‘Geen enkel kind is altijd gelukkig, en dat hoeft ook niet’
Nederlandse kinderen behoren al jaren tot de gelukkigste en gezondste kinderen ter wereld. Toch groeien ook hier kinderen op die vastlopen, uitgeput raken of te maken krijgen met ingrijpende ervaringen. Kinderarts en hoogleraar ‘Interdisciplinaire Preventieve Kindergeneeskunde’ aan het UMC Utrecht, Sanne Nijhof, vertelt over hoe we kinderen kunnen helpen zich zo goed mogelijk te ontwikkelen. Want gezond opgroeien gaat niet over altijd gelukkig zijn.
Niet iedere moeilijke periode tijdens de adolescentie vraagt om een diagnose of behandeling.
Nederlandse kinderen behoren in internationale studies nog steeds tot de gelukkigste en gezondste kinderen. Waar komt dat volgens u door?
“Internationale studies laten inderdaad zien dat veel Nederlandse kinderen hun leven positief beoordelen. Toch vertellen gemiddelden nooit het hele verhaal. We zien grote verschillen tussen kinderen, bijvoorbeeld naar sociaaleconomische omstandigheden, gezondheid, gezinssituatie en de omgeving waarin zij opgroeien.
Wat we uit veel onderzoek weten, is dat gezond opgroeien samenhangt met een combinatie van factoren: je veilig en verbonden voelen, mee kunnen doen op school en met leeftijdgenoten, ruimte krijgen om je te ontwikkelen en toegang hebben tot goede zorg en ondersteuning wanneer dat nodig is. Als kinderarts zie ik gezondheid daarom breder dan de afwezigheid van ziekte. Ook met een chronische aandoening moet een kind zich zo goed mogelijk ontwikkelen, mee kunnen doen en een betekenisvol leven kunnen leiden. De relevante vraag is steeds: wat heeft dít kind, in deze fase van zijn of haar ontwikkeling en in deze omgeving, nodig om dat mogelijk te maken?”
Hoe weet je wanneer het niet goed gaat met een kind? En hoe weet je of iets wijst op een probleem, trauma of stoornis, of gewoon bij opgroeien hoort?
“Opgroeien gaat per definitie met veranderingen en soms met periodes waarin een kind minder lekker in zijn vel zit. Eén symptoom of een moeilijke periode betekent daarom niet automatisch dat er een stoornis is. Als kinderarts kijk ik naar het kind als geheel, naar het verloop én naar het dagelijks functioneren. Verandert er iets duidelijk ten opzichte van eerder? Kan een kind nog naar school, vrienden zien, sporten, slapen en andere dingen doen die bij zijn of haar leven horen? Hoe lang bestaan de klachten, hoe ernstig zijn ze en welke invloed hebben ze op het dagelijks leven?
Bij ingrijpende of traumatische ervaringen is specifieke expertise nodig. Mijn collega prof. dr. Iva Bicanic doet veel onderzoek op dit terrein en samen met kinderarts Eline van den Heuvel onderzoeken we hoe we kinderen na trauma vanuit een ontwikkelings- en levensloopperspectief kunnen volgen. We willen beter begrijpen wat de impact op gezondheid en ontwikkeling is, op korte én langere termijn, en hoe we die ontwikkeling goed kunnen monitoren. Want kinderen reageren verschillend en wat een kind nodig heeft, kan veranderen over de tijd.”
Ongeveer één op de drie jongeren zegt zich uitgeput te voelen. Waarom zijn zoveel tieners moe, en wanneer moeten ouders zich zorgen maken?
“Vermoeidheid komt veel voor tijdens de adolescentie. Dat is ook een levensfase waarin veel tegelijk verandert: lichamelijk, op school, in sociale relaties, in slaap en dagritme. Meestal is er dan ook niet één factor die bepaalt waarom een jongere moe is.
Hoe ontwikkelt de vermoeidheid zich, en waar begint het dagelijks leven vast te lopen?
