Over ons

Het trekkersteam van ERI bestaat uit: 

Expertise van de onderzoekers

Rianka Rijnhout: Mijn onderzoek spitst zich toe op de afwikkeling van schade van personen. Welke moeilijkheden worden ervaren bij schadeverhaal door gedupeerden en instituties? Hoe zou collectieve schade moeten worden afgewikkeld? Hoe wikkelt men schade af in het buitenland? En zouden andere (alternatieve) schadeafwikkelingssystemen in de praktijk beter werken dan de klassieke route voor schadeverhaal: het aansprakelijkheidsrecht? In mijn onderzoek sta ik met name stil bij maatschappelijk relevante thema’s, waarbij het telkens gaat om kwetsbare gedupeerden: afwikkeling van letselschade, afwikkeling van mijnbouwschade, mensenrechtenschendingen en collectieve acties van bijvoorbeeld consumenten of verenigingen met een ideëel belang (klimaatacties). Ik gebruik diverse methoden: literatuur- en rechtspraakanalyse, interne en externe rechtsvergelijking en kwalitatief onderzoek (interviews, focusgroepen). 
Als nevenfunctie ben ik als voorzitter verbonden aan de Werkgroep Normering van De Letselschaderaad en ik geef als permanent docent les binnen de opleiding van de Letselschade Advocatuur. Daarnaast ben ik uiteraard enthousiast docent binnen de Master Privaatrecht, specialisatie Aansprakelijkheidsrecht van de Universiteit Utrecht. 

Dr. Sonja Bekker

Sonja Bekker: "Ik onderzoek arbeidsmarkt en sociaal beleid in een Europese context. Vaak schrijf ik over zogenoemde 'atypische' werknemers, zoals werknemers met een tijdelijk contract, deeltijdwerkers, jongeren of mensen die met hun baan niet genoeg verdienen om boven de armoedegrens uit te komen. Zij hebben vaak een kwetsbare positie op de arbeidsmarkt. De Europese dimensie beslaat Europese coordinatie van nationaal sociaal beleid, zoals bijvoorbeeld gebeurt in het kader van het Europees Semester. In mijn onderzoek combineer ik graag disciplines, al dan niet door samen te werken met juristen, sociologen en politicologen."

Kees van den Bos: Mijn onderzoeksprogramma bestudeert fundamentele vragen over het ervaren van (on)rechtvaardigheid, moraliteit, vertrouwen, spanningen tussen groepen en culturen, pro-sociaal gedrag en radicalisering, extremisme en terrorisme. Inzichten die voortvloeien uit zijn fundamentele onderzoek worden toegepast in belangrijke maatschappelijke contexten, in het bijzonder op het gebied van het recht, sociaal conflict en de samenleving. Onderwerpen die mijn collega's en ik bestuderen zijn onder meer de kwestie van een eerlijke behandeling ('ervaren procedurele rechtvaardigheid') in interacties tussen burgers en de overheid, de rol van bedreigde groepen in terrorisme en radicaal gedrag, en de psychologische processen die leiden tot vertrouwen of wantrouwen in de overheid en andere belangrijke maatschappelijke instellingen zoals het rechtssysteem. Ik coach studenten en stafleden op het gebied van empirische rechtswetenschap (mail me als je hierover een afspraak wilt maken: [k.vandenbos@uu.nl]k.vandenbos@uu.nl). Ik heb over het verrichten van Empirical Legal Research een boek geschreven dat in augustus 2020 uitkomt bij Edward Elgar (en later in Nederlandse vertaling bij Boom juridisch).

Lydia Dalhuisen

Lydia Dalhuisen: I am a lawyer and psychologist and I work as assistant professor of forensich psychiatry and psychology at the Willem Pompe Institute for Criminal Law and Criminology. As a researcher I am affiliated with the Utrecht Center for Accountability and Liability Law (UCALL). I am also affiliated with the Forensic Psychiatric Clinic in Assen where I study the implementation of a treatment program for arsonists. My research focuses on forensic behavioral themes such as arson and the role of victims within forensic psychiatry. Within ERI I investigate victim-offender contact during a TBS treatment.  

