18 juli 2017

Trend: maatschappelijke organisaties worden wereldwijd steeds meer beperkt

“Begin juli is de directeur van Amnesty Turkije gearresteerd. Een maand eerder was al de voorzitter van Amnesty Turkije opgepakt. De kop van de hele organisatie is eraf gehakt, waardoor hen het werk heel moeilijk wordt gemaakt. Wat in Turkije gebeurt, is een voorbeeld van een wereldwijde trend.” Aan het woord is Antoine Buyse van het Studie- en Informatiecentrum Mensenrechten. Hij onderzoekt hoe overheden het werk van organisaties als Amnesty International en van journalisten inperken. “Ook demonstreren wordt in heel veel landen steeds moeilijker.”

Antoine Buyse
Antoine Buyse, directeur van het Studie- en Informatiecentrum Mensenrechten

“Sinds de mislukte coup in Turkije vorig jaar zijn er heel veel mensen opgepakt, in allerlei sectoren, tienduizenden, waaronder ook mensenrechtenactivisten. Wat ik echt het zorgwekkendste daaraan vind is dat juist degenen die anderen helpen hun stem te laten horen, óók worden opgepakt. Het is al moeilijk als je docenten of ambtenaren oppakt, maar als je ook nog journalisten en mensenrechtenactivisten arresteert, dan zorg je ervoor dat het hele debat in een land onmogelijk wordt gemaakt. Dat is een indirecte vorm van censuur en het heeft daardoor een chilling effect, oftewel een verdovende werking op anderen. Zij zien: als ik me kritisch opstel, dan verdwijn ik achter slot en grendel. Het geeft aan dat machthebbers zulke andere stemmen niet willen horen. De complete maatschappelijke discussie en het hele maatschappelijke middenveld worden door zo’n regering heel klein gemaakt. Dat laatste, dat is de afgelopen tien jaar een wereldwijde trend.”

Turkije is geen uitzondering

“Nee, Turkije is inderdaad geen uitzondering. Door de nasleep van de mislukte coup is het daar nu heel zichtbaar geworden. In heel veel landen is het afgelopen decennium de volledige civil society, oftewel alles wat tussen het individu en de staat inzit, ingeperkt. Er zijn eigenlijk drie rechten die vooral in het geding zijn: de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van vereniging en de vrijheid van demonstratie. Die drie staan het meest onder druk. Dat is vooral zo alarmerend, omdat dat soort rechten de werking van de democratie beschermen. Regeringen kunnen die rechten op allerlei manieren inperken of zelfs actief dwarsbomen. Dat doen ze bijvoorbeeld via de formele weg door wetten aan te nemen, waarmee maatschappelijke organisaties tegen worden gewerkt. Bijvoorbeeld: wanneer je als organisatie buitenlandse financiering krijgt, dan moet je je officieel aanmelden bij de overheid. Vervolgens sta je dan als quasi-buitenlandse organisatie te boek. Het bekendste voorbeeld hiervan is in Rusland. Daar ben je dan een foreign agent, buitenlandse agent, wat in het Russisch ‘spion’ betekent. Dus iedere organisatie die hulp van buitenaf krijgt, buiten Rusland, die is verplicht zich aan te melden. Daarmee zegt zo’n organisatie in feite: Ik ben een spion. Heel paradoxaal natuurlijk. Dat is meteen een groot sociaal stigma, waardoor de bevolking gaat denken: Zijn deze organisaties wel te vertrouwen? Dat maakt hun werk dan zeer moeilijk.”

Daarmee zegt zo’n organisatie in feite: Ik ben een spion. Heel paradoxaal natuurlijk.

Tegenwerken civil society organisations werkt besmettelijk

“Daarnaast zijn er ook praktische manieren om organisaties tegen te werken, zoals intensieve belastingcontroles of de verplichting om alle administratie van een organisatie bij de bevoegde instanties in te leveren. Als civil society organisations iets organiseren, dat moeten ze dit van tevoren melden. Vervolgens wordt het op het laatste moment verboden of verplaatst. Of, zoals in Turkije dus is gebeurd, door de directeur op te pakken, een veel ergere vorm van intimidatie. En zelfs geweld tegen mensenrechtenactivisten in sommige landen, zoals Azerbeidzjan, waar mensen zonder pardon in elkaar geslagen worden. Kortom, er is een heel scala aan manieren waarop overheden de vrijheid van meningsuiting steeds verder beperken. Dat gebeurt door zelf in actie te komen of door toe te staan dat andere groeperingen civil society organisations of media bedreigen. Dat is een wereldwijde trend, die zich als een soort epidemie verspreidt. De Russische wet, die ik eerder noemde, waarbij niet-gou­ver­ne­men­te­le or­ga­ni­sa­ties (NGO’s) als spion aangemerkt worden, die wet is letterlijk gekopieerd door een aantal andere voormalige Sovjetlanden. Hongarije wil zo’n wet ook in gaan voeren, met bijna letterlijk dezelfde bepalingen.”

