Geven gedragsexperimenten een vertekend beeld van samenwerking bij dieren?
Uitgebreider onderzoek naar samenwerking zet diergedrag in ander licht
Als biologen willen onderzoeken hoe dieren samenwerken, bieden ze meestal één taak tegelijk aan. Maar wat gebeurt er als dieren kunnen kiezen uit meerdere plekken om samen te werken? Biologen van de Universiteit Utrecht ontdekten dat dat een groot verschil maakt. De uitkomst roept een bredere vraag op: geven veel gedragsexperimenten misschien maar een beperkt beeld van hoe dieren zich in werkelijkheid gedragen?
Gedragsbiologen onderzoeken samenwerking bij dieren vaak met een eenvoudige proef. Twee dieren moeten tegelijkertijd aan een touw trekken om een beloning te krijgen. Meestal staat er maar één zo’n apparaat bij het verblijf.
Dat lijkt op situaties waarin een groep apen bijvoorbeeld samen één prooi probeert te bemachtigen. Maar zulke situaties zijn voor veel primaten eerder uitzondering dan regel. Veel vaker zijn ze bezig met foerageren: voedsel zoeken in bomen en struiken. Daarbij zijn vaak meerdere voedselbronnen tegelijk beschikbaar.
Andere sociale dynamiek
“Als apen samenzijn om aan voedsel te komen, hebben ze in de natuur meestal meer dan één mogelijkheid”, zegt primatoloog Liesbeth Sterck, die het onderzoek leidde.
“In een fruitboom hangt bijvoorbeeld niet één plek met fruit, maar vaak meerdere. Daardoor kunnen dieren elkaar gemakkelijker ontwijken, observeren of juist opzoeken. Dat geeft een heel andere sociale dynamiek dan wanneer iedereen afhankelijk is van één mogelijkheid om samen eten te krijgen.”
Juist daarom is het volgens haar belangrijk om voorzichtig te zijn met conclusies uit experimenten waarbij maar één apparaat voor samenwerking wordt aangeboden. Zulke opstellingen laten vooral zien hoe dieren zich gedragen wanneer er maar één plek is om samen te werken. Zodra er meerdere mogelijkheden ontstaan, veranderen de voorkeuren voor samenwerkingspartners.
Van één dominant duo naar een hele groep
De biologen kwamen dit op het spoor toen ze een groep java-apen bestudeerden. Ze gaven de apen niet alleen één apparaat om mee samen te werken (zoals gebruikelijk), maar soms ook drie of zelfs vijf tegelijk.
Toen er maar één apparaat beschikbaar was, werd die vrijwel volledig bezet door twee jonge mannetjes. Van alle apen in de groep waren zij veruit het vaakst aan het samenwerken om een beloning te krijgen.
Meer mogelijkheden om samen te werken leiden tot heel andere sociale voorkeuren
Maar zodra er drie of vijf apparaten beschikbaar kwamen, veranderde het gedrag ingrijpend. De samenwerking werd veel gelijkmatiger verdeeld over de groep. De twee mannetjes bleven actief, maar minder overheersend. Bovendien werkten nu ook samen met andere groepsleden.
“Met één locatie krijg je dus een heel specifieke situatie”, zegt Sterck. “Dat betekent niet dat eerdere onderzoeken fout zijn uitgevoerd, maar wel dat de interpretatie van het gedrag sterk kan afhangen van hoeveel mogelijkheden dieren krijgen.”
Pepernoten strooien
Volgens Sterck helpt een typisch Nederlands voorbeeld om het effect te begrijpen. “Bij een Sinterklaasintocht worden de pepernoten niet op één plek neergelegd, maar over een groot gebied rondgestrooid”, legt ze uit.
Als er meerdere plekken zijn waar iets te halen valt, verandert het gedrag van de groep
“Daardoor krijgen kinderen minder concurrentie en minder ruzie. Iets vergelijkbaars zie je in ons onderzoek ook. Als er meerdere plekken zijn waar iets te halen valt, verandert het gedrag van de groep.”
Met wie wil je samenwerken?
Onderzoeker Jeroen Zewald, die als biologiestudent meewerkte aan het onderzoek, vergelijkt het met een jachtsituatie in de natuur. “Stel je voor dat je samen op herten jaagt, maar dat er maar eentje rondloopt. Dan werk je het liefst samen met iemand die goed kan jagen, maar die na de jacht niet de buit voor zichzelf houdt. Als er overal prooien rondlopen, luistert het minder nauw wie je kiest om mee samen te werken. De apen lieten precies zo’n verschil zien.”
Volgens de onderzoekers onderstreept dat hoe belangrijk de omgeving is voor sociaal gedrag. Niet alleen de dieren zelf bepalen met wie ze samenwerken, maar ook de mogelijkheden die ze krijgen.
Mogelijk relevant voor veel meer gedragsonderzoek
De onderzoekers vermoeden dat dit inzicht verder reikt dan alleen onderzoek naar samenwerking. Veel andere gedragsexperimenten, bijvoorbeeld naar sociaal leren of cultuur bij dieren, maken ook gebruik van één apparaat of één locatie. Daardoor kunnen dieren elkaar minder goed observeren en hebben ze minder mogelijkheden om deel te nemen. Wie wil begrijpen hoe dieren samenwerken in de natuur, moet misschien ook beter kijken naar hoeveel kansen ze krijgen om dat te doen, aldus de onderzoekers.
De biologen publiceren hun onderzoek vandaag in het vakblad Animal Behaviour, onder leiding van Liesbeth Sterck. Het onderzoek werd mede uitgevoerd door Jeroen Zewald en Nina van Oordt. Zij waren destijds als biologiestudenten verbonden aan de Universiteit Utrecht.
Publicatie
Monopolization and cooperation: number of locations affects cooperation and partner preference in long-tailed macaques
Jeroen S. Zewald, Nina van Oordt, Lisette M. van den Berg, Elisabeth H. M. Sterck
Animal Behaviour, 26 juni 2026. DOI: 10.1016/j.anbehav.2026.123632

