet-lidstaat, in geval van grensoverschrijdende criminaliteit. Ik ga onderzoeken hoe de belangen van autoriteiten, verdachten en slachtoffers worden gewogen binnen een JIT.

Sofie Oosterhuis: Mijn promotieonderzoek gaat over de Boards of Appeal van Europese Unie agentschappen. Aangezien steeds meer agentschappen bindende besluiten kunnen nemen, worden de Boards of Appeal steeds belangrijker voor de bescherming van de rechten van private partijen en de verdere ontwikkeling van rechtsbescherming binnen de EU.  Hoewel de Boards of Appeal onderdeel zijn van de agentschappen, lijken ze steeds meer te worden gezien als onderdeel van de Europese rechterlijke macht. Tegelijkertijd kunnen zij niet dezelfde waarborgen bieden en lijkt er meer van hun procedures te worden verwacht. Mijn onderzoek richt zich op de vraag op welke manier deze bezwaarprocedures moeten worden ingericht om aan hun verwachtingen te kunnen voldoen als een onafhankelijk, efficiënt en deskundig mechanisme voor conflictoplossing. Om deze vraag te kunnen beantwoorden zal gebruik worden gemaakt van juridisch-dogmatisch en empirisch onderzoek om zo een volledig beeld te krijgen hoe deze Boards of Appeal functioneren en hoe ze zouden moeten functioneren.

Marlou Overheul

Marlou Overheul: Mijn onderzoek gaat over alternatieve compensatiesystemen voor beroepsziekten. Het doel is om met zowel juridisch als empirisch-juridisch onderzoek een bijdrage te leveren aan het wetenschappelijk en maatschappelijk debat over het functioneren en de wenselijkheid van alternatieve compensatiesystemen. Hierbij staat de vraag centraal wat de rechtspositie van de benadeelde in een alternatief compensatiesysteem voor beroepsziekten is en in hoeverre die rechtspositie wordt gewaarborgd, gelet op het aansprakelijkheids-, schadevergoedings- en procesrecht alsmede de ervaringen van benadeelden. De twee compensatieregelingen die in het leven zijn geroepen voor schade door Chroom-6 dienen hierbij als gevalsstudies.

Devita Kartika Putri:  "My research fields are Criminal Law, Transnational Criminal Law, International Criminal Law, Terrorism, Violent Extremism, and Human Rights." 

Jacob van der TangBenadeelden en hun belangenorganisaties maken bij collectieve acties steeds meer gebruik van financiering door derden. Er is onvoldoende duidelijkheid over de wijze waarop dit plaatsvindt. Verder is er nog geen beoordelingskader waarmee rechters vergoedingen aan financiers kunnen toetsen. Mijn onderzoek richt zich daarom op externe financiering van met name massaschadeclaims. Dit fenomeen wordt belicht vanuit juridisch-dogmatisch, empirisch en rechtsvergelijkend perspectief. Het doel is om daarmee een fundamentele bijdrage te leveren aan de ontwikkeling van financiering van collectief schadeverhaal.

Max VetzoAls ERI-onderzoeker verricht ik promotieonderzoek naar de staatsrechtelijke rol van de Nederlandse rechter. Dat doe ik tegen de achtergrond van de opmars van politiek gevoelige rechtszaken met een sterk partij-overstijgend karakter, die ik in mijn onderzoek aanduid als gevallen van Nederlandse rechtspraak met een constitutionele dimensie. Actuele voorbeelden daarvan zijn er in overvloed. Van de Urgenda-zaak tot procedures over de coronamaatregelen en van rechtszaken over het terughalen van IS-strijders tot vonnissen over de rechtmatigheid van algoritmische surveillancesystemen. Door middel van systematische rechtspraakanalyse, rechtsvergelijking en de bestudering van constitutionele theorieën over de rol van de rechter probeer ik vorm te geven aan de (door)ontwikkeling van ‘constitutioneel procesrecht’: de staatsrechtelijke normering van procesrechtelijke kwesties. Denk daarbij bijvoorbeeld aan de vraag of de rechter zich soms niet inhoudelijk uit zou moeten laten over een rechtszaak vanwege het ‘politieke’ karakter daarvan, of de vraag welke ruimte de rechter aan de wetgever moet laten wanneer hij heeft geconstateerd dat een wet in strijd is met mensenrechten.  Met mijn onderzoek hoop ik het staatsrechtelijke perspectief op belangwekkende rechterlijke procedures verder te ontwikkelen om zo bij te dragen en het toekomstbestendig vormgeven van de rol van de Nederlandse rechter.

Anouk Wouters

Anouk Wouters: Mijn onderzoek staat in het teken van de vraag of mogelijk een rol voor de Nederlandse overheid is weggelegd bij de afwikkeling van massaschade van consumenten. Op dit moment speelt de Nederlandse overheid geen rol in de afwikkeling van concrete gevallen van massaschade van consumenten, maar stelt zij ‘slechts’ de spelregels (lees: het wettelijk kader) vast waarbinnen de markt vervolgens haar werk kan doen. Een blik over de grenzen laat zien dat alternatieve systemen denkbaar zijn. In dit verband kan allereerst worden gedacht aan een systeem waarbij de overheid private partijen steunt bij hun rol in de afwikkeling van massaschade, bijvoorbeeld door hen te subsidiëren. Een verdergaande variant zou eruit kunnen bestaan dat een partij zoals de toezichthouder een directe rol speelt bij de afwikkeling van massaschade, door bijvoorbeeld te procederen of te onderhandelen over een schadevergoeding voor benadeelden.