Rapport naar (het voorkomen van) ongewenste sexting
Elke jongere kan ongewenste sexting plegen. “We denken dat het van belang is dat ouders, leerkrachten en zorgprofessionals dit beseffen.” Aldus Inge Wissink, psycholoog aan de Universiteit Utrecht bij de afdeling orthopedagogiek en hoofdauteur van het rapport Let’s talk about sexting! (pdf). “Jonge plegers van ongewenste sexting zijn er in alle soorten en maten.”
Sexting, een samenvoeging van ‘seks’ en ‘texting’, is het maken en versturen van seksueel expliciete tekst-, foto- of videoberichten. Sommige jongeren delen dit soort berichten: dat maakt deel uit van de normale hedendaagse seksuele ontwikkeling. Wissink: “Maar als er geen toestemming is voor sexting, of als beelden gedeeld worden met anderen tegen de wil van diegene die erop staat, is dat grensoverschrijdend en spreken we van ongewenste sexting. Daar gaat ons rapport over: ongewenste sexting.”
Risicofactoren
De Utrechtse onderzoekers zagen dat jonge plegers van ongewenste sexting gekenmerkt worden door een samenspel van zogenoemde ‘traditionele risicofactoren’ en ‘specifieke factoren’. Wissink: “Traditionele factoren zijn al bekend als risicofactoren voor ander, offline, strafbaar gedrag. Denk aan een problematische thuissituatie of aan een gebrekkige zelfcontrole.” Bij jonge plegers van ongewenste sexting gaan deze traditionele factoren echter samen met factoren die meer specifiek gelden voor jonge plegers van online strafbaar gedrag, zoals een gebrekkige online monitoring door ouders en een gebrekkige kennis over wat de grenzen zijn van online ontoelaatbaar gedrag. Daarbovenop komen nog eens risicofactoren voor ongewenste sexting. Wissink: “Plegers denken bijvoorbeeld dat ongewenste sexting grappig is. Of er is sprake van online groepsdruk en sociale normen die ongewenste sexting aanmoedigen.”
#NOTok!
In het rapport benadrukken de onderzoekers dat zowel drukke als stille jongeren plegers van ongewenste sexting kunnen zijn, en dat de jonge plegers voorkomen in alle lagen van de bevolking. “Ook werd duidelijk dat jongeren beseffen dat zij, door erover te praten, invloed hebben op online sociale normen. Ze kunnen een sfeer van groepsdruk tegengaan en het doorsturen afkeuren in plaats van het te normaliseren. Ze kunnen bijvoorbeeld anders reageren op de ‘doorstuurders’, eenvoudigweg door bijvoorbeeld niet ‘haha’ te schrijven, maar: ‘#NOTok!’”
Ouders moeten jongeren waarschuwen voor de risico’s van het doorsturen van beelden.
Scholen en ouders
De onderzoekers zien ook een rol voor scholen in het tegengaan van ongewenste sexting. “Scholen hebben goed zicht op jongeren die mogelijk risico's lopen en kunnen misschien, samen met ouders, zorgpartners of de wijkagent, een preventieve rol spelen.” Het voorkomen van ongewenste sexting is van belang, omdat ongewenste sexting soms ook leidt tot verder ‘hands-on’ geweld (waar scholen last van kunnen hebben). Daarnaast willen de onderzoekers erop wijzen dat ouders niet snel moeten denken: dat doet mijn kind niet. Wissink: “Ouders moeten jongeren waarschuwen voor de risico’s van het doorsturen van beelden. Blijf praten en betrokken, geef aan dat je als ouder altijd voor je kind zal klaarstaan en waarschuw niet alleen, maar bespreek bijvoorbeeld ook praktische tips over hoe je online om kunt gaan met sociale druk en emoties.”
Programma’s
Tot slot wijzen de onderzoekers op het (door)ontwikkelen van programma’s waarin ervaringsdeskundigen jongeren zich bijvoorbeeld laten voorstellen dat een familielid slachtoffer is van ongewenste sexting. Wissink pleit hierbij voor een goede instructie van de professionals die de programma’s begeleiden. Ook hoopt ze op vervolgonderzoek naar de effectiviteit van de programma’s. “Daarbij moeten de ervaringen van de jongeren zelf nadrukkelijk worden meegenomen, omdat die ontzettend waardevol zijn.”