Wetenschappelijk onderzoek naar spionage en spionnen: wat is waar?
Wat gebeurt er als een onderzoeker probeert door te dringen tot een wereld die gebouwd is op dekmantels en geheimhouding? Waar mensen dubbele levens leiden, geheimen hebben, rookgordijnen opgooien en waar ook documenten niet altijd betrouwbaar blijken?
Aan de Universiteit Utrecht wordt onderzoek gedaan naar spionage. Het werk van historicus dr. Eleni Braat richt zich op de dilemma’s die spionage met zich meebrengt, voor de politieke legitimiteit van inlichtingendiensten, voor de agenten (of spionnen) en medewerkers van geheime diensten en voor de wetenschappers die hier onderzoek naar doen. Want hoe weet je als wetenschapper wat waar is? Hoe weet je wanneer je bron je bedriegt? En hoe kan je het verleden begrijpen op basis van beperkte en vaak misleidende bronnen? Een van de meest intrigerende voorbeelden uit haar huidige onderzoek gaat over een voormalige dubbelagent die zichzelf M noemt.
Drie diensten, één verhaal
Volgens zijn eigen verhaal werkte M tijdens de Koude Oorlog voor drie verschillende diensten: eerst voor de Nederlandse BVD, toen voor de Amerikaanse CIA én steeds tegen de Oost-Duitse Stasi. Dit zou betekenen dat hij een dubbelagent was, die naar zijn zeggen primair loyaal was aan de BVD en de CIA .
Samen met collega dr. Ben de Jong (gepensioneerd, Universiteit van Amsterdam) interviewde Braat M meerdere keren. Lange sessies, gedetailleerde verhalen, met steeds terugkerende namen, data en locaties. Alles leek consistent. En toch bleef de vraag hangen: is het plausibel wat hij vertelt en welke andere bronnen zijn er?
Wat opviel tijdens de gesprekken, was de manier waarop M sprak over zijn contactpersonen (of handlers) bij de Stasi, die hem als agent aanstuurden. In plaats van afstandelijke rapportages ging het over vriendschappen, waardering, loyaliteit. Hij werd meegenomen naar nachtclubs in Oost-Berlijn, kreeg cadeautjes en er was belangstelling voor zijn welzijn. Vertrouwen en dankbaarheid speelden volgens Braat en De Jong een grotere rol dan afspraken, financiële vergoeding of ideologie. En dat maakt het meteen ook moeilijker om te ontrafelen: wie was loyaal aan wie? Waarom? En hoe hebben M’s herinneringen hierover zich ontwikkeld in de loop van de tijd?
De archieven gaven nauwelijks uitsluitsel. Veel materiaal uit die tijd is nog steeds geheim of onvolledig. De AIVD (rechtsopvolger van de BVD) gaf geen toegang tot zijn dossier. En M zelf stelde strikte voorwaarden: zijn echte naam mocht niet genoemd, sommige details over zijn werk moesten onvermeld blijven.
M gevonden in het Stasi-dossier in Berlijn
Dan ontdekken Braat en De Jong dat er tóch nog een deel van het Stasi-dossier van M bestaat, in Berlijn. Ook blijken zijn twee Stasi-handlers nog te leven. Braat en De Jong brengen M op de hoogte: het dossier dat hij jaren geleden maar voor een klein deel kreeg in te zien, blijkt veel omvangrijker. Braat en De Jong geven ook bij M aan te gaan proberen contact te leggen met zijn oud Stasi-handlers. Dit had M in het verleden tevergeefs geprobeerd. Tot hun verbazing reageert M niet opgelucht, maar zeer afwijzend. Hij smeekt hun het Stasi-dossier niet op te vragen en geen contact op te nemen met zijn oud Stasi-handlers. Volgens hem zou dat hem in gevaar brengen, via nog levende voormalige Stasi-officieren die dit als een provocatie zouden zien en banden hebben met Rusland.
