Hoe onderzoek je de koloniale geschiedenis van de Oranjes?

Christiaan van Bochove onderzocht de archieven van het Huis Oranje-Nassau

Vier telgen van het Huis Oranje-Nassau: Frederik Hendrik (1584-1647), Willem III (1650-1702), Willem IV (1711-1751) en Willem V (1748-1806). (Rijksmuseum Amsterdam)
Vier telgen van het Huis Oranje-Nassau: Frederik Hendrik (1584-1647), Willem III (1650-1702), Willem IV (1711-1751) en Willem V (1748-1806). Bron: Rijksmuseum Amsterdam

Drie jaar lang deden zestig wetenschappers onderzoek naar de rol van het Huis Oranje-Nassau in de koloniale geschiedenis. Koning Willem-Alexander initieerde dit onderzoek. Onder de onderzoekers ook de Utrechtse economisch historicus Christiaan van Bochove. Hij onderzocht de financiële betrokkenheid van de Oranje-Nassaus bij de koloniale geschiedenis tijdens de periode 1584-1795. Hoe ging hij te werk en gingen echt alle deuren open? 

Het Koninklijk Huis en de koloniën 

Het onderzoek van Christiaan van Bochove is onderdeel van een groter project dat de Oranjes en de koloniën heeft bestudeerd. In dit artikel belichten we de wijze waarop Van Bochove aan het werk is gegaan en enkele bevindingen. Al zijn onderzoeksresultaten zijn te lezen in het boek Koloniale macht, profijt en status.

Lees meer over Koloniale macht, profijt en status
Lees meer over het hoofdproject

Van Bochove werd in 2023 benaderd door Gert Oostindie, die het onderzoek leidde. “Hij dacht aan mij omdat het project goed past bij mijn onderzoek naar de financiële geschiedenis van de vroegmoderne tijd, de periode tussen 1500 en 1800.” Vanwege het gevoelige karakter van het onderzoek was het voor Van Bochove cruciaal om zo omvattend mogelijk te zijn bij het verzamelen van relevante informatie. 

“Ik wilde voorkomen dat ik bestaande kennis over het hoofd zou zien of belangrijke archiefstukken zou missen. Ik heb daarom ontzettend veel literatuur en archiefmateriaal doorgenomen.” Zo gebruikte Van Bochove uiteindelijk meer dan tweehonderd publicaties en bestudeerde hij karrenvrachten aan documenten op het Nationaal Archief en bij Koninklijke Verzamelingen. 

Voorwaarde was dat alle onderzoekers onbeperkt toegang kregen tot archiefstukken.

Archieven over het Huis Oranje-Nassau

Van Bochove kreeg volledige toegang tot alles wat hij nodig had om een compleet beeld te krijgen. “Ik heb steeds alle gewenste archiefstukken kunnen inzien. Op een bepaalde dag heb ik zelfs zoveel stukken aangevraagd dat het te veel werd voor de staf van de werkkamer van de Koninklijke Verzamelingen. Zij waren onderbezet doordat zij ook rondleidingen moesten verzorgen.”

“Het achterhouden van informatie zou overigens erg lastig zijn doordat stukken vaak in meerdere vormen – bijvoorbeeld klad, net en kopie – bewaard werden en veel informatie in meerdere archieven terug te vinden is. Bovendien, als ik op enig moment maar een beetje het idee had gekregen dat er stukken achtergehouden werden, had ik de opdracht ogenblikkelijk teruggegeven.”

Het ‘Groot-boec van ’t iaer 1604’, een van de bronnen die dr. Christiaan van Bochove gebruikte in zijn onderzoek naar het Koninklijk Huis en het koloniaal en slavernijverleden.
Het ‘Groot-boec van ’t iaer 1604’, een van de bronnen die dr. Christiaan van Bochove gebruikte in zijn onderzoek.

Het Nationaal Archief in Den Haag, waar een belangrijk deel van de door Van Bochove gebruikte archiefstukken te vinden is, is openbaar en iedere geïnteresseerde kan er stukken opvragen. “Dat geldt ook voor de andere archiefbewaarplaatsen waar ik materiaal vandaan haalde.”

“Koninklijke Verzamelingen is weliswaar geen openbare archiefbewaarplaats, maar voorwaarde vooraf was dat alle onderzoekers onbeperkt toegang zouden krijgen tot de archiefstukken. Dat werkte in de praktijk ook uitstekend. Zo had ik de benodigde toestemming om langs te komen al in mijn e-mail zitten voordat mijn aanstelling bij het project formeel rond was.”

Onverwachte resultaten

Van Bochove werd verrast door zijn vondsten, vertelt hij. “Bij rijke families in de Republiek was het tijdens de tweede helft van de achttiende eeuw niet ongebruikelijk om aandelen in leningen aan planters in Suriname en de Cariben te kopen. Ik sloot daarom niet uit die aan te treffen bij de vermogende Oranje-Nassaus. Hoewel het archiefmateriaal juist voor die periode heel volledig is, heb ik daar geen enkel spoor van aangetroffen.”

Ik wilde voorkomen dat ik bestaande kennis over het hoofd zou zien.

In de periode die Van Bochove bestudeerde, bleken de investeringen van de stadhouders vooral gericht op landerijen en ander vastgoed in Europa. Voor er een Nederlands koningshuis was, waren die stadhouders invloedrijke staatslieden in de Nederlanden. In de onderzoeksperiode van Van Bochove kwamen zij allen uit het Huis Oranje-Nassau. “De koloniale inkomsten die ik vond, maakten daardoor een betrekkelijk klein deel uit van de totale inkomsten van de stadhouders en waren nagenoeg allemaal gekoppeld aan ambten die de Oranje-Nassaus in die tijd bekleedden.”

Paleis Huis ten Bosch te Den Haag, een van de vele bezittingen van de Oranje-Nassaus. (Robert Sayer, 18de eeuw, Rijksmuseum Amsterdam)
Paleis Huis ten Bosch te Den Haag, een van de vele bezittingen van de Oranje-Nassaus. Bron: Rijksmuseum Amsterdam

Zilvervloot minder lucratief dan gedacht

Van Bochove blikt terug op een hoogtepunt van zijn onderzoek: “Dat was het moment waarop ik het bewijs rond kreeg dat stadhouder Frederik Hendrik enkele honderdduizenden guldens minder profiteerde van de zilvervloot dan men al bijna 375 jaar dacht.” Het konvooi van Spaanse schepen en hun vracht werd in 1628 buitgemaakt op de Spanjaarden, waarmee Nederland in die tijd in oorlog was. Het bevatte zilver dat de Spanjaarden in de Amerika’s hadden geroofd of door dwangarbeid verkregen.

“Frederik Hendrik was formeel het hoofd van de Nederlandse vloot en had daarom als admiraal-generaal recht op een deel van de gekaapte buit, die we voor de Oranje-Nassaus dus hoogstens indirect koloniaal kunnen noemen. Onze kennis over de inkomsten was tot nu gebaseerd op een publicatie uit 1654 van niemand minder dan raadpensionaris Johan de Witt, maar die blijkt nu dus minder goed geïnformeerd dan we dachten.”

Uit stukken in de archieven van de Staten-Generaal en de West-Indische Compagnie en uit de boekhouding van de Oranje-Nassaus zelf bleek namelijk dat Frederik Hendrik geen 700.000 maar 425.000 gulden ontving. “Nog steeds een aanzienlijk bedrag, maar wel fors minder dan gedacht.”

Onderzoek gepresenteerd: Oranjes steunden kolonialisme, maar hadden weinig invloed op beleid

“De Oranjes hebben eeuwenlang uitgesproken steun verleend aan het kolonialisme en daaraan flink verdiend, maar relatief weinig invloed gehad op het Nederlandse beleid daarover”, schrijft de NOS over de onderzoeksresultaten. Koning Willem-Alexander noemt de bevindingen “schrijnend en confronterend”.

Lees ‘“Eeuwenlang uitgesproken steun Oranjes aan kolonialisme, maar weinig invloed op beleid”’ (NOS, 2 oktober 2026)
Lees ‘Koning: resultaten onderzoek Oranjes schrijnend en confronterend’ (NOS, 2 oktober 2026)

Onderzoek koloniale geschiedenis Oranje-Nassaus

Door het koloniale verleden secuur en vanuit verschillende perspectieven te bestuderen, kan je als wetenschapper bijdragen aan een eerlijk beeld, denkt Van Bochove. “Mijn onderzoek brengt veel kennis uit literatuur en bronnen in een Nederlandstalige publicatie bij elkaar. Ik hoop daarmee het publieke en wetenschappelijke debat over de Nederlandse koloniale investeringen en inkomsten te voorzien van een solide basis die speculeren en gissen overbodig maakt.”