28 februari 2018

Leonard Rutgers in FD: Wie hoefdieren bezat, was vermoedelijk rijk

Tombe van Menna, Egypte (Wikimedia)

Hoe bepalen archeologen het welvaartsniveau van samenlevingen uit het verleden? Het antwoord: op indirecte wijze. Prof. dr. Leonard Rutgers gaat in het Financieele Dagblad (17 februari 2018) in op deze kwestie.

Omdat de benodigde administratieve gegevens vaak ontbreken moeten archeologen op een andere manier de gezochte data uit onze vondsten zien te distilleren. Rutgers haalt een in Nature gepubliceerd onderzoek aan waarin onderzoekers hebben geprobeerd 62 verschillende samenlevingen uit het verre verleden te rangschikken op basis van de Gini- coëfficiënt.

Rutgers: “Met die coëfficiënt wordt in de contemporaine wereld de verdeling van welvaart in kaart gebracht. In een poging die meetfactor voor het verleden bruikbaar te maken, vergeleken de onderzoekers huisgrootten met elkaar over een periode van 11.000 jaar. Daarbij werden premoderne samenlevingen in Europa, het Nabije Oosten, China en Noord- en Midden-Amerika in de mix meegenomen.”

Volgens de onderzoekers zijn er twee omslagpunten. Het eerste keerpunt betrof de overgang van een jagend naar een sedentair en landbouwend bestaan. Het tweede omslagpunt bleek niet alleen samen te hangen met de opkomst van de landbouw. Vooral het domesticeren van gehoefde viervoeters bleek van belang.

Door te ploegen met runderen kon men meer land in cultuur brengen, en zo exponentieel meer bezit vergaren. En door paarden en ook kamelen te temmen en met soldaten uit te rusten, kon men ook via veroveringen bezit doen groeien.

Door deze ontwikkelingen werden de rijken steeds rijker. En er ontstond een verschil tussen samenlevingen in enerzijds Eurazië, waar men wel over hoefdieren beschikte, en Noord- en Midden-Amerika, waar men geen dierlijke pk’s kon mobiliseren.