Alle docenten zijn taaldocenten (ook als ze geen Nederlands of Engels geven)
"Waarom trekken mensen naar steden?" De aardrijkskundedocent schrijft het woord urbanisatie op het bord. Een vakterm, die helpt om preciezer te denken.
"Wie kan in eigen woorden uitleggen wat urbanisatie betekent?" Een leerling steekt haar hand op. "Dat meer mensen in steden gaan wonen."
"Precies," zegt de docent. "En waarom gebeurt dat?"
Er volgt een gesprek over werk, onderwijs en voorzieningen. De docent laat leerlingen voorbeelden geven uit hun eigen omgeving. Daarna komt het begrip opnieuw terug in een opdracht. Leerlingen moeten beschrijven hoe urbanisatie invloed heeft op de leefbaarheid van hun eigen stad. Daarbij worden ze aangemoedigd het nieuwe woord zelf te gebruiken.
Aan het einde van deze les kennen leerlingen niet alleen een definitie. Ze kunnen het nieuwe begrip ook verbinden aan voorbeelden en actief gebruiken om over een maatschappelijk vraagstuk na te denken. De docent heeft geen spellingles of grammatica-uitleg gegeven. Toch was deze les doordrenkt van taal.
Een hardnekkig misverstand
Wanneer docenten horen dat "elke docent een taaldocent is", ontstaat vaak weerstand.
"Maar ik geef wiskunde."
"Ik ben toch geen docent Nederlands?"
"Moet ik nu ook taalproblemen gaan oplossen?"
Die reacties zijn begrijpelijk. Vaak wordt taalonderwijs geassocieerd met spelling, grammatica, woordsoorten en schrijfvaardigheid. Maar dat is een beperkte opvatting van taal. Taal is het middel waarmee leerlingen zich de kennis, denkwijzen en werkwijzen van een vak eigen maken. Wie een vak leert, leert niet alleen nieuwe feiten en vaardigheden, maar ook nieuwe manieren om over de wereld te spreken, te lezen, te schrijven en te redeneren.
Dat is waar het in taalgericht onderwijs om gaat. Elk vak kent zijn eigen begrippen, redeneringen, tekstsoorten en manieren van communiceren. Leerlingen leren een vak pas echt begrijpen als ze leren deelnemen aan die vaktaal. Taal is geen verpakking van kennis achteraf, maar is essentieel voor hoe kennis in een vakgebied wordt opgebouwd, gedeeld en toegepast. Leerlingen denken, redeneren, vergelijken, analyseren en verklaren met behulp van taal. Dat geldt in de geschiedenisles net zo goed als bij natuurkunde, economie of beeldende vorming.
Vakleren is taalleren
Wie een vak leert, leert dus ook de taal van dat vak. Een leerling die geschiedenis leert, leert begrippen als revolutie, continuïteit en bronbetrouwbaarheid gebruiken. Een leerling die natuurkunde leert, leert spreken over kracht, weerstand en versnelling. Een leerling die wiskunde leert, leert redeneren met woorden als evenredig, functie en afgeleide. Die woorden zijn niet zomaar labels. Ze vertegenwoordigen concepten. Ze helpen leerlingen om de werkelijkheid op een nieuwe manier te begrijpen.
Onderzoek naar taalgericht vakonderwijs laat zien dat leerlingen vakinhoud beter snappen als docenten expliciet aandacht besteden aan de taal die nodig is om die inhoud te begrijpen en te bespreken. Taal en inhoud zijn geen gescheiden systemen; ze zijn onlosmakelijk verbonden en ze versterken elkaar.
Hoe geef je taalgericht vakonderwijs vorm?
Taalgericht vakonderwijs is een praktisch bruikbaar en goed onderzocht didactisch kader. Het kent drie samenhangende pijlers: context, taalsteun en interactie.
Context betekent dat nieuwe begrippen worden verbonden met betekenisvolle situaties, voorkennis en concrete voorbeelden. Leerlingen begrijpen een abstract begrip sneller als ze het kunnen koppelen aan herkenbare ervaringen.
