Psycholinguïst Frank Wijnen

Prof. dr. Frank Wijnen is hoogleraar psycholinguïstiek, met een speciale interesse in taalverwerving en taalontwikkelingsstoornissen. Zijn onderzoeksgroep richt zich op de neurocognitieve grondslag van taalverwerving bij jonge kinderen. “Dat is een buitengewoon raadselachtig proces. Ik wil beter begrijpen hoe taal samenwerkt en voortbouwt op andere cognitieve vaardigheden.” Hier gaat hij mee aan de slag bij het thema De 1001 eerste dagen in het leven van een kind.

Foto: Ivar Pel
Foto: Ivar Pel

“Vrijwel alle kinderen verwerven min of meer vanzelf hun moedertaal. Dat is een ongestuurd proces,” vertelt Frank Wijnen. “Het enige wat je hoeft te doen is kinderen blootstellen aan taal.” Dit proces is allesbehalve simpel: je moedertaal leren is een samenspel tussen verschillende cognitieve processen in het brein. Hoe dat precies werkt is onontgonnen terrein voor de wetenschap. Wijnen: “Taalverwerving is een buitengewoon raadselachtig proces. Wij proberen te achterhalen welk cognitief mechanisme in het brein daarachter schuilt.”

De processen achter vroege taalverwerving

Frank Wijnens eigen interesse voor taalontwikkeling ontstond tijdens zijn studie psychologie: “Al voordat ik afstudeerde werd ik vader. Ik kreeg interesse voor ontwikkelingsprocessen. Straks gaat het kind praten, wat een bijzonder proces is dat, laat ik me daar eens in verdiepen.”

Sommige vaardigheden zitten in het brein ingebakken. Maar komt het dat de hersenen zo werken?

Net als in zijn eigen onderzoek staat taalontwikkeling centraal in het thema De 1001 eerste dagen in het leven van een kind. “En dan met name de cognitieve processen die daarachter zitten. Wij willen een beter en meer omvattend beeld krijgen van alle factoren die daar een rol in spelen, zoals aangeboren vaardigheden die een kind al heeft als het ter wereld komt.” Woorden leer je bijvoorbeeld onderscheiden door statistische patroonherkenning. “Dat zit in het brein ingebakken. Maar komt het dat de hersenen zo werken? Dat is weer een vraag voor biologen.”

Biologie en omgeving

Zelf bestudeert Wijnen taalontwikkeling door middel van gedragsonderzoek. “Dat willen we verbinden met onderzoek naar de ontwikkeling van het centraal zenuwstelsel en van de hersenen.” Alle ontwikkelingsprocessen zijn een interactie tussen je genetische bagage en je omgeving. Wijnen: “Aan de samenkomst van die biologische en omgevingsfactoren ligt een heel complex cognitief systeem ten grondslag. Wij willen proberen op te helderen hoe die twee onderdelen daarin ageren, en hoe het komt dat kinderen daarin verschillen.”

Een moeder en twee kleine kinderen met een tablet

Hoe een kind het taalontwikkelingstraject doorloopt is dus voor een deel een aanlegkwestie, maar wordt voor een groot deel bepaald door de taalrijkdom in de omgeving. “Hoe en hoeveel praten ouders tegen hun kinderen? Daar zitten grote verschillen in, die onder meer samenhangen met sociaaleconomische status. Dat taalaanbod is medebepalend voor het niveau dat kinderen bereiken als het gaat om woordenschat en taalvaardigheid in allerlei situaties.”

Verstoorde taalontwikkeling

Een Taalontwikkelingsstoornis (TOS) komt voor bij ongeveer 5% van de kinderen. “Zij komen laat op gang met het leren van hun moedertaal. De opbouw van hun woordenschat en het verwerven van grammatica gaan langzaam,” legt Wijnen uit.

MRI in het KinderKennisCentrum
MRI bij het YOUth-onderzoek

Kinderen met en zonder taalontwikkelingsstoornis met elkaar vergelijken kan veel kennis opleveren over de werking van de hersenen. “De vraag is: waardoor verloopt taalontwikkeling bij kinderen met TOS trager? Welk systeem in de hersenen is dan aangetast? Mijn onderzoeksgroep heeft met het UMC Utrecht Hersencentrum een eerste stap gezet door MRI-onderzoek bij schoolkinderen met deze aandoening. Hopelijk geeft dit thema ons de mogelijkheid om via het Wilhelmina Kinderziekenhuis ook naar jongere kinderen te kijken.” Bij het WKZ loopt een MRI-studie naar hersenontwikkeling rond de geboorte, als onderdeel van het YOUth-onderzoek.

Bruggen bouwen

Wijnen is nieuwsgierig naar het onderzoek met hersenorganoïden van zijn teamgenoot Jeroen Pasterkamp. “Ze laten kleine stukjes brein groeien in het lab. Die kun je gebruiken om te bekijken wat bepaalde stressoren, chemische of hormonale factoren doen in de ontwikkeling van het brein. Als we vervolgens vanuit de gedragswetenschap en de taalkunde naar hetzelfde verschijnsel kijken, dan hoop ik dat we een brug kunnen bouwen over het gat heen wat daar nu nog tussen zit.”

De taalontwikkelingsexpert ziet de samenwerking met andere disciplines als verrijkend. “Je gaat verbindingen zien die je aanvankelijk niet zag. Om het zwart-wit te stellen: ik was nooit zo geïnteresseerd in de effecten van omgevingsfactoren op taal. Maar als je omgevingsfactoren op een andere manier leert zien, wordt het ineens een ander verhaal. Het idee dat iets als voeding of stresshormonen invloed kunnen hebben op taalontwikkeling had ik nooit zo direct bedacht. Het is allemaal veel rijker dan ik me ooit had voorgesteld.”

De 1001 eerste dagen van Frank Wijnen
Frank Wijnen als baby
Frank Wijnen in zijn vroege jeugd

“Volgens mijn moeder was ik laat met praten. Toen ik het eenmaal kon, becommentarieerde ik alles wat ik zag, zoals het uiterlijk van mensen op straat en in de bus, soms tot grote gêne van mijn moeder.”

 

 

Frank Wijnen is tevens directeur van het Utrecht Institute of Linguistics OTS (onderzoeksinstituut voor taalwetenschap van de faculteit Geesteswetenschappen), en lid van de programmacommissie van Dynamics of Youth. Ook leidt hij een nieuwe studie naar kinderen met het 22q11.2 deletie syndroom, dat onder andere leidt tot een vertraagde taalontwikkeling op jonge leeftijd.