1. Ben ik nou een uitsteller of toch niet?

Studente met hoofd op tafel vol boeken.

Je had de hele middag willen studeren. Maar als je dan eindelijk achter je bureau zit met je laptop open, doe je eigenlijk niks. Je staat nog maar eens op, pakt wat te drinken, checkt je mail of googelt wat. Na een uurtje rommelen, gooi je je laptop dicht en besluit je dat je vandaag geen inspiratie hebt en ga je wat anders doen. Veel studenten beschrijven dat een middagje studeren zo kan verlopen. Het is makkelijk om dan de conclusie te trekken dat je nu eenmaal geen discipline hebt of een uitsteller bent. En tja, hoe kun je dat veranderen?

Wat is uitstelgedrag?

We spreken van uitstelgedrag als je wel een doel hebt, maar geen actie onderneemt om dat doel te bereiken. Je wilt bijvoorbeeld dat tentamen halen of die paper schrijven en op tijd inleveren, maar wat je daarvoor moet doen, de studieactiviteiten, stel je uit of doe je helemaal niet. Het gevolg is dat het doel niet gerealiseerd wordt of minder goed dan had gekund. Je haalt bijvoorbeeld net een 5,5 maar als je eerder was begonnen had je een hoger cijfer gehaald. En eigenlijk wil je dat ook wel eens. We spreken van uitstelgedrag als je je hier niet fijn bij voelt. Je hebt er last van dat het zo gaat en dat maakt dat je het zou willen veranderen.

Stel vast wat de oorzaak is

Of je een uitsteller bent, in de zin van een lastig te veranderen karaktereigenschap, is misschien niet eens het belangrijkste om te weten. Duidelijk is dat zo’n middag blijkbaar niet productief was. En hoe kun je daar nu mee omgaan? Wat kan helpen is om te onderzoeken of je op de volgende 4 vragen een antwoord kunt geven:

1. Weet ik wat ik moet doen?

De eerste vraag helpt om je doel te bepalen. Moet je bijvoorbeeld een tentamen voorbereiden of een paper inleveren? Is het je duidelijk waar dat tentamen precies over gaat en welke vragen je kunt verwachten? En weet je hoe lang je paper moet zijn, over welk onderwerp het moet gaan en waar het op wordt beoordeeld? 

2. Weet ik hoe ik dit moet aanpakken?

Weten wat je moet doen is belangrijk, zodat je kunt bepalen hoe je dit doel kunt realiseren. Bepaal je aanpak, door op een rij te zetten welke taken of activiteiten je moet uitvoeren. Weet je bijvoorbeeld hoe je efficiënt studeert voor een tentamen, of welke stappen je moet doorlopen bij het schrijven van een wetenschappelijke tekst?

3. Kan ik dit?

De derde vraag (kan ik dit?) is persoonlijker dan de wat- en hoe-vragen. Dit heeft te maken met onder andere jouw kennis en vaardigheden. En ook met je persoonlijke situatie. Heb jij daar nú tijd voor en ben je mentaal en fysiek fit genoeg om de activiteiten te gaan uitvoeren? Misschien moet er dan eerst aandacht aan iets anders besteed worden. Proberen een probleem op te lossen of eerst uit te rusten. Studeren vraagt wel een helder hoofd.

4. Wil ik dit?

Tot slot de vierde vraag, die gaat over motivatie. Wil je deze studietaken nu gaan uitvoeren? Vind je het bijvoorbeeld interessant of leuk om een onderwerp voor je paper te kiezen? Misschien dat niet, maar vind je het wel belangrijk genoeg om het doen. Of voelt het vooral als een verplichting?

Dus wat is het advies? Als je merkt dat het studeren niet lukt, pak dan deze vier vragen erbij, onderzoek waar het mee te maken kan hebben en ga daarmee aan de slag. Misschien vind je niet elke studietaak superleuk maar als je weet wat te doen en dat je dat op ook zich ook wel kunt, dan is de drempel alvast een stuk lager om te starten met studeren. Een uitsteller? Misschien niet dus!

TIP! Oefen individueel of met een gesprekspartner

Denk aan een situatie waarin je iets zou willen doen, maar het niet doet of er niet eens aan begint. Gebruik de vier vragen om helder te krijgen wat er aan de hand is. De juiste ‘diagnose’ helpt je om meer grip te krijgen op de situatie en brengt je wellicht een stap dichterbij de oplossing.

  • Waar hangt het op? Op het 1) wat; 2) hoe; 3) kunnen; of 4) willen?
  • Wat wordt je volgende stap?

Als je deze opdracht individueel doet, kan het geen kwaad om de antwoorden voor jezelf uit te schrijven. Als je de opdracht met een vriend(in), studiegenoot of familielid doet, is het leuk om elkaar te interviewen. In beide gevallen is het belangrijk dat je goed doorvraagt en jezelf of de ander uitdaagt om de antwoorden zo concreet mogelijk te maken. Een ja of nee is niet genoeg!