Rechtbanken moesten improviseren tijdens de coronacrisis

Publicatie onderzoeksrapport over gevolgen pandemie voor rechtspraak

In maart 2020 zorgde het coronavirus ervoor dat gerechtsgebouwen ruim twee maanden gesloten bleven. Alleen urgente zaken werden telefonisch of online behandeld. Pas vanaf mei 2020 werden andere zaken weer stap voor stap opgepakt. Onderzoekers van de Universiteit Leiden, Universiteit Utrecht en Radboud Universiteit onderzochten de gevolgen van de coronacrisis voor de Rechtspraak. Hun rapport is onlangs verschenen.

De onderzoekers keken naar de gevolgen van de coronacrisis voor rechtzoekenden in het straf-, civiele jeugd- en vreemdelingenrecht. ‘In die rechtsgebieden gaat het vaak om kwetsbare burgers, waarbij grote belangen op het spel staan’, legt Marijke ter Voert van de Radboud Universiteit uit, een van de onderzoekers betrokken bij het project. ‘Denk aan het voortduren van detentie, het uithuisplaatsen van een kind en het opbouwen van een bestaan in een nieuw land.’ Voor het onderzoek zijn interviews gehouden met rechters, advocaten en andere betrokkenen, enquêtes afgenomen onder rechtzoekenden en is een grondrechtenanalyse uitgevoerd.

Communicatieproblemen en storingen

In het begin van de coronacrisis heeft de Rechtspraak moeten improviseren. Zittingen moesten ondanks de beperkingen toch doorgaan vanwege wettelijke termijnen, maar daarbij speelden verschillende beperkingen mee. Veel fysieke zittingen werden vervangen door online varianten via bijvoorbeeld Skype, of hybride zittingen. In sommige gevallen werden zaken zelfs telefonisch of schriftelijk afgehandeld. Dat zorgde, zeker in de eerste weken en maanden, voor communicatieproblemen en technische storingen. 

‘Zo was het in jeugdbeschermingszaken voor rechters onmogelijk om te controleren of partijen zich in een veilige situatie bevonden,’ aldus Eddy Bauw  van de Universiteit Utrecht. In het vreemdelingenrecht duurden zittingen vaak langer omdat tolk en cliënt op verschillende locaties zaten, waardoor simultaan vertalen niet mogelijk was. Miranda Boone (Universiteit Leiden) vult aan: ‘Voor strafzaken werden in het begin van de coronacrisis tijdslots vastgesteld waarbinnen telehoorzittingen moesten plaatsvinden. Hierdoor was er niet altijd voldoende tijd om een zaak goed te behandelen, waardoor rechters voor de moeilijke keuze kwamen te staan zaken aan te houden of de verdachte te vragen voor de resterende periode afstand te doen van zijn aanwezigheidsrecht.’

Niet altijd een adequaat alternatief

Uit de enquêtes blijkt dat een meerderheid van de strafrechtelijk gedetineerden de aangepaste gang van zaken negatief ervaarde. ‘Velen voelden zich niet gezien en gehoord door de gewijzigde aanpak,’ aldus Miranda Boone. ‘Ze noemen daarbij problemen met de kwaliteit van de verbinding en beperkte tijdslots. Ook noemden gedetineerden het ontbreken van rechtstreeks en vertrouwelijk contact met de advocaat als een groot gemis. Wel ervaren ze het als voordeel dat hen de gang naar het gerechtsgebouw en het lange wachten bespaard werd.’

De beperkingen botsten in sommige gevallen met verschillende grondrechten, waaronder het recht op een zitting en op effectieve participatie. Veel van de maatregelen zijn helaas genomen zonder dat er in individuele zaken een grondrechtenafweging werd toegepast. Marijke ter Voert: ‘Online zittingen kunnen zeker voordelen hebben. Het is toegankelijker voor sommige groepen, zoals mensen met een handicap of mensen die momenteel in het buitenland verblijven. Maar voordelen op het gebied van flexibiliteit, tijdwinst en kostenbesparing kunnen niet zomaar afgestreept worden tegen de fundamentele rechten van rechtszoeken. Als deze groep niet voldoende beschermd en ondersteund kan worden, is het geen adequaat alternatief.’

Toetsingskader voor de toekomst

De meeste coronamaatregelen zijn inmiddels weer verdwenen, maar de onderzoekers raden de Rechtspraak aan om beter voorbereid te zijn in de toekomst. ‘Er moet een toetsingskader komen dat de basis vormt voor de beslissing van de rechter over wanneer wordt gekozen voor een schriftelijke behandeling, fysieke of (hybride) digitale zitting,’ suggereert Marijke ter Voert.  ‘Ook is het van belang dat wordt geïnvesteerd in de kwaliteit van digitale zittingen, bijvoorbeeld op het gebied van technologie en ondersteuning, zodat deze als een volwaardig alternatief voor fysieke zittingen door kunnen gaan.’

Het project is gefinancierd met een onderzoeksubsidie  uit het COVID-19 programma van ZonMw. Projectleider van het onderzoek was prof. dr. M.J. ter Voert (Radboud Universiteit Nijmegen).

Het Utrechtse deel van het onderzoek stond onder leiding van prof. Eddy Bauw, hoogleraar privaatrecht en rechtspleging en programmaleider van het Montaigne Centrum. Verder werkten mee aan het rapport: rechtsantropoloog Marc Simon Thomas en Anne Janssen.