16 september 2018

Tussenevaluatie Wet Herziening Kinderbeschermingsmaatregelen

Rechter kan nu sneller en dieper ingrijpen in een gezinsleven

Kind speelt met blokken (het spel Jenga)

Er gaat veel goed sinds in 2015 de wetten voor kinderbescherming op de schop zijn gegaan, maar er gaan ook zaken mis. Dat concluderen onderzoekers van de Universiteit Utrecht en het Verwey-Jonker instituut, in een rapport dat minister Dekker naar de kamer heeft gestuurd. 

Eén van de belangrijkste verbeteringen sinds 2015 is dat het kind, in ieder geval vanuit wetgevingsperspectief, écht meer centraal is gaan staan bij het nemen van besluiten. “Dat klinkt logisch, het kind centraal, maar dat is niet altijd zo geweest”, zegt Joost Huijer, één van de onderzoekers, verbonden aan het Utrecht Centre for European Research into Family Law (UCERF) van de Universiteit Utrecht."De aandacht van de autoriteiten ging vroeger al snel uit naar de ouders, of naar het gezin als geheel. De nieuwe wetgeving dwingt de autoriteiten het kind actief te betrekken bij een oordeel over het besluit om hem of haar onder toezicht te stellen van een gezinsvoogd. De rechter vraagt het kind om zijn mening.”

"Het kind centraal", klinkt zo logisch, maar dat is niet altijd zo geweest bij de autoriteiten.
Joost Huijer
Promovendus, verbonden aan het Utrecht Centre for European Research into Family Law (UCERF) van de Universiteit Utrecht

Vroeger vond men dat je kinderen niet moest belasten met dat soort zaken, dat ziet de rechtspraak nu echt anders. De toegenomen invloed van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind heeft hier duidelijk een een belangrijke rol in gespeeld, legt Huijer uit.

Beëindigen van gezag makkelijker

Het beslissen over hulp aan een kind in een gezin met problemen, is in 2015 veranderd. Gemeenten zijn nu door de Jeugdwet verantwoordelijk voor de uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregelen. De Wet herziening kinderbeschermingsmaatregelen is een aanvullende wet, die draait om de inhoud van de maatregelen. Die wet is door Huijer en zijn collega’s onderzocht.

“Eén van de risico’s die wij vaststelden is dat een rechter nu sneller en dieper in het leven van het kind en in het gezinsleven kan ingrijpen. Het beëindigen van het gezag van de ouders is makkelijker geworden, maar zo’n beslissing is in beginsel definitief en kan járen duren.

De wetgever hoopte dat de dagelijkse opvoeding en formeel gezag vaker zouden samenvallen. In de praktijk krijgen de pleegouders zelden het gezag.
Joost Huijer
Promovendus, verbonden aan het Utrecht Centre for European Research into Family Law (UCERF) van de Universiteit Utrecht

En als de ouders het gezag niet meer hebben, wie dan wel? De wetgever hoopte dat pleegouders het gezag dan zouden overnemen zodat de dagelijkse opvoeding en formeel gezag samenvallen, maar in de praktijk komt dit zelden voor’’, legt Huijer uit. Pleegouders verzorgen het kind, de ouders zijn de ouders en het gezag komt doorgaans bij een Gecertificeerde Instelling te liggen.

Niet terug naar je ouders, en dan?

Als een minderjarige uit huis wordt geplaatst vereist de nieuwe wet dat binnen afzienbare tijd een beslissing wordt genomen: kan het kind terug naar de ouders of ligt zijn opvoedperspectief elders? De achterliggende gedachte is dat kinderen gebaat zijn bij een stabiele opvoedsituatie en niet te lang in onzekerheid kunnen blijven over de vraag waar zij opgroeien. ‘’Maar het oordeel dat een kind niet terug kan naar de ouders geeft het kind niet altijd de gewenste duidelijkheid’’ zo stelt Huijer.

Moeder omhelst kind op schoot

De tussenevaluatie laat namelijk zien dat de overheid er lang niet altijd in slaagt de minderjarige spoedig een stabiele plek te bieden. Kinderen kunnen soms maar tijdelijk in een pleeggezin blijven en worden dan verplaatst naar een ander pleeggezin of naar een instelling, zonder dat er zicht is op een plek waar zij voor langere tijd kunnen verblijven.

Een ander punt van zorg is dat de nadruk momenteel vaak ligt op een korte ondertoezichtstelling, terwijl de hulp aan het gezin niet op orde blijkt, waarna na een half jaar er toch weer crisis uitbreekt. Een langdurige ondertoezichtstelling zonder uithuisplaatsing behoort gewoon tot de mogelijkheden en kan gezinnen beter ondersteunen in zo’n geval. “Het blijft altijd schipperen”, zegt Huijer, “Je wil zo’n ondertoezichtstelling niet onnodig lang, maar ook niet te kort laten duren.”

Evaluatie in 2020

Deze tussenevaluatie van het UCERF en het Verweij-Jonker Instituut geeft, in opdracht van de overheid, een beeld van de uitvoering en resultaten van de in 2015 gewijzigde kinderbeschermingswetgeving. De formele, bij wet geregelde, wetsevaluatie wordt gedaan in 2020. Minister Dekker, minister voor Rechtsbescherming, gaat het rapport nu bespreken met alle betrokken partijen en geeft dit najaar een beleidsreactie, schrijft hij aan de Tweede Kamer.