Differentiëren in het hoger onderwijs: cursus

Het verliezen van interesse en motivatie door studenten kan een teken zijn dat differentiëren nodig is.

Een docent kan zien dat differentiëren nodig is als studenten hun interesse en motivatie voor een cursus verliezen. Dat kan een teken zijn dat het onderwijs te gemakkelijk of te moeilijk is, dat het niet aansluit op hun kennis en ervaring, of dat ze het belang er niet van inzien en de aansluiting op hun persoonlijke niet goed is.

Noodzaak om te differentiëren

In workshops over differentiëren noemden deelnemers wat voor hen tekenen zijn van de noodzaak om te differentiëren:

“Studenten komen aan je deur klagen dat ze zich overvraagd voelen of dat een bepaald project echt niet interessant is.”
“Uitstelgedrag bij studenten die het te moeilijk vinden. Demotivatie bij studenten die het te gemakkelijk vinden.”
“Als de opdracht te moeilijk is voor studenten pakken ze hem op een te oppervlakkig niveau aan. Ze geven een mening in plaats van methodisch te werken aan een onderbouwd verhaal.”
“Goede kunst-studenten maken bewuste keuzes. Ze kunnen hun keuzes slim traceren. Ze passen zelfreflectie toe. Ze weten wat werkt en wat effectief is. Daarnaast zijn er studenten die intuïtief kunnen werken. Beiden zijn goed: intuïtief naast zelfbewust. Ze vergen wel andere begeleiding.”

Aansluiten op leerdoelen

Goede onderwijsvormgeving start met de vraag wat studenten moeten leren en hoe je aan het eind van de cursus kunt toetsen of ze het geleerd hebben. Vervolgens stem je de inrichting van de cursus (werkvormen, inhoud) af op de leerdoelen en toets (constructive alignment, Biggs, 2011). Vanuit oogpunt van differentiatie houd je bij de afstemming rekening met verschillen tussen studenten. Welke activiteiten zijn motiverend voor de studenten? Welk leerproces wil je aansturen om zo goed mogelijk aan te sturen op ontwikkeling van alle studenten?

Activerende werkvormen en kleinschalig georganiseerde opleidingen

Activerende werkvormen die studenten centraal stellen en kleinschalig georganiseerde opleidingen waarin docenten regelmatig op individueel niveau contact hebben met studenten bieden veel gelegenheid om te differentiëren. De docent kan dan inspelen op persoonlijke voorkeuren, en kan in zijn feedback aansluiten op verschillende studentkenmerken zoals kennisniveau, ervaring, culturele achtergrond en motivatie. Door lesstof buiten de les om te laten bestuderen en in de bijeenkomst veel interactie te creëren tussen studenten onderling en tussen studenten en docent, kan de docent meer inspelen op verschillen tussen studenten. Dit wordt wel flipping the classroom genoemd.

Flipping the classroom

Bij Flipping the classroom is de klassikale kennisoverdracht voor studenten beschikbaar op video (zoals kennisclips) of in andere vormen van online instructie waardoor er in de bijeenkomsten meer tijd is voor begeleiding op maat, het beantwoorden van vragen en voor het toepassen van de kennis.Voor docenten van de Universiteit Utrecht zijn er online modules om meer te leren over flipping the classroom.

Keuzemogelijkheden

Ook het creëren van keuzemogelijkheden in inhoud, tempo, eindproduct en aanpak biedt kans op differentiatie. In een vakcontract kun je de specifieke afspraken met een student vastleggen.

Referenties

J. Biggs & C. Tang (2011). Teaching for Quality Learning at University, Buckingham: Open University Press/McGraw Hill, 2011.