Studiekeuze begeleiden met oog voor het tienerbrein
“Ze kunnen nog geen goede studiekeuze maken, dat ligt aan hun tienerbrein.”
Het tienerbrein wordt vaak aangehaald om te verklaren waarom veel jongeren moeite hebben met keuzes voor hun toekomst. Daarbij wordt vooral gewezen op de prefrontale cortex: het deel van het brein dat betrokken is bij plannen, afwegen, vooruitdenken en keuzes maken. Dit hersengebied is tijdens de tienerjaren nog volop in ontwikkeling. Soms wordt dat gebruikt als argument om te stellen dat jongeren simpelweg nog niet klaar zijn om belangrijke keuzes te maken.
Dat beeld is te beperkt. De ontwikkeling van het tienerbrein is geen reden om jongeren keuzes uit handen te nemen of keuzeprocessen uit te stellen. Het laat juist zien hoe belangrijk goede begeleiding is. Jongeren staan midden in een fase waarin zij hun interesses, waarden, motivatie en toekomstbeelden verder vormen. Juist daarom hebben zij baat bij volwassenen die helpen om overzicht te creëren, ervaringen te ordenen, twijfel te normaliseren en keuzes stap voor stap bespreekbaar te maken.
In dit kennisdossier laten we zien wat de ontwikkeling van het tienerbrein betekent voor studiekeuze, en hoe mentoren, decanen en andere begeleiders jongeren daarbij concreet kunnen ondersteunen.
Wat weten we over de ontwikkeling van de prefrontale cortex?
De prefrontale cortex ligt vooraan in het brein, vlak achter het voorhoofd. Je kunt dit gebied zien als een soort regelcentrum. Het helpt bij functies die belangrijk zijn voor het maken van keuzes, zoals plannen, organiseren, impulsen remmen, informatie vasthouden en nadenken over jezelf (Blakemore & Choudhury, 2006).
De prefrontale cortex speelt onder andere een rol bij:
- Plannen en organiseren – bijvoorbeeld huiswerk maken, open dagen bezoeken of deadlines bewaken.
- Besluitvorming – opties vergelijken en gevolgen inschatten.
- Impulscontrole – niet meteen “ja” zeggen, maar eerst nadenken.
- Werkgeheugen – informatie vasthouden en gebruiken bij een keuze.
- Zelfreflectie – nadenken over wat je wilt, wat je kunt en wat bij je past.
Bij jongeren is de prefrontale cortex nog volop in ontwikkeling. Deze ontwikkeling loopt door tot ver in de twintig. Tegelijkertijd worden de verbindingen tussen verschillende hersengebieden sterker. Juist die verbindingen zijn belangrijk bij complexe keuzes, waarin niet alleen rationele afwegingen meespelen, maar ook emoties, motivatie, sociale verwachtingen en onzekerheid.
Onderzoek laat zien dat jongeren van ongeveer 15 à 16 jaar in rustige situaties al behoorlijk goed kunnen redeneren en afwegen. Het wordt lastiger wanneer keuzes gemaakt moeten worden onder druk, bij stress of wanneer er veel op het spel lijkt te staan. Ook situaties waarin emoties, verwachtingen van anderen en motivatie een grote rol spelen, kunnen voor jongeren ingewikkelder zijn (Icenogle & Cauffman, 2021). Bij zulke beslissingen zijn meerdere hersengebieden betrokken, terwijl de verbindingen tussen die gebieden nog in ontwikkeling zijn (Crone & Dahl, 2012).
Dat helpt verklaren waarom studiekeuze voor veel jongeren lastig is. Jongeren moeten hierbij nadenken over zichzelf, hun toekomst, verwachtingen van ouders of vrienden, onzekerheid over slagen of falen, praktische deadlines en soms prestatiedruk. Studiekeuze is dus geen simpele informatievraag, maar een complexe beslissing waarin veel processen samenkomen.
