UU onderzoekt wetenschappelijke cultuur en kwaliteitsbeleid binnen onderzoeksgroep Farmacologie
De faculteit Bètawetenschappen van de Universiteit Utrecht (UU) gaat een commissie instellen die gaat analyseren of interne procedures en waarborgen voor transparantie, verantwoording en toezicht in de onderzoeksgroep Farmacologie naar behoren hebben gefunctioneerd en zijn ingericht. Aanleiding voor het onderzoek is berichtgeving in de media over een medewerker die onderzoek doet naar energiedrankjes en alcoholgebruik.
De Universiteit Utrecht hecht grote waarde aan openheid over financiering, nevenwerkzaamheden en eventuele belangen die van invloed kunnen zijn op de onafhankelijkheid van onderzoek. Berichtgeving van De Groene Amsterdammer van 29 juli raakt aan deze uitgangspunten.
Onderzoek en vervolgstappen
De Universiteit Utrecht neemt de signalen zeer serieus. “De berichtgeving van de Groene Amsterdammer roept ook bij ons vragen op”, aldus Alan Hanjalic, decaan van de faculteit Bètawetenschappen. “Om die vragen goed te kunnen beantwoorden, willen we kritisch onderzoek doen naar de wetenschappelijke cultuur en het wetenschappelijke kwaliteitsbeleid in de betreffende onderzoeksgroep. Daarbij zal worden onderzocht of er voldoende aandacht is geweest voor bestaande interne procedures die bedoeld zijn om een gezonde wetenschappelijke cultuur en kwaliteit van onderzoek te waarborgen, zoals de wijze waarop is omgegaan met nevenwerkzaamheden, transparantie over financiering en het bespreken van mogelijke belangenverstrengeling.”
“Wanneer er vragen bestaan over de onderzoekscultuur en onderzoekskwaliteit, moet hier zorgvuldig naar gekeken worden. Daarom is in overleg met het College van Bestuur besloten een commissie samen te stellen met ook vertegenwoordiging van buiten onze universiteit die dit kan onderzoeken. Onafhankelijk en transparant onderzoek zijn kernwaarden van de Universiteit Utrecht. De uitkomsten zullen we niet alleen gebruiken om deze situatie beter te begrijpen en te beoordelen, maar ook om waar nodig procedures en werkwijzen te versterken.”
Vanwege de privacy van de betrokkenen kan de Universiteit Utrecht niet ingaan op eventuele individuele maatregelen die hieruit kunnen voortvloeien.