Taalsteun houdt in dat docenten leerlingen helpen de taal van het vak actief te gebruiken. Dat kan door belangrijke vakbegrippen expliciet te bespreken, voorbeeldzinnen aan te bieden, denkvragen te stellen of een schrijfkader te geven. Het doel is niet om taal te vereenvoudigen, maar om leerlingen te ondersteunen bij het leren gebruiken van steeds rijkere vaktaal.
Interactie zorgt ervoor dat leerlingen de nieuwe taal daadwerkelijk gebruiken. Door samen te praten, vragen te stellen, redeneringen uit te leggen en elkaar feedback te geven, verdiepen zij zowel hun taal als hun begrip van de vakinhoud.
Deze drie pijlers helpen leerlingen de stap te zetten van alledaagse taal naar de meer abstracte en precieze taal die kenmerkend is voor schoolvakken.
Wat doen taalgerichte docenten?
Taalgerichte docenten helpen leerlingen toegang te krijgen tot de taal van het vak. Dat doen ze bijvoorbeeld door:
1. Vaktaal zichtbaar te maken.
Ze benoemen sleutelbegrippen expliciet en geven aandacht aan de betekenis ervan.
2. Veel denk- en spreektijd te creëren.
Leerlingen krijgen kansen om ideeën te verwoorden, te overleggen, te redeneren en uit te leggen.
3. Nieuwe begrippen te verbinden aan voorkennis.
Abstracte concepten worden gekoppeld aan concrete ervaringen en herkenbare voorbeelden.
4. Taalsteun te bieden.
Denk aan voorbeeldzinnen, woordwebben, denkkaders of gerichte vragen die leerlingen helpen om vaktaal actief te gebruiken.
Dus alle docenten zijn taaldocenten!
De uitspraak "alle docenten zijn taaldocenten" betekent niet dat iedereen spelling en grammatica moet geven. Het betekent wel dat iedere docent verantwoordelijk is voor de taal die leerlingen nodig hebben om het vak te begrijpen. Wie leerlingen wil laten denken als een historicus, een wetenschapper, een econoom of een kunstenaar, helpt hen de taal van die disciplines te verwerven. Taalgericht onderwijs is daarom geen extra taak naast het vakonderwijs. Het is goed vakonderwijs.
Taalgericht onderwijs is ook een gezamenlijke verantwoordelijkheid
Taalgericht vakonderwijs is meer dan een verzameling effectieve didactische technieken. Het komt pas echt tot zijn recht wanneer docenten en schoolleiding samen nadenken over de rol van taal in de lessen.
Dat betekent bijvoorbeeld dat docenten samen bepalen welke vaktaal leerlingen in verschillende leerjaren nodig hebben, ervaringen uitwisselen over effectieve werkvormen en afspraken maken over hoe zij taalontwikkeling ondersteunen. Ook formatief handelen, aandacht voor taal in toetsen en gerichte ondersteuning van leerlingen die extra taalsteun nodig hebben, maken daar deel van uit.
Schoolbreed taalbeleid bestaat niet uit losse initiatieven, zoals af en toe een "woord van de week", maar vraagt om gedeelde uitgangspunten, een gezamenlijke taal en een cultuur waarin docenten elkaar helpen om taal en vakleren steeds beter met elkaar te verbinden.
Aan de slag!
Wil je als school aan de slag met taalbeleid en kun je hulp gebruiken? Doe dan onze taalbeleidscan. Deze scan helpt sterktes en knelpunten in kaart te brengen en kan de basis vormen voor een taalbeleidsplan, of jullie helpen bestaand taalbeleid aan te scherpen.
Scholen en docenten kunnen bij ons ook terecht voor:
- Eendaagse trainingen Taalgericht vakonderwijs;
- Adviestrajecten rond taalgericht werken of het vormgeven van schoolbreed taalbeleid;
- Taalgerichte workshops op maat (bijvoorbeeld over leeswerkvormen, taal in toetsvragen, beoordelen van presentaties.. )
Voor informatie over de mogelijkheden, neem contact op met Marjolein Cremer of Hester Glasbeek