Psychologische principes toegepast in onderzoek naar onderwijs

Portretfoto Catharine Evers

Psycholoog en universitair hoofddocent Catharine Evers heeft een groot onderwijshart. Naast het doen van onderzoek, is ze gepassioneerd docent. “Door mijn academische mindset vroeg ik me al snel af: hoe leren studenten? Hoe kan ik de leerstof het beste aan hen overbrengen? En welke onderwijskundige principes liggen hieraan ten grondslag?” Reden voor Evers om dit te onderzoeken. Hoe heeft haar kennis over de psychologie haar daarbij geholpen?

Catharine Evers werkt bij Sociale, Gezondheids- & Organisatiepsychologie van de faculteit Sociale Wetenschappen van de Universiteit Utrecht. Deze afdeling doceert en doet onderzoek naar menselijk gedrag in sociale contexten. Vragen waarmee Evers zich bezighoudt, zijn: Hoe kun je gedrag van mensen veranderen? Hoe beïnvloeden emoties doelgericht gedrag en motivatie? En waarom word je soms gehinderd in datgene wat je wilt bereiken?

In al deze vraagstukken zag Evers een mooie link met studenten en hun leergedrag. Daarom wilde ze zich verdiepen in dat studiegedrag van studenten. Hoe bereiden studenten zich voor op de tentamenperiode? En wat is de invloed van het zelfregulerend vermogen van een student in de voorbereiding op een tentamen en het uiteindelijke cijfer daarvoor?

“Onderwerpen uit de onderwijswetenschap, zoals motivatie van studenten, afleiding en uitstelgedrag kan ik één-op-één overzetten op mijn psychologisch onderzoek en dit toepassen op het leergedrag van studenten. Op een bepaald moment viel bij mij het kwartje: we weten zo ontzettend veel over ons eigen onderzoeksdomein, maar passen dit zo weinig toe in onderzoek naar onderwijs.”

Zelf weer in de collegebanken

Voor de universitair hoofddocent reden om zelf weer in de collegebanken te gaan zitten om te leren hoe ze haar eigen onderwijs kon gaan onderzoeken. Ze volgde het Teaching Scholars Programma, dat aangeboden wordt door het Centre for Academic Teaching and Learning (CAT), gezamenlijk met het UMC Utrecht. Dit is een leergang waarin docenten begeleid worden om voor het eerst een onderzoeksproject over onderwijs op te zetten en uit te voeren. Daarin werd Evers begeleid door onderwijskundigen Frans Prins en Theo Wubbels. “Onze onderzoeksmethode bij Sociale, Gezondheids- & Organisatiepsychologie heeft veel overeenkomsten met hoe ze bij Onderwijskunde te werk gaan, wat betreft de manier van onderzoek doen en het toepassen van kwantitatieve statistiek. Dus het was voor mij wel een soort van thuiskomen.”

We weten zo ontzettend veel over ons eigen onderzoeksdomein, maar passen dit zo weinig toe in onderzoek naar onderwijs.

Portretfoto Catharine Evers
Psycholoog en universitair hoofddocent Sociale Wetenschappen

Als onderdeel van haar leergang onderzocht Evers het zelfregulerend vermogen van studenten, hoe je dat terugziet in hun leergedrag binnen het Learning Management Systeem (LMS) en of dit vervolgens invloed had op hun studieresultaten. Bij dit onderzoek kreeg ze hulp van een researchmasterstudent en ze kreeg extra uren voor het doen van haar onderzoek. “Heel fijn, want tijd is echt een bottleneck.”

Stimuleren van zelfregulerend vermogen

“Studenten moeten heel autonoom werken en we verwachten veel zelfstandigheid van ze. Dan is het belangrijk dat ze zelfregulerend vermogen hebben.” Zelfregulatie is een belangrijk concept binnen de psychologie. Het heeft te maken met motivatie, doelen stellen en nastreven, plannen en organiseren, omgaan met obstakels en verleidingen, maar ook op tijd hulp zoeken als dat nodig is. Evers vermoedde dat studenten die hoog scoren op deze kenmerken, zich beter voorbereiden op een tentamen en dus mogelijk succesvoller zijn.

“We waren benieuwd of je het zelfregulerend vermogen terugzag in de manier waarop studenten hun tentamen voorbereiden én hoe ze de online leeromgeving gebruiken. Kun je daar al aan zien hoe zij studeren en zich voorbereiden op een tentamen? We hebben objectieve trace data verzameld uit Blackboard, de voorganger van het huidige Brightspace systeem. Wanneer waren studenten actief op dit LMS en was dit bepalend voor hun prestaties?”

“In dit online platform bereiden studenten zich voor op een tentamen. Ze openen er bijvoorbeeld opdrachten, ze lezen deze door, ze werken er daarna aan en vervolgens leveren ze hun opdracht via dit systeem in.”

Duwtje in de gewenste richting

Evers paste daarnaast een methode uit de psychologie toe op haar studenten: nudging. Met nudging geef je iemand een duwtje in de gewenste richting, zonder dat je mensen ergens toe verplicht. Dit deed ze door in de cursus proefvragen in te bouwen die studenten ter voorbereiding op een tentamen konden maken. Studenten moesten hier wel apart toegang toe vragen. Vervolgens wilde ze checken of deze proefvragen door de studenten werden aangevraagd en of ze die inleverden.

Evers verwachtte dat een student die goed voorbereid wil zijn, al in een vroeg stadium documenten opent en dus ook deze proefvragen zou gaan doen. En ze was benieuwd: zou dat gedrag ook samenhangen met het cijfer dat een student haalt?

Terwijl het onderzoek liep, brak corona uit. De steeds wisselende coronamaatregelen zorgden ervoor dat de cursus het ene jaar online werd, daarna hybride, en daarna weer werd aangepast. Met andere woorden, het onderzoek liep steeds anders dan gepland: trace data vergelijken tussen cursussen die steeds anders opgezet worden is daardoor als appels met peren vergelijken. “Het was niet mogelijk om consistent specifieke kenmerken van zelfregulerend vermogen bij studenten te koppelen aan hun gedrag in het LMS. Het was daarnaast onmogelijk om een coherente dataset te creëren en het onderzoek zo uit te voeren als we van tevoren hadden opgezet.”

Als studenten zich eerder kunnen voorbereiden, heeft dat een positief effect op hun resultaten.

Portretfoto Catharine Evers
Psycholoog en universitair hoofddocent Sociale Wetenschappen

Het onderzoek van Evers is afgerond, de analyse van de trace data zijn klaar en ze heeft haar bevindingen tot nu toe in een rapport samengevat. En ondanks dat ze een deel van haar onderzoek dus niet kon uitvoeren, waren er wel enkele resultaten. De universitair hoofddocent kon namelijk concluderen dat er een samenhang is tussen meer dagen actief zijn op het LMS en hogere scores halen op tentamens. “Dus het voorbereidende gedrag dat we terugzagen in het LMS, hing samen met de cijfers die ze haalden. Bij een cursus met een klassieke opzet - wekelijkse colleges met een tentamen op het einde van de rit - hingen de dagen actief op LMS zelfs sterker samen met het tentamencijfer dan vragenlijsten die het zelfregulerende vermogen zouden stimuleren.”

Ook was het voor Evers duidelijk dat de manier waarop je het LMS voor studenten inricht heel belangrijk is. “Door deadlines samen te brengen met actief leren en deeltentamens, worden studenten gedwongen om zich actief en bijtijds voor te bereiden. Dat heeft dus een positief effect op hun studieresultaten.”

Toestemming gebruik data

“Iedere docent aan de Universiteit Utrecht kan het gedrag van diens studenten volgen in het LMS. Maar als je dezelfde gegevens wilt gebruiken voor onderzoek, dan verandert de situatie, en krijg je te maken met ethische regels en privacy.” Voor het onderzoek moest Evers goedkeuring vragen aan de Ethische Commissie van de faculteit waarbij studenten toestemming moeten geven om hun activiteiten in het LMS te volgen en te koppelen aan hun studieprestaties. “De commissie vond het een lastige casus. Je wilt natuurlijk niet dat je een onderzoeksdesign maakt dat studenten zou kunnen benadelen. Bijvoorbeeld: als je denkt dat een bepaalde interventie zoals een ‘nudge’ studenten kan helpen, dan voelt het vreemd om die alleen aan de helft van de groep te geven. Toch moet dat binnen een onderzoeksopzet, want je kan alleen het effect van zo’n interventie meten door een groep mét en een groep zónder te vergelijken. In een klinische setting wordt een controlegroep soms tijdelijk op een wachtlijst gezet, maar dat werkt binnen een onderwijssetting natuurlijk niet. Ethisch gezien loop je dus tegen dit soort afwegingen aan. Soms lijkt het onderzoek het onderwijs in de weg te zitten, terwijl we uiteindelijk juist willen begrijpen welke interventies en onderwijsvormen studenten het beste helpen.”

Onderzoek naar je eigen onderwijs

Via het CAT kwam Evers in contact met SoTL: de Scholarship of Teaching and Learning. Dit is praktijkgericht onderzoek door docenten naar het eigen onderwijs en leren van studenten. Juist datgene waar zij zich in verdiepte. “Maar mijn onderzoek richtte zich niet alleen op mijn eigen onderwijs en het leren van studenten, ik keek ook naar de hele discipline: hoe doen wij dingen binnen ons domein, waarom doen we ze en hoe werken die of werken ze niet en werkt een andere aanpak wel?”

Internationaal wordt dat ook wel Discipline Based Educational Research (DBER) genoemd, in dit geval psychology education research.

Middelen en tijd voor onderwijsonderzoek

Evers blijft haar onderwijs steeds weer onder de loep nemen om de vragen die ze aan het begin van haar docentschap had, te beantwoorden. Want je eigen onderwijs onderzoeken geeft een impuls om te innoveren. “Mijn advies aan de universiteit: omarm onderzoek naar onderwijs niet alleen in woorden, maar maak het ook praktisch mogelijk. Docenten doen het nu vooral vanuit liefde voor het vak en voor hun studenten. Dat is prachtig, maar niet houdbaar voor de lange termijn. Als we echt willen dat docenten hun onderzoek blijven onderzoeken en vernieuwen, dan moeten we er ook tijd en middelen voor vrijmaken.”