Tegelijkertijd biedt deze levensfase juist kansen. Crone en Dahl (2012) beschrijven adolescentie niet alleen als een periode van kwetsbaarheid, maar ook als een periode van sociale en motivationele gevoeligheid en flexibiliteit in doelen. Jongeren zijn nog volop bezig met het vormen van hun interesses, waarden en toekomstbeelden. Daardoor kan begeleiding in deze fase veel betekenen: niet door keuzes over te nemen, maar door jongeren te helpen ervaringen te verkennen, afwegingen te expliciteren en stap voor stap richting te geven aan hun keuzeproces.
Jongeren kunnen moeite hebben met het maken van een studiekeuze, maar juist dan is begeleiding waardevol.
Wat als we hier geen aandacht aan geven?
Als jongeren weinig begeleiding krijgen bij het keuzeproces, bestaat het risico dat zij hun studiekeuze uitstellen of juist te snel maken. Niet omdat zij niet kunnen kiezen, maar omdat het keuzeproces gemakkelijk onoverzichtelijk, spannend of te groot kan worden.
Veelvoorkomende valkuilen zijn:
- Uitstelgedrag
Jongeren onderschatten hoeveel tijd het keuzeproces kost en denken: “Ik heb nog genoeg tijd.” - Kiezen op basis van sociale verwachtingen
Jongeren laten zich sterk leiden door ouders, vrienden of klasgenoten, zonder voldoende stil te staan bij wat zij zelf willen. - Keuzestress
Door het grote aantal opties raken jongeren overweldigd en durven zij geen besluit te nemen. - Te snel kiezen om onzekerheid te vermijden
Jongeren kiezen een studie om van de twijfel af te zijn, zonder voldoende stil te staan bij zichzelf, hun interesses en hun toekomstbeeld.
Wat betekent dit voor studiekeuzebegeleiding?
Voor jongeren is het belangrijk dat het keuzeproces concreet, overzichtelijk en herhaaldelijk aandacht krijgt. Denk aan het bespreken van open dagen in de klas, het vergelijken van studies met klasgenoten, het maken van een planning of een gesprek met de mentor over interesses, kwaliteiten en twijfels.
Ogenschijnlijk eenvoudige activiteiten kunnen veel betekenen. Ze helpen jongeren om grip te krijgen op een proces dat anders groot en abstract kan blijven. De kracht zit daarbij in structuur, variatie en herhaling: niet één groot keuzemoment, maar meerdere kleine momenten waarop jongeren informatie verzamelen, ervaringen bespreken en betekenis geven aan wat zij ontdekken.
Studiekeuzebegeleiding gaat daarmee niet alleen over het vinden van de juiste opleiding. Het gaat ook over het creëren van ruimte om stil te staan bij vragen als: wie ben ik, wat vind ik belangrijk, waar krijg ik energie van en welke richting past daarbij?
Concrete tips
1. Maak het keuzeproces klein en concreet
Een studiekeuze kan groot en overweldigend voelen. Deel het proces daarom op in kleine stappen. Begin bijvoorbeeld met een zelfportret, een interessetest, het bekijken van één opleiding of het bezoeken van één open dag. Bespreek daarna samen wat de leerling heeft ontdekt en wat een logische volgende stap is.
Zo wordt studiekeuze geen abstract eindbesluit, maar een reeks overzichtelijke stappen.
2. Werk met een duidelijke planning
Bespreek samen wanneer belangrijke open dagen, meeloopdagen en inschrijfdeadlines zijn. Help leerlingen terug te rekenen: wat moet wanneer gebeuren, en hoeveel tijd is daarvoor nodig?
Een planning maakt het keuzeproces concreter en helpt voorkomen dat jongeren te laat beginnen of het overzicht verliezen.
3. Modelleer het keuzeproces
Laat zien hoe anderen keuzes maken. Nodig bijvoorbeeld oud-leerlingen uit om te vertellen hoe hun keuzeproces verliep: waar twijfelden ze over, welke stappen hebben ze gezet, wat viel mee en wat viel tegen?