In ons eigen cohortonderzoek bij kinderen met chronische aandoeningen zien we bovendien hoe verschillend vermoeidheid kan verlopen. De diagnose alleen voorspelt onvoldoende hoeveel last een kind van vermoeidheid heeft of hoe goed het dagelijks kan functioneren. Dat onderstreept voor mij hoe belangrijk het is om naar het individuele kind te kijken: hoe ontwikkelt de vermoeidheid zich, wat gaat nog goed en waar begint het dagelijks leven vast te lopen?
Voor ouders zijn vooral duur, ernst en impact belangrijke signalen. Als vermoeidheid aanhoudt of toeneemt en merkbaar invloed krijgt op school, sociale activiteiten of andere onderdelen van het dagelijks leven, is dat een reden om samen met de jongere te kijken wat er nodig is.”
Sommige mensen zijn bang dat we kinderen te snel medicaliseren of normale puberproblemen als een stoornis beschouwen. Hoe kijkt u daarnaar?
“Die zorg vind ik begrijpelijk. Niet iedere moeilijke periode tijdens de adolescentie vraagt om een diagnose of behandeling. Opgroeien betekent ook leren omgaan met veranderingen en onzekerheid. Tegelijkertijd moeten we kinderen die wél ondersteuning nodig hebben niet missen. Vroeg ondersteunen hoeft juist niet te betekenen dat we medicaliseren.
In ons onderzoek proberen we daarom beter te begrijpen wat voor welk kind werkt. Vanuit die gedachte werken we in het Wilhelmina Kinderziekenhuis aan het Preventieloket: vroeg signaleren en samen met kind en ouders kijken welke ondersteuning passend is; zo licht als mogelijk en zo intensief als nodig. Personalisering staat daarbij centraal: niet ieder kind met dezelfde klacht heeft hetzelfde nodig.
Een academisch kinderziekenhuis kan zulke vormen van preventie en zorg zorgvuldig ontwikkelen en evalueren. Wat effectief is, moet vervolgens zoveel mogelijk landen waar kinderen leven en opgroeien. Dat vraagt om duurzame inbedding én passende structurele bekostiging van deze zorg en ondersteuning.”
Heeft u tips voor het opvoeden van gelukkige, gezonde kinderen?
“Misschien is mijn belangrijkste advies om niet voortdurend te proberen een gelukkig kind te maken. Geen enkel kind is altijd gelukkig, en dat hoeft ook niet. Kinderen hebben ruimte nodig om plezier, verdriet, onzekerheid, teleurstelling en succes te ervaren.
Luister naar wat een kind zelf belangrijk vindt.
Wat volgens mij belangrijker is, is belangstelling hebben voor wie je kind is en hoe het zich ontwikkelt. Luister naar wat een kind zelf belangrijk vindt. Zorg voor veiligheid en verbondenheid, maar geef ook steeds meer ruimte voor zelfstandigheid. Kijk niet alleen naar prestaties, maar ook naar slapen, bewegen, vriendschappen, school, ontspanning en kunnen meedoen.
En misschien het moeilijkste: probeer niet ieder probleem onmiddellijk op te lossen. Soms heeft een kind vooral iemand nodig die luistert en helpt begrijpen wat er gebeurt. Als problemen aanhouden of het dagelijks functioneren duidelijk wordt beperkt, is het goed om samen te kijken welke ondersteuning passend is.”
Over Sanne Nijhof
Prof. dr. Sanne Nijhof is kinderarts sociale pediatrie en hoogleraar Interdisciplinaire Preventieve Kindergeneeskunde aan het UMC Utrecht. Zij is subafdelingshoofd Sociale Pediatrie in het Wilhelmina Kinderziekenhuis en Domain Chair Thriving and Healthy Youth binnen het strategische thema Dynamics of Youth van de Universiteit Utrecht. In haar klinische en wetenschappelijke werk onderzoekt zij hoe kinderen, ook wanneer zij opgroeien met ziekte of andere ingrijpende omstandigheden, zich zo gezond mogelijk kunnen ontwikkelen. Daarbij verbindt zij medische, psychologische en sociale perspectieven, met bijzondere aandacht voor preventie, vroegsignalering en gepersonaliseerde zorg.