Een analyse van de rol van de overheid in de voorziening van publieke goederen

Is de rol van de overheid toe aan herwaardering?

Foto's van 5 publieke goederen: defensie, vuurwerk, dijken, schone lucht en groepsimmuniteit © iStockphoto.com

Wat is de rol van de overheid en waarom is deze waardevol? Dit is de vraag waarop dr. Maurits de Jongh (Filosofie en Religiewetenschap) antwoord geeft in deel acht van de reeks Ethische Annotaties: De waarde van publieke goederen. Een filosofische analyse over de herijking van de overheid. Sinds het uitbreken van de pandemie speelt de overheid een centrale rol in het leven van burgers. Tegelijkertijd wordt het functioneren van de overheid sterk bekritiseerd. De Jongh analyseert in deze annotatie de taakopvatting van de overheid in termen van de voorziening van publieke goederen en beargumenteert aan de hand van drie centrale waarden waarom de overheid de voorziening van publieke goederen moet garanderen en versterken.

Economische efficiëntie

Om te begrijpen hoe economische efficiëntie de voorziening van publieke goederen kan verklaren en rechtvaardigen, moet eerst duidelijk zijn wat deze efficiëntie precies inhoudt. De Jongh: “efficiëntie verwijst naar situaties waarin de positie van tenminste één persoon verbetert zonder dat enig ander persoon slechter af is. Wanneer zulke verbeteringen niet meer mogelijk zijn, is de situatie ‘optimaal’.” Publieke goederen worden volgens De Jongh in de economische theorie aangemerkt als een centrale oorzaak van marktfalen, omdat deze goederen ‘niet-rivaal’ en ‘niet-uitsluitbaar’ zijn. Maar, zo stelt hij, de efficiëntievoordelen van de overheid reiken verder dan enkel de voorziening van deze goederen. Zo kan overheidsdwang in de verzorgingsstaat efficiëntievoordelen behalen door risico verhogend gedrag te ontmoedigen, bijvoorbeeld met een rookverbod of accijnzen op tabak. “Het onderkennen van de waarde van economische efficiëntie die aan publieke goederen ten grondslag ligt, voorkomt een simplistische tegenstelling tussen markt en overheid,” aldus De Jongh.

Sociale rechtvaardigheid

De twee dimensies van gelijkheid, verdelende en relationele gelijkheid, zijn van belang om de vraag te beantwoorden waarom sociale rechtvaardigheid reden geeft om publieke goederen en sociale voorzieningen van overheidswege te garanderen. “Waar de eerste dimensie nadruk legt op de waarde van een gelijke verdeling van goederen of middelen, onderstreept de tweede dimensie de waarde van gelijkwaardige en respectvolle relaties tussen mensen,” legt De Jongh uit. De financiering van collectieve voorzieningen vraagt volgens hem om politieke keuzes en institutioneel ontwerp die verdelende implicaties met zich meebrengen. Maar, zo stelt hij, volgens het ‘toevalsegalitarisme’ vereist verdelende gelijkheid een onderscheid tussen ‘toeval’ en ‘keuze’. Het is onrechtvaardig wanneer individuen in verdelende zin slechter af zijn dan anderen door toevalligheiden die buiten hun macht liggen, en mensen moeten de verantwoordelijkheid dragen voor de verdelende gevolgen van hun eigen keuzes.

In moreel opzicht doet het ertoe of iemand door een erfelijke ziekte arbeidsongeschikt raakt (toeval) of als gevolg van een ongeluk na joyriden of buiten de piste skiën (keuze).

Critici van dit toevalsegalitarisme wijzen ons op het feit dat beleidsmatige nadruk op individuele verantwoordelijkheid vernederend kan uitpakken. Het gaat vaak gepaard met een forse inbreuk op, en bemoeienis met, de persoonlijke levenssfeer van mensen. De toeslagenaffaire in Nederland laat volgens De Jongh zien dat buitenproportionele argwaan of zelfs haat tegen veronderstelde fraudeurs snel is uitgelokt wanneer voorzieningen afhangen van de individuele situaties van gebruikers. De Jongh: “een rechtvaardige voorziening van publieke goederen blijft voortdurend het onderwerp van politiek debat.”

Democratische politiek

Maar juist het uitblijven van een sluitende rationale op grond van sociale rechtvaardigheid laat ons volgens De Jongh de waarde van democratie zien, en nodigt uit tot een levendige, democratische politiek van publieke goederen. “Democratische politiek geeft aanleiding tot een herwaardering van publieke goederen omdat zij het object van respectvolle strijd en samenwerking tussen burgers vormt.” Volgens De Jongh wordt in de hedendaagse democratietheorie het verband tussen democratie en de verzorgingsstaat recursief en wederkerig: “de voorzieningen van de verzorgingsstaat maken niet alleen democratisch zelfbestuur mogelijk, maar dienen tegelijkertijd ook voortdurend te worden onderworpen aan democratische legitimatie. Tegelijkertijd is het normatief onwenselijk wanneer de voorziening van publieke goederen uitsluitend in handen ligt van bestuurders, ambtenaren, of experts. Voorziening door de overheid vereist ook democratische legitimatie door burgers zelf.” Een gedeelde infrastructuur van publieke goederen moet dus zowel de voorwaarde als de uitkomst van democratische politiek zijn. De Jongh noemt politicologe Bonnie Honig, die beargumenteert dat deze paradox in alledaagse politiek voortdurend bewerkt zou moeten worden door respectvolle strijd over, en gedeelde zorg voor, ‘publieke dingen’. Publieke goederen kunnen volgens haar helpen om de aandacht van ‘zelfbeeld’ naar ‘wereldbeeld’ te verleggen. Maar ze stelt ook dat publieke goederen instrumenten kunnen zijn van uitsluiting en onderdrukking op grond van identiteit. “Een democratische politiek van publieke goederen biedt dus een kans om het venijn van identiteitsvraagstukken te overstijgen,” pleit De Jongh. “Maar het verplicht ook tot onderkenning en bestrijding van wijdverbreid identiteitsgerelateerd onrecht.”

Maurits de Jongh

De Jongh richt zich in zijn onderzoek op het terrein van de politieke en economische filosofie, waarin hij theorieën van politieke economie en rechtvaardigheid analyseert, met nadruk op publieke goederen, de meent, privatisering, en de verzorgingsstaat.

Ethische annotaties

Met de reeks Ethische Annotaties beoogt het Ethiek Instituut van de Universiteit Utrecht de inzichten in de wijsgerige ethiek over actuele ethische kwesties te ontsluiten voor een breed publiek van studenten, beleidsmakers, bedrijfsleiders, politici, journalisten, activisten en andere burgers.