Ook kun je als begeleider je eigen keuzeprocessen expliciet maken. Bijvoorbeeld: “Ik twijfelde destijds tussen twee richtingen. Ik heb toen gekeken naar wat mij energie gaf, welke vakken ik interessant vond en welke toekomstmogelijkheden erbij hoorden.”
Door keuzeprocessen zichtbaar te maken, leren jongeren dat twijfel normaal is en dat kiezen meestal stap voor stap gaat.
4. Zorg voor voortdurende reflectie
Vraag regelmatig wat leerlingen hebben gedaan, wat ze hebben ontdekt en wat dat betekent voor hun beeld van zichzelf en hun toekomst. Reflecteer niet alleen op open dagen en meeloopdagen, maar ook op ervaringen in lessen, opdrachten, bijbanen, hobby’s en gesprekken met anderen.
Zo leren jongeren informatie niet alleen verzamelen, maar ook betekenis geven.
Goede vragen zijn bijvoorbeeld:
- Wat vond je interessant?
- Waar kreeg je energie van?
- Wat viel tegen?
- Wat zegt dit over wat jij belangrijk vindt?
- Welke volgende stap past hierbij?
5. Benadruk dat studiekeuze een proces is
Leg uit dat een studiekeuze meestal niet in één keer ontstaat. Kiezen gaat vaak via onderzoeken, twijfelen, vergelijken, bespreken en bijstellen. Dat kan druk wegnemen om meteen de ‘perfecte’ keuze te moeten maken.
Complimenteer daarom niet alleen de uiteindelijke keuze, maar vooral de zorgvuldigheid waarmee een leerling het proces doorloopt. Zeg bijvoorbeeld: “Goed dat je meerdere open dagen hebt bezocht en je twijfels hebt besproken,” in plaats van alleen: “Goed dat je nu weet dat je geneeskunde wilt studeren.”
Zo verschuift de aandacht van de perfecte uitkomst naar een zorgvuldig en bewust keuzeproces.
Conclusie
Het tienerbrein is volop in ontwikkeling. Dat maakt het maken van een studiekeuze soms lastig, maar juist daarom is goede begeleiding belangrijk. Jongeren hebben baat bij structuur, overzicht, reflectie en gesprekken waarin ruimte is voor twijfel, motivatie, verwachtingen en toekomstbeelden.
Mentoren, decanen en andere begeleiders kunnen met kleine, gerichte activiteiten veel verschil maken. Door het keuzeproces op te delen, regelmatig te laten terugkeren en jongeren actief te laten reflecteren, wordt studiekeuze minder abstract en beter hanteerbaar.
Het tienerbrein is dus geen excuus om jongeren keuzes te laten uitstellen. Het is juist een reden om het keuzeproces zichtbaar, bespreekbaar en overzichtelijk te maken - en jongeren stap voor stap te ondersteunen bij een keuze die bij hen past.
Hulp nodig?
Wil je met studiekeuzebegeleiding aan de slag op jouw school? Wij denken graag mee over een passende workshop of bijeenkomst voor jouw team. Bekijk de mogelijkheden op onze pagina Bijeenkomsten en workshops of neem contact met ons op via de contactgegevens hieronder.
Referenties
Blakemore, S.-J., & Choudhury, S. (2006). Development of the adolescent brain: implications for executive function and social cognition. Journal of Child Psychology and Psychiatry, 47(3–4), 296–312. https://doi.org/10.1111/j.1469-7610.2006.01611.x
Crone, E. A., & Dahl, R. E. (2012). Understanding adolescence as a period of social-affective engagement and goal flexibility. Nature Reviews Neuroscience, 13(9), 636–650. https://doi.org/10.1038/nrn3313
Icenogle, G., & Cauffman, E. (2021). Adolescent decision making: A decade in review. Journal of Research on Adolescence, 31(4), 1006–1022. https://doi.org/10.1111/jora.12608