Emanuel van Dongen

Emanuel van Dongen: Ik ben werkzaam als universitair docent privaatrecht bij het Molengraaff Instituut voor Privaatrecht. Tevens ben ik verbonden als onderzoeker aan Ucall en aan het Montaigne Centrum. In mijn onderwijs en onderzoek benader ik het recht niet alleen vanuit een dogmatisch perspectief naar het (privaatrecht)recht kijk, maar ook vanuit de context van andere domeinen. Hierdoor zijn mijn publicaties niet beperkt tot het privaatrecht, maar hebben ze een bredere reikwijdte. Mijn ‘law and’-benadering past bij mijn brede achtergrond, die ligt op het gebied van privaatrecht, rechtsgeschiedenis en methodologie. Binnen ERI verricht ik een vergelijkend-empirische studie naar misbruik van (proces)recht.

Hanneke van Eijken, Foto: Robert Oosterbroek

Hanneke van Eijken: Ik ben universitair docent en onderzoeker Europees recht. Mijn onderzoeksthema's zijn: Europees burgerschap, bevoegdheidsverdeling, het vrije verkeer, democratie en grondrechten. Binnen Empirisch juridisch onderzoek en conflict oplossende instituties (ERI) zal ik mij bezighouden met empirisch onderzoek naar het Europees recht en zich richten op Europees burgerschap en rechterlijke toetsing in Europa. Mijn focusgebieden zijn het Europees burgerschap, vrij verkeer en grondrechtenbescherming. Hoe gaat de rechter om met de rechten van het kind in Europees burgerschapszaken? Hoe worden vrijheden beperkt van EU burgers om te reizen en te verblijven in andere lidstaten?

Marion Evers

Marion Evers: Na het afronden van de HR-bachelor Personeelwetenschappen aan de Universiteit van Tilburg heb ik de gecombineerde master Labour Law and Employment relations afgerond. Deze combineert aspecten van HR, sociaal beleid en (Europees) arbeidsrecht. Vanuit deze achtergrond ben ik momenteel als onderzoeker verbonden aan het Europese ‘Working, Yet Poor’ project, een internationaal onderzoek naar armoede onder werkenden.

Julie Fraser

Julie Fraser: I am an Assistant Professor with The Netherlands Institute of Human Rights (SIM) and a researcher with the Montaigne Centre where I focus on human rights and transitional justice. My ERI research project looks at the role of Islamic law in cases before the International Criminal Court, in particular the case from the situation in Mali: The Prosecutor v Al Hassan. From the perspective of legal pluralism, my research examines the relationship between Islamic law and international criminal law and seeks to investigate their interaction within the context of international criminal justice. In addition to traditional legal desk research, this project will include empirical studies involving stakeholders at the International Criminal Court. This builds upon the empirical studies in my PhD  which won the Max van der Stoel Prize for human rights in 2019. Prior to joining Utrecht University, I worked at the International Criminal Court in The Hague for almost two years.

laura henderson

Laura Henderson: Ik ben universitair docent Internationaal en Europees Recht. Een toekomstbestendige rechtsstaat moet adequaat omgaan met de onzekerheid die de uitdagingen van de 21e eeuw kenmerken. Ik zal empirisch onderzoeken in hoeverre de huidige tactieken voor het omgaan met empirische onzekerheid binnen de juridische besluitvorming voldoende robuust zijn voor deze hedendaagse uitdagingen. Om deze vraag te beantwoorden, zal ik een benadering van meerdere casestudy’s gebruiken die gebaseerd is op een theoretisch replicatieontwerp om te bestuderen hoe rechtbanken omgaan met empirische onzekerheid in de 21e eeuw. Ik streef er specifiek naar om inzicht te krijgen in de verschillende soorten empirische onzekerheid waarmee rechtbanken worden geconfronteerd en de tactieken die ze gebruiken om deze onzekerheid te verminderen.

pauline-jacobs

Pauline Jacobs: Ik ben werkzaam als universitair docent straf(proces)recht bij het Willem Pompe Instituut. Tevens ben ik verbonden als onderzoeker aan het Montaigne Centrum. In mijn onderwijs en onderzoek houd ik mij met name bezig met straf(proces)recht en mensenrechten en het penitentiaire recht (het recht dat betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van straffen en maatregelen). Binnen ERI verricht ik onderzoek naar kwetsbare gedetineerden, meer specifiek transgender gedetineerden. 

Manon Julicher

Manon Julicher: Ik ben universitair docent staatsrecht bij de afdeling Staatsrecht, bestuursrecht en rechtstheorie. Als onderzoeker ben ik verbonden aan het Montaigne Centrum voor Rechtsstaat en Rechtspleging en het onderzoekscluster ERI. Binnen ERI houd ik mij bezig met de Grondwet. Ik ga onderzoeken welke functie de Grondwet heeft volgens verschillende groepen in de samenleving (bijv. studenten, docenten op middelbare scholen, rechters en Kamerleden). En hoe de Grondwet er in lijn met deze functie uit moet zien. Voldoet de huidige Grondwet aan de wensen? Of dient deze gewijzigd te worden? Zo ja, op welke onderdelen dan? Over het doel en de functie van de Grondwet is van oudsher veel discussie. Bijvoorbeeld over de vraag of de Grondwet een richtinggevende functie moet hebben als er conflicten of problemen in de samenleving zijn. Of de vraag of de Grondwet een ‘identiteitsbepaler’ moet zijn en ook in het onderwijs moet kunnen worden gebruikt om de waarden van de democratische rechtsstaat te leren kennen. Of is het voldoende als de Grondwet sober is, alleen gaat over de basisregels van onze staatsinrichting, en hier geen enkele samenbindende werking vanuit gaat? Met deze en andere vragen over de Grondwet zal ik mij de komende tijd bezighouden.

Machiko Kanetake

Machiko Kanetake: I am Assistant Professor of Public International Law. At Utrecht University, I assume various responsibilities, including a member of the Management Board of the Utrecht Centre for Regulation and Enforcement in Europe (RENFORCE). Among a number of external responsibilities, I serve as an Editorial Board member of the Leiden Journal of International Law and a convenor for the Interest Group on International Courts and Tribunals within the European Society of International Law. Within ERI, my research focus lies in the regional human rights courts' engagement (particularly the ECtHR) with UN human rights treaty-monitoring bodies. My project analyses the extent to which the regional human rights courts accept, or even contest, the interpretations put forward by the treaty bodies on a set of human rights norms commonly prescribed by the regional and international human rights treaties.

Thomas Riesthuis

Thomas Riesthuis: Ik ben universitair docent Rechtstheorie. Rechtsfilosofen zijn het grotendeels eens over het feit dat de rechter in uitzonderlijke gevallen niet enkel en alleen op basis van het recht kan rechtspreken. Deze gevallen worden ook wel moeilijke gevallen genoemd. Rechtsfilosofen verschillen met elkaar van mening over hoe vaak moeilijke gevallen in de rechtspraktijk voorkomen en hoe een rechter in deze gevallen tot een rechterlijk oordeel komt. Rechtstheorieën bieden verschillende verklaringen waarom rechters geconfronteerd worden met moeilijke gevallen en hoe rechters moeilijke gevallen oplossen. Echter, deze rechtstheorieën zijn vaak gebaseerd op algemene aannames en intuïties over ons recht; niet op empirische data. In dit project onderzoek ik daarom of theorieën over rechtsvinding overeenkomen met de percepties en ervaringen van Nederlandse feitenrechters. In mijn onderzoeksproject verken ik in hoeverre rechtstheorieën die als doel hebben om te verhelderen hoe rechters moeilijke gevallen oplossen, aansluiten bij de percepties en ervaringen die Nederlandse feitenrechters hebben ten aanzien van rechtsvinding. Het project is een eerste verkenning toegespitst op rechtsvindingproblemen in EVRM-zaken waar rechters in rechtbanken mee worden geconfronteerd. Op basis van interviews zal in kaart worden gebracht in welke mate theorieën over rechtsvinding de praktijk van rechtsvinding in EVRM-zaken daadwerkelijk kunnen verhelderen.

Jasper Sluijs

Jasper Sluijs: I am assistant professor in European Competition law and work at the intersection of legal research and experimental economics. My research aims to investigate empirically the need for regulatory or judiciary intervention regarding new types of competition on markets. I do this by means of experiments: a methodology in which participants behave like market actors and interact with each other on simulated markets. These experiments are ex-ante evaluations, as an alternative to a-priori normative conclusions.  Outcomes of these experiments can provide a foundation for follow-up doctrinal legal research to recommend a legislative or judiciary response.

Daan van Uhm

Daan van Uhm: Ik ben universitair docent Criminologie aan het Willem Pompe Instituut voor Strafrecht en Criminologie. Ik doe onderzoek naar verschillende vormen van milieucriminaliteit, zoals grensoverschrijdende handel in wilde dieren, ontbossing en houthandel in Zuidoost-Azië, illegale mijnbouw in Latijns-Amerika en de illegale handel in honden in Europa, en assisteerde daarbij in verschillende rechtszaken. Ik promoveerde in 2016 aan de Universiteit Utrecht op Criminologie (The Illegal Wildlife Trade: Inside the World of Poachers, Smugglers and Traders, Springer). In 2018 ontving ik de prestigieuze Veni-beurs van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) voor zijn onderzoeksproject: 'The Diversification of Organised Crime into the Illegal Trade in Natural Resources'. Ik richt me primair op onderzoek in het kader van groene misdaden en schade.

Gentrita Bajrami

Gentrita Bajrami: We are witnessing a rising trend towards a wholesale shift in the resolution of civil disputes out of the public realm and into private dispute resolution mechanisms. Conflicts that once used to be resolved by authoritative judges sitting in courtrooms, are now being decided away from courts with the help of alternative dispute resolution mechanisms. In the face of civil justice becoming increasingly privatised, countries have begun to explore new ways in which they hope to maintain the relevancy of traditional court proceedings and the judicial system as we know it. As a PhD candidate affiliated with the Montaigne Centre for Rule of Law and Administration of Justice of the Faculty of Law, Economics and Governance, my research examines institutions for conflict resolution under a rapidly changing rule of law framework. The focus of my doctoral research lies on the role of courts and their societal effectiveness in relation to private and/or digital alternatives for conflict resolution, such as mediation, arbitration, and online dispute resolution (ODR).

Tekla Beekhuis

Tekla Beekhuis: Als promovenda ben ik verbonden aan het Willem Pompe Instituut voor Strafrechtswetenschappen, Ucall en ERI. Mijn promotieonderzoek gaat over de verplichtingen op grond van de Wet ter voorkoming van witwassen en het financieren van terrorisme (Wwft) tot het doen van cliëntenonderzoek en het melden van ongebruikelijke transacties door banken, accountants en notarissen (poortwachters). De focus ligt op de beoordeling van de strafrechtelijke en bestuursrechtelijke aansprakelijkheid van de poortwachters in het licht van de juridische en praktische (on)mogelijkheden die zij ervaren bij de naleving van genoemde Wwft-verplichtingen. Hierbij maak ik gebruik van zowel klassiek-juridisch als empirisch onderzoek. 

Stijn van Deursen

Stijn van Deursen: Na mijn bachelor (Utrecht Law College) en master (Legal Research Master) in Utrecht te hebben afgerond, ben ik sinds 1 februari 2020 als promovendus aan het ERI onderzoekscluster verbonden. Ik doe empirisch en rechtsvergelijkend onderzoek naar de betekenis van macro-effecten en maatschappelijke neveneffecten binnen het aansprakelijkheidsrecht en bestuursrecht. Het gaat daarbij in beginsel om de niet-juridische effecten van rechterlijke uitspraken, voor niet bij een procedure betrokken partijen. Meer in het bijzonder spitst mijn onderzoek zich toe op de vraag hoe, wanneer en waarom rechters in deze rechtsgebieden met dergelijke aspecten rekening houden en – als dat het geval is – hoe zij daarover in hun uitspraken motiveren. Eerder ben ik betrokken geweest bij verschillende onderzoeksprojecten van de Universiteit Utrecht, onder meer over de juridische aspecten van algoritmische besluitvorming en over Chinees-Europese universitaire samenwerkingen.

Deborah Nidel

Deborah Nidel: Mijn promotieonderzoek gaat over de vraag hoe de effectiviteit van gemeenschappelijke onderzoeksteams (‘joint investigation teams’, JITs) kan worden verbeterd. Deze teams zijn een vorm van juridische samenwerking tussen EU-lidstaten onderling, of tussen een EU-lidstaat en een niet-lidstaat, in geval van grensoverschrijdende criminaliteit. Hoewel bij hun introductie in de Europese rechtsorde werd gedacht dat JITs veel toegevoegde waarde zouden hebben voor grensoverschrijdend onderzoek, is het gebruik ervan tot nu toe tegengevallen. Ik wil onderzoeken hoe het komt dat de theoretische voordelen van JITs zich niet vertalen in veelvuldig gebruik in de praktijk. Daarbij zal ik onder andere empirisch onderzoek doen naar de ervaringen van verschillende actoren die betrokken zijn bij het opzetten en functioneren van een JIT. Ik ben verbonden aan het Willem Pompe Instituut voor Strafrechtswetenschappen, RENFORCE en ERI.

Laura van Oploo

Laura van Oploo: Ik ben als universitair docent Straf(proces)recht verbonden aan het Willem Pompe Instituut. Mijn onderzoek bevindt zich op het grensvlak van de (culturele, forensische) psychiatrie en psychologie en het straf(proces)recht. In 2021 promoveerde ik op een onderzoek naar culturele overwegingen in gedragskundige adviezen aan de rechter over verdachten. Binnen ERI doe ik onderzoek naar aan cultuur en migratie gerelateerde bias in (forensische) risicotaxatie-instrumenten.

Sofie Oosterhuis

Sofie Oosterhuis: Na het afronden van de Legal Research master aan de Universiteit Utrecht, ben ik sinds 1 maart 2021 verbonden als promovenda aan ERI, RENFORCE en SBR. Mijn promotieonderzoek gaat over de positie en het functioneren van Boards of Appeal van Europese agentschappen binnen de Europese Unie. Omdat hier nog veel onduidelijkheden over bestaan, doe ik een rechtsvergelijkend onderzoek naar vergelijkbare bestuursrechtelijke voorprocedures uit verschillende nationale contexten. Om een beter begrip te krijgen van deze procedures, wordt naast een juridisch-dogmatisch perspectief ook een empirisch perspectief gebruikt.

Marlou Overheul

Marlou Overheul: Mijn onderzoek gaat over alternatieve compensatiesystemen voor beroepsziekten. Het doel is om met zowel juridisch als empirisch-juridisch onderzoek een bijdrage te leveren aan het wetenschappelijk en maatschappelijk debat over het functioneren en de wenselijkheid van alternatieve compensatiesystemen. Hierbij staat de vraag centraal wat de rechtspositie van de benadeelde in een alternatief compensatiesysteem voor beroepsziekten is en in hoeverre die rechtspositie wordt gewaarborgd, gelet op het aansprakelijkheids-, schadevergoedings- en procesrecht alsmede de ervaringen van benadeelden. De twee compensatieregelingen die in het leven zijn geroepen voor schade door Chroom-6 dienen hierbij als gevalsstudies.

Jacob van der Tang

Jacob van der Tang: Benadeelden en hun belangenorganisaties maken bij collectieve acties steeds meer gebruik van financiering door derden. Er is onvoldoende duidelijkheid over de wijze waarop dit plaatsvindt. Verder is er nog geen beoordelingskader waarmee rechters vergoedingen aan financiers kunnen toetsen. Mijn onderzoek richt zich daarom op externe financiering van met name massaschadeclaims. Dit fenomeen wordt belicht vanuit juridisch-dogmatisch, empirisch en rechtsvergelijkend perspectief. Het doel is om daarmee een fundamentele bijdrage te leveren aan de ontwikkeling van financiering van collectief schadeverhaal.

Max Vetzo

Max Vetzo: Als ERI-onderzoeker zal ik promotieonderzoek verrichten naar de rol van de rechter in politiek gevoelige rechtszaken met een staatsrechtelijke dimensie. Onder de noemer ‘constitutioneel procesrecht’ richt mijn onderzoek zich op het ontwikkelen van handvatten aan de hand waarvan de rechter beslissingen kan nemen in deze categorie aan rechtszaken die in Nederland aan een opvallende opmars bezig is. Daarbij zal ik veel putten uit rechtsvergelijkende inzichten en staatsrechttheorie. Zo probeer ik met mijn onderzoek bij te dragen aan het toekomstbestendig vormgeven van de constitutionele rol van de rechter in het Nederlandse staatsbestel.
 

Anouk Wouters

Anouk Wouters: Mijn onderzoek staat in het teken van de vraag of mogelijk een rol voor de Nederlandse overheid is weggelegd bij de afwikkeling van massaschade van consumenten. Op dit moment speelt de Nederlandse overheid geen rol in de afwikkeling van concrete gevallen van massaschade van consumenten, maar stelt zij ‘slechts’ de spelregels (lees: het wettelijk kader) vast waarbinnen de markt vervolgens haar werk kan doen. Een blik over de grenzen laat zien dat alternatieve systemen denkbaar zijn. In dit verband kan allereerst worden gedacht aan een systeem waarbij de overheid private partijen steunt bij hun rol in de afwikkeling van massaschade, bijvoorbeeld door hen te subsidiëren. Een verdergaande variant zou eruit kunnen bestaan dat een partij zoals de toezichthouder een directe rol speelt bij de afwikkeling van massaschade, door bijvoorbeeld te procederen of te onderhandelen over een schadevergoeding voor benadeelden.