Differentiëren in het voortgezet onderwijs: samenwerkend leren

Bij heterogeen groeperen leren leerlingen leren actief van en met elkaar.

Bij heterogeen groeperen - leerlingen van niet-gelijk niveau bij elkaar plaatsen - lijkt coöperatief (samenwerkend) leren de meest wenselijke vorm. Leerlingen leren dan actief van en met elkaar: zij werken samen, hebben elkaar nodig en stellen elkaar vragen over het leerproces, iedereen is mede verantwoordelijk, en er is sprake van individuele bijdragen.

In deze groepen voeren leerlingen bijvoorbeeld opdrachten uit totdat zij het basisniveau (zeg maar 80% van de stof) beheersen. Daarna kunnen zij eventueel in een andere groep of individueel verder gaan met verrijkingsmateriaal of vragen voor individuele instructie (hoger niveau nastreven). Samenwerkend leren is eenvoudiger dan groepswerk, waarbij een hele groep aan eenzelfde product werkt.

Structuren van samenwerkend leren

Drie relatief eenvoudig toe te passen structuren bij samenwerkend leren waarbij recht gedaan wordt aan de verschillen tussen leerlingen zijn volgens Ebbens en Ettekoven (2005):

  • Check in duo’s: leerlingen vergelijken en checken in tweetallen hun antwoorden op opdrachten die zij individueel hebben gemaakt en bepalen het juiste antwoord
  • Denken-delen-uitwisselen: leerlingen denken individueel over een vraag van de docent, delen hun antwoorden met een medeleerling en komen tot een gezamenlijke reactie, deze worden vervolgens uitgewisseld in de hele groep
  • Eenvoudige experts: elke leerling of elk tweetal binnen een groep, krijgt een onderdeel van de leerstof om te bestuderen. Daarna presenteert de ‘expert’ zijn onderdeel aan de andere groepsleden.

Alleen indelen in groepen is niet genoeg

Het indelen van leerlingen in groepen is in het algemeen effectiever als het gepaard gaat met het regelmatig volgen van resultaten, het wisselen van groepen - gebaseerd op wisselende prestaties of voorkeuren van leerlingen of docent - en het afstemmen van het onderwijsaanbod, de instructie en de feedback op de prestaties van leerlingen. Net als in het primair onderwijs biedt ook in het voortgezet onderwijs een leerlingvolgsysteem aanknopingspunten om te differentiëren. Ook de opkomst van RTTI-gegevens kan hiervoor ingezet worden.

Referenties

Ebbens, S. & Ettekoven, S. (2005). Effectief leren basisboek. Noordhoff Uitgevers.