Risicogebieden voor tekenencefalitisvirus in kaart gebracht
Op 1 september 2026 promoveerde Sara Wijburg aan de faculteit Diergeneeskunde van de Universiteit Utrecht, in samenwerking met het Dutch Wildlife Health Center (DWHC) en het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), op het proefschrift "Improving National Surveillance of Wildlife and Vector-Borne Diseases Using Spatial Data-Science". Ze bracht onder meer in kaart wat risicogebieden zijn voor het tekenencefalitisvirus.
Wijburg onderzocht hoe je met kaarten en ruimtelijke data beter in beeld kunt brengen waar ziekteverwekkers bij wilde dieren en insecten zoals teken voorkomen, en wat daarbij een rol speelt. Hiervoor zijn gegevens over wilde dieren, ziekteverwekkers, landschap en klimaat gecombineerd. Zo zijn onder andere infecties bij reeën, hazen en rode eekhoorns onderzocht. Reeën bleken regelmatig besmet met verschillende door teken overgedragen ziekteverwekkers. Bij hazen kwamen meerdere ziekteverwekkers voor, waarvan sommige vaker werden gevonden in gebieden met intensieve landbouw of lagere temperaturen. Bij rode eekhoorns kon een infectie met de parasiet Toxoplasma gondii type II ernstige ontstekingen en sterfte veroorzaken. Regen en warme dagen leken het risico op besmetting te vergroten.
Tekenencefalitisvirus
Ook is in kaart gebracht waar in Nederland het tekenencefalitisvirus zich mogelijk kan vestigen. Het tekenencefalitisvirus (TBEV) is een virus dat via een tekenbeet kan worden overgedragen en bij mensen een hersen(vlies)ontsteking kan veroorzaken. In Nederland is het virus nog zeldzaam, maar het rukt in Europa op. Wijburg bouwde een model dat voorspelt in welke gebieden de omstandigheden geschikt zijn voor het virus om zich te vestigen. Bepalend daarvoor zijn vooral de schapenteek (de tekensoort die het virus kan overdragen) en de aanwezigheid van kleine zoogdieren, die als gastheer dienen. Zo'n geschiktheidskaart maakt het mogelijk om, in combinatie met bestaande meetgegevens, gerichter te gaan monitoren in de gebieden waar de kans op het virus het grootst is. Ze maakte bovendien een kaart om te laten zien waar hoge virus-geschiktheid samenvalt met veel recreatie in de natuur. Dat is relevant voor het inschatten van menselijk risico. De Veluwe valt op als een gebied om goed in de gaten te houden.
Kwetsbare soorten in beeld
Wijburg keek ook welke Nederlandse zoogdiersoorten het kwetsbaarst zijn voor klimaatverandering — bijvoorbeeld doordat hun leefgebied verandert of doordat ze zich moeilijk kunnen aanpassen aan hogere temperaturen of andere neerslagpatronen. Daaruit kwamen onder meer de baardvleermuis en de eikelmuis naar voren als kwetsbare soorten, terwijl deze dieren juist relatief weinig worden meegenomen in de bestaande surveillance van wilde dieren. Dat maakt ze een blinde vlek: soorten die het meeste risico lopen, worden nu het minst goed gevolgd.
Een rode draad door het proefschrift is dat kaarten en modellen waardevolle inzichten opleveren en helpen om surveillance gerichter in te zetten, maar dat de bruikbaarheid ervan sterk afhangt van de kwaliteit en volledigheid van de onderliggende data. Wijburg pleit daarom voor nauwere samenwerking tussen mensen die modellen bouwen en de experts en organisaties die dieren, ziekteverwekkers en teken in het veld volgen.