Ook in landen die deel uitmaken van de Europese Unie

“Hongarije. Ja, dat is binnen de Europese Unie zelf (EU). Of Polen. Daar is de EU een onderzoek gestart om te kijken of de rechtstaat in Polen nog wel functioneert. Niet alleen het maatschappelijk middenveld wordt daar bedreigd, ook de onafhankelijkheid van de rechtelijke macht. Als er nu geen heel sterk signaal door EU-instellingen wordt afgegeven, dan kan dat ook in andere landen gebeuren. Landen die zich bij de EU hebben aangesloten, hebben beloofd dat ze democratie, de rechtstaat en mensenrechten respecteren. Het is belangrijk dat EU-lidstaten elkaar, ook in hun eigen belang, aan die belofte houden”

“Al dit soort inperkingen gebeuren niet alleen in dictaturen of in autoritair geregeerde landen, maar ook in landen die we meer als democratisch zouden beschouwen. Het gebeurt zelfs in het Westen. Maatregelen gericht tegen terrorisme die in feite ook het werk van sommige maatschappelijke organisaties moeilijker maken, bijvoorbeeld omdat je alles moet melden en elk stapje moet rechtvaardigen. Civicus, de koepelorganisatie van maatschappelijke organisaties wereldwijd, heeft bekend gemaakt dat momenteel zes van de zeven wereldbewoners in een land woont waar beperkingen zijn op dit soort maatschappelijke organisaties en op het maatschappelijke middenveld.”

Misschien is die stem van de burger bijna te succesvol.

Een soort wake-upcall

“In vergelijking met pakweg twintig of dertig jaar geleden, is dit een omkering. Aan het einde van de Koude Oorlog was er een enorme toename van maatschappelijke organisaties. Allerlei landen werden democratischer en ook Westerse landen legden in hun ontwikkelingshulp sterk de nadruk op de bevordering van democratie. Door de opkomst van sociale media en internet werd het veel makkelijker voor burgers om zich te organiseren. In de jaren negentig nam het aantal NGO’s in allerlei landen exponentieel toe, in het kielzog van democratisering. De laatste tien jaar is daar een reactie op gekomen. Misschien is die stem van de burger bijna te succesvol. Misschien is het zo’n goede en effectieve tegenstem tegenover machthebbers, zowel regeringen als bedrijven, dat het is gaan schuren, gaan botsen. Zo is de tegenbeweging ontstaan. Ik denk dat deze trend een soort wake-up call is. In de jaren negentig dachten we misschien dat een democratische omwenteling en daaropvolgend economische hulp allerlei problemen vanzelf zouden oplossen. Oftewel: organiseer verkiezingen en dan komt het allemaal wel op gang. Nu realiseren we ons veel meer dat het totaal niet vanzelf gaat en dat zo’n façade van verkiezingen helemaal niet toereikend is om een echt ‘diepe’  democratie te creëren.”

Discours is het sleutelwoord

“Het is niet voldoende om de situatie puur juridisch te analyseren, door alleen te bekijken welke wetten of praktijken welke mensenrechten schenden. Het discours is ook ontzettend belangrijk. Ieder verhaal heeft een tegenverhaal nodig. Als voorbeeld: wanneer de overheid zegt dat iemand die protesteert tegen de aanleg van een nieuwe snelweg gevaarlijk is, omdat dit negatieve gevolgen voor de economie heeft, dan wil je een tegenverhaal neerzetten. Dit is een burger die de lokale belangen juist verdedigt en die zich afvraagt wat de verhouding is tussen een veilige, fijne woonomgeving ten opzichte van de economische ontwikkeling. En uiteraard is niet alles wat een oppositiegroep zegt, meteen terroristisch of extremistisch – verre van. Een ander voorbeeld: als de overheid zegt dat een wet aangenomen moet worden in het kader van de nationale veiligheid, dan kan het tegenverhaal zijn: ‘Als alles onderdrukt wordt, dan zorgt dat juist voor instabiliteit. Maar wanneer je als overheid het maatschappelijk debat toestaat, dan zijn conflicten gemakkelijker vreedzaam op te lossen.’ Daarmee heb je een tegenverhaal met precies dat argument, het excuus bijna dat de overheid gebruikt, namelijk veiligheid. Dan werpt een positief tegenverhaal een ander licht op de zaak.”

Over dit thema organiseert het Studie- en Informatiecentrum Mensenrechten van de Universiteit Utrecht op vrijdag 29 September de SIM Peter Baehr-lezing. Dit jaar is de spreker de directeur van Amnesty International Nederland, Eduard Nazarski.

De Universiteit Utrecht biedt een online cursus (MOOC) aan met als titel ‘Human Rights for Open Societies’. Antoine Buyse is één van de docenten in deze MOOC. Gratis deelnemen kan hier.