Internationale studie toont verschillen in conditie van bruinvissen in de Noordzee
Bruinvissen die in Nederland stranden hebben gemiddeld een lagere BMI dan soortgenoten in onder andere Schotland. Dat blijkt uit een internationale studie opgezet door promovenda Eva Schotanus, uitgevoerd samen met onderzoekers uit Schotland, Engeland, Frankrijk, België en Denemarken.
Binnen het onderzoek analyseerden de onderzoekers de Body Mass Index (BMI) van 1.700 bruinvissen die tussen 1990 en 2023 zijn gestrand of als bijvangst zijn aangetroffen rond de Noordzee. Het is de eerste keer dat deze gegevens uit meerdere landen op deze schaal zijn samengebracht. Eerdere studies naar conditie waren beperkt tot afzonderlijke regio’s.
De onderzoekers vonden verschillen in BMI tussen regio’s, seizoenen, leeftijdsgroepen, geslacht en doodsoorzaak. Jonge bruinvissen hadden vooral in de zomer een lagere BMI, terwijl bij volwassen dieren de laagste waarden werden gevonden in de late zomer en het begin van de herfst. Ook bleek dat dieren die stierven door een acute oorzaak, zoals bijvangst of predatie, gemiddeld een hogere BMI hadden dan dieren die overleden na ziekte of andere langdurige gezondheidsproblemen.
Regionale verschillen
De studie laat zien dat de conditie van bruinvissen niet overal in de Noordzee hetzelfde is. Vooral de lagere BMI van bruinvissen uit de zuidelijke Noordzee wijst erop dat dieren in verschillende delen van de Noordzee onder verschillende omstandigheden leven. De onderzoekers concluderen daarom dat regionale verschillen in lichaamsconditie beter moeten worden meegenomen in onderzoek naar de effecten van menselijke activiteiten op zee.
Dit is de eerste keer dat we op zo’n grote schaal de conditie van bruinvissen in de hele Noordzee hebben kunnen vergelijken. De resultaten laten duidelijk zien dat er grote regionale verschillen zijn, en dat is essentieel om beter te begrijpen hoe deze dieren leven en reageren op hun omgeving. Er is meer onderzoek nodig om te verklaren waarom vooral bruinvissen die langs de Nederlandse kust stranden een relatief lage BMI hebben, vergeleken met soortgenoten in andere gebieden van de Noordzee.
Basis voor bescherming
De resultaten leveren referentiewaarden over de BMI van bruinvissen in de Noordzee. Deze gegevens kunnen worden gebruikt in toekomstige modellen die voorspellen hoe verstoring, bijvoorbeeld door scheepvaart, offshore-activiteiten of andere menselijke ingrepen, invloed heeft op bruinvispopulaties. Dieren met een lagere BMI hebben minder energiereserves en zijn daardoor waarschijnlijk kwetsbaarder voor verstoring.
Volgens de onderzoekers onderstrepen de resultaten het belang van internationale studies, en maatwerk in beheer en bescherming van bruinvissen. Door rekening te houden met gezondheidsverschillen tussen regio’s en seizoenen kunnen beleidsmakers beter inschatten waar en wanneer menselijke activiteiten de grootste gevolgen kunnen hebben voor deze beschermde zeezoogdieren.
Dit onderzoek kwam tot stand dankzij nauwe samenwerking tussen verschillende strandingsnetwerken, universiteiten en organisaties: Museum Vest, Observatoire Pelagis, onderdeel van La Rochelle Université, Royal Belgian Institute of Natural Sciences (RBINS), Scottish Marine Animal Stranding Scheme (SMASS), onderdeel van University of Glasgow, UK Cetacean Strandings Investigation Programme (CSIP), onderdeel van de Zoological Society of London (ZSL), Universiteit van Luik, University of Copenhagen, en Wageningen Marine Research.
Het Nederlandse strandingsonderzoek wordt gefinancierd door het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur. Bezoek de website van het Strandingsonderzoek of volg onze onderzoekers op Instagram voor meer informatie.