Braat en De Jong twijfelen. De persoon waar ze onderzoek naar doen, probeert hun onderzoeksmethoden te beïnvloeden op basis van ogenschijnlijk irrationele argumenten. Ze raadplegen collega-onderzoekers en spreken met oud-inlichtingenmensen over de vraag of de gevaren die M ziet wel realistisch zijn. Ook leggen ze de kwestie voor aan een ethische toetsingscommissie van de universiteit. Uiteindelijk besluiten ze het dossier toch op te vragen en contact op te nemen met de bejaarde voormalige Stasi-handlers. Het dossier is omvangrijk, al beslaat het slechts 18 maanden van de 22 jaar waarin M actief zou zijn geweest. En: het spreekt hem op belangrijke punten tegen, terwijl het ook sommige punten van zijn verhaal onderschrijft. Hetzelfde geldt voor de mailwisseling met één van de twee oud Stasi-handlers. Deze weerspreekt het verhaal van M op belangrijke punten, maar óók deels het dossier van M in het Stasi-archief. M lijkt zich te hebben aangeboden aan de Stasi. En de Stasi zou - volgens de handler - hebben geweten van M zelf, dat hij in verbinding stond met de BVD en daarna de CIA.
Verzonnen of vergeten?
Wat en wie moet je geloven? De herinneringen van een man die jarenlang in een wereld van dubbelspel leefde en daarvoor graag erkenning wil? Of de documenten van een dienst die zelf uitblonk in misleiding?
Toen Braat en De Jong M vertelden dat ze het dossier hadden opgevraagd en contact hadden met één van zijn voormalige handlers, was hij kwaad. Niet omdat de inhoud van de verkregen informatie onjuist zou zijn, maar omdat ze überhaupt die informatie hadden opgevraagd. Hij wilde er niets meer over horen, veegde vragen van tafel, toonde geen enkele interesse in wat de archieven of zijn oud-handler zeiden en werkte niet meer mee aan het onderzoek.
En zo blijft het gissen. Heeft M zichzelf een verhaal aangepraat? Probeert hij zijn rol te beschermen? Of gelooft hij echt in zijn eigen herinneringen? En vooral, hoe moeten wetenschappers hiermee omgaan? Historici gaan ervan uit dat één enkele objectieve ‘waarheid’ ongrijpbaar is. Die schim jagen ze dus meestal niet na. In plaats daarvan interpreteren ze verschillende perspectieven op het verleden. Over deze kwestie schrijven Braat en De Jong een boek. Daarin is hun eigen onderzoeksproces naar M’s verleden de leidraad.
Ook binnen de universiteit?
Spionageonderzoek is niet het enige domein waar onderzoeksresultaten gevoelig kunnen liggen. Ook elders binnen de wetenschap kunnen resultaten botsen met belangen van bijvoorbeeld individuen of overheden. “Maar wetenschap is er juist om door te vragen, ook als de uitkomst ongemakkelijk is”, zegt Eleni Braat. Onderzoekers die zich bezighouden met gevoelige thema’s moeten daarom niet alleen kritisch zijn op hun bronnen, maar ook op hun universitaire omgeving. Heeft ze advies voor collega-wetenschappers? “Wetenschappers zouden – voor zover ze dat niet al doen – goede afspraken moeten maken met betrokken externe partijen, zoals in het geval M. Daarin mag wel meer aandacht zijn voor de autonomie van de wetenschapper. Ethisch verantwoord onderzoek staat niet gelijk aan het tevreden houden van externe partijen. Het mag best schuren in het contact met externen en de wetenschapper zou zich daarin beschermd moeten voelen vanuit de universiteit.”
Eleni Braat
Dr. Eleni Braat is universitair hoofddocent Politieke Geschiedenis aan de Universiteit Utrecht. Zij onderzoekt de geschiedenis van inlichtingen- en veiligheidsdiensten, met aandacht voor thema’s als staatsgeheimen, politieke legitimiteit en democratisering. Ze promoveerde in Florence en was o.a. historicus bij de AIVD. Momenteel leidt ze een NWO-project over staatsgeheimen en autoritarisme (1945–2015) en werkt ze aan een boek over onderzoeksmethoden in de inlichtingengeschiedenis.