20 juni 2017

Studiemiddag decentralisatie in de Omgevingswet

Het Utrecht Centre for Water, Oceans and Sustainability Law (UCWOSL) organiseerde in samenwerking met het ministerie van Infrastructuur en Milieu op dinsdag 13 juni 2017 een studiemiddag over decentralisatie in de Omgevingswet. Deze studiemiddag vond plaats in de Raadzaal van Achter Sint Pieter 200, als voormalige vergaderzaal van Provinciale Staten van de Provincie Utrecht een uiterst geschikte plek voor deze studiemiddag.

Studiemiddag UCWOSL

Na een hartelijk welkom door voorzitter Remco Nehmelman (hoogleraar publiek organisatierecht aan de Universiteit Utrecht – in het bijzonder waterbeheer, verbonden aan UCWOSL) kwamen sprekers van het ministerie van I&M (Paul Pestman en Nicole Fikke), het Interprovinciaal Overleg (Tyora van der Meulen), de Unie van Waterschappen (Ina Kraak), de gemeente Amsterdam (Ymke Hofhuis) en Van der Feltz Advocaten (Daan Korsse) aan het woord.

Uit deze studiemiddag kwam naar voren dat van een verschuiving in taakverdeling, zoals bij de decentralisatie in het sociale domein, geen sprake zal zijn onder de Omgevingswet. De bestaande taakverdeling uit het huidige omgevingsrecht blijft intact. Een belangrijke verandering is echter wel dat decentrale organen zelf meer regels mogen stellen en meer afwegingsruimte zullen krijgen.

Een voorbeeld hiervan is dat veel milieubelastende activiteiten die nu op rijksniveau zijn gereguleerd (in het Activiteitenbesluit milieubeheer) niet langer op rijksniveau worden gereguleerd (in het Besluit activiteiten leefomgeving), maar dat regulering van deze activiteiten, indien de (locatie)specifieke situatie daarom vraagt of een instructieregel (Besluit kwaliteit leefomgeving of een provinciale omgevingsverordening) dat vereist, in het omgevingsplan zal moeten plaatsvinden. Ten aanzien van de milieubelastende activiteiten die nog wel op rijksniveau worden gereguleerd, bestaat er voor veel activiteiten de mogelijkheid om bij maatwerkvoorschrift of –regel gemotiveerd van de rijksregels af te wijken, zodat daar ook meer ruimte ontstaat voor gemeentebesturen om in het omgevingsplan gebiedsgerichte afwegingen te maken..

Het uitgangspunt is dat gemeenten en waterschappen als eerste aan zet zijn. Het Rijk en de provincie oefenen hun taken en bevoegdheden enkel uit indien dat nodig is. Dit blijkt uit het subsidiariteitsbeginsel van artikel 2.3 Omgevingswet: het Rijk (en de provincie) moeten bij het uitoefenen van een taak of bevoegdheid belang hebben en dat belang moet niet op een doelmatige en doeltreffende wijze door het provinciebestuur of gemeentebestuur kunnen worden behartigd. Tevens moeten diverse bestuursorganen rekening met elkaar houden en, indien nodig, afstemmen. Op deze manier is door de wetgever gezocht naar een balans tussen het beschermen en het benutten van de fysieke leefomgeving.

Aan het einde van de studiemiddag vonden er workshops plaats waarin aan de hand van een fictieve casus (pdf) gediscussieerd werd over decentralisatievraagstukken binnen de Omgevingswet.

Uit deze discussies bleek dat voor vele aanwezigen het subsidiariteitsvereiste van artikel 2.3 Omgevingswet, waarmee de bevoegdheden van rijk en provincie ten opzichte van de gemeente worden afgebakend, een knelpunt is, omdat dit vereiste als bevoegdheidsafbakening weinig houvast biedt. Wanneer is sprake van een provinciaal of nationaal belang en wanneer kan daarvan niet meer gesproken worden? En als er al sprake is van een provinciaal of nationaal belang, wanneer kan dat belang dan niet doeltreffend en doelmatig door het gemeentebestuur worden behartigd? Anderen zien in het subsidiariteitsvereiste wel als een duidelijke opdracht of waarschuwing aan provincies en het Rijk om hun bevoegdheden zorgvuldig en selectief in te zetten. Benieuwd is men dan ook hoe de bestuursrechter de toepassing van het subsidiariteitsvereiste door provincie en Rijk uiteindelijk zal gaan toetsen. Een belangrijke veelgebruikte beeldspraak tijdens de studiemiddag was dat de invulling van het subsidiariteitsvereiste vooral een kwestie is van veel koffie met elkaar drinken, waarbij zo nu en dan ook een borrel noodzakelijk is.
 
Na afloop van het inhoudelijke deel werd de daad bij het woord gevoegd en werd de discussie bij een hapje en drankje door velen nog even voortgezet. Wij kijken terug op een leerzame en interessante studiemiddag, we zien uit naar de volgende!
 
Lisa van ’t Hof en Frank Groothuijse

Presentaties: