Voorspelde verlies van biodiversiteit bij verdwijnende natuur is groter wanneer rekening wordt gehouden met hoe soorten zich verspreiden
Meer realistisch model biedt nieuwe inzichten
Als er natuur moet verdwijnen, dan is het voor de plantendiversiteit schadelijker om veel kleine gebieden op te offeren dan enkele grote. Dat suggereert een nieuwe modelstudie van Utrechtse ecologen Monique de Jager en Edwin Pos, gisteren gepubliceerd in het vakblad Ecosphere. De studie laat zien dat meer realistische wiskundige modellen, die rekening houden met verschillen in de manier waarop plantensoorten zich verspreiden, een groter verlies aan plantensoorten voorspellen bij het verdwijnen van leefgebieden dan eerder gepubliceerde modellen waarbij deze verschillen niet waren meegenomen.

“Eigenlijk hebben we niet minder natuur, maar meer natuur nodig,” vertelt De Jager. “Maar als het onvermijdelijk is dat er natuur verdwijnt, is het dan beter om de overblijvende natuur te versnipperen, of juist geclusterd te houden? Dat is een debat dat al een hele tijd bestaat en waar al verschillende modelstudies naar zijn gedaan. Sommige studies concluderen dat het beter is om te versnipperen, andere om te clusteren, en sommige zeggen dat het niet uitmaakt.”
De verschillende studies zijn niet eenvoudig te vergelijken, want ze keken op verschillende schalen: meer lokaal of meer globaal. “Ook namen deze modellen de verschillende verspreidingstypes van planten niet mee,” zegt de Jager. “Sommige planten kunnen zich heel ver verspreiden via hun zaden, terwijl andere planten niet zo ver komen. Als je die verschillen niet meeneemt in je model, dan mis je een groot deel van de realiteit.”
Competitie tussen verspreidingsstrategieën
Daarom wilden De Jager en Pos weten wat er gebeurt als je deze variatie in verspreiding wel meeneemt. Ook besloten ze op verschillende schalen te kijken naar het effect van natuurverlies op de biodiversiteit, van een heel landschap tot kleinere plantengemeenschappen.
Wanneer verspreidingsverschillen tussen plantensoorten in het wiskundige model werden meegenomen, ontstond er competitie tussen planten die verschillende strategieën hadden qua verspreiding. “In een aaneengesloten landschap doen planten die zich ver verspreiden het goed. Maar zodra het landschap uiteenvalt, dan komen er meer mogelijkheden voor planten die hun zaden meer lokaal verspreiden.”
Eigenlijk hebben we niet minder natuur, maar meer natuur nodig.
De Jager legt uit: “Stel dat je een heel versnipperd landschap hebt. Veel van de zaden van planten die zich over lange afstand verspreiden, komen dan op plekken tussen geschikte leefgebieden terecht. Plekken waar ze niet kunnen groeien. Planten die hun zaden dichtbij verspreiden, blijven binnen hun geschikte leefgebied en verliezen minder zaden. Daardoor blijven die uiteindelijk over.”
Clusteren of versnipperen
De competitie resulteert uiteindelijk in een groter verlies aan plantensoorten, ongeacht of de overblijvende natuur versnipperd of geclusterd is. Maar als het oorspronkelijke leefgebied sterk versnipperd wordt, blijven er op de langere termijn minder verschillende plantensoorten over, zo liet de modelstudie zien. Wanneer overgebleven gebieden meer geclusterd werden, sterven er in totaal minder plantensoorten uit.
Als de overgebleven natuur uit kleine gebieden bestaat die ver uit elkaar liggen, kunnen planten hun zaden niet meer tussen die gebiedjes verspreiden. Binnen die kleine gebieden is de kans groot dat soorten die daar al iets vaker voorkomen gaan overheersen, terwijl zeldzame soorten er verdwijnen. Bestaat de overgebleven natuur juist uit grotere aaneengesloten gebieden, dan kunnen zaden zich binnen die geclusterde gebieden blijven verspreiden, waardoor soorten minder snel lokaal domineren of uitsterven. Daardoor blijft de variatie aan plantensoorten beter behouden.
De volgende stap waar ik aan werk is inzicht verkrijgen in hoe we de natuur zo kunnen inrichten dat de biodiversiteit zich optimaal kan herstellen.
De onderzoekers zagen dan ook dat het zinvol is om op verschillende schalen naar biodiversiteitsverlies te kijken. “Het kan zo zijn dat als je naar het gehele landschap kijkt, het wel lijkt mee te vallen met hoe erg een bepaalde plantensoort achteruitgaat. Maar als je dan inzoomt, blijkt de soort bijvoorbeeld wel lokaal uit te sterven,” geeft De Jager aan.
Natuurparels
Hoewel het dus beter lijkt om overblijvende natuur te clusteren wanneer er natuur verdwijnt, wil dat niet zeggen dat bestaande kleine, versnipperde natuurgebieden niet het beschermen waard zijn. Dat maakte De Jager, samen met onder andere Utrechtse biodiversiteitshoogleraar Merel Soons, duidelijk in een in 2024 verschenen achtergrondartikel in NRC. “Je kunt beter verspreide stukken natuur hebben dan helemaal geen natuur,” zegt De Jager in dat stuk.
Volgende stap: natuurherstel
De modelstudie laat zien dat beleid om de biodiversiteit te beschermen of te herstellen rekening moet houden met hoe ver planten en dieren zich kunnen verspreiden, aldus De Jager. Zelf gaat De Jager nu verder werken aan vragen over natuurherstel. “We weten natuurlijk al wel dat het verlies van leefgebied slecht is voor de biodiversiteit. De volgende stap waar ik aan werk is inzicht verkrijgen in hoe we de natuur zo kunnen inrichten dat de biodiversiteit zich optimaal kan herstellen.”
Publicatie
Variation in species’ dispersal capacities amplifies effects of habitat loss and fragmentation on biodiversity loss
Monique de Jager & Edwin T. Pos
Ecosphere, 21 januari 2026. DOI: http://dx.doi.org/10.1002/ecs2.70516