21 januari 2013

Ernst-Otto Onnasch publiceert vergeten brief van Immanuel Kant

Immanuel Kant
 

De Utrechtse filosofiehistoricus dr. Ernst-Otto Onnasch heeft een nooit eerder gepubliceerde brief van de filosoof Immanuel Kant (1724-1804) gevonden. De brief laat zien dat Kant de autonomie van de universiteit, die ook toen al onder druk stond door toenemende overheidsbemoeienis, met hand en tand verdedigde.

“Een leerstuk voor universiteitsbestuurders,” aldus Onnasch. Het bestaan van de brief was wel bekend, maar er is nog nooit eerder aandacht aan besteed. Onnasch presenteert de brief binnenkort samen met Werner Stark van het Kant-Archiv te Marburg in het gezaghebbende tijdschrift Kant-Studien.

Kant heeft de brief geschreven op 7 mei 1791 in zijn hoedanigheid als decaan en lid van de examencommissie van de filosofische faculteit van de universiteit van Koningsberg. De brief is gericht aan Samuel Gottlieb Wald (1762-1828), directeur van het Collegium Fridericianum, een gymnasium in Koningsberg. Uit de tekst blijkt duidelijk dat Kant de universiteit wilde vrijwaren van iedere overheidsbemoeienis.

Scholen moeten vrijstelling van dienstplicht regelen

Kant schrijft over de vraag hoe de vrijstelling van de militaire dienstplicht van reeds gekeurde studenten geregeld moet worden. De registratie van gekeurde jongelingen lag destijds bij de scholen. Om aan de universiteit te mogen studeren, diende de student een vrijstellingsbrief van zijn regiment te hebben.

Kants voorstel komt erop neer dat de scholen de vrijstelling op het schooldiploma vermelden, zodat de universiteit niet wordt belast met het controleren van de vrijstelling en de administratieve rompslomp daaromheen.

Een dergelijk schooldiploma zou twee vliegen in één klap vangen. Ten eerste: de vrijstelling van militaire dienst blijft bij de scholen en wordt tevens op het schooldiploma vermeld. Daarmee wordt ten tweede voldaan aan de nieuwe wettelijke eis, ingevoerd in 1788, dat aankomende studenten over een dergelijk diploma moesten beschikken om aan de universiteit te mogen studeren.

Universiteiten moeten geschiktheid van studenten beoordelen

Dit voorstel is een handige zet van Kant. Het reduceert de Pruisische scholen tot verlengstuk van de overheid: schooldiploma’s die er vooral voor zijn om de vrijstelling van militaire dienst te bevestigen, zeggen immers niets over de kwaliteit en geschiktheid van een leerling voor de universiteit.

Feitelijk ondergraaft Kants pleidooi zo de nieuwe wet uit 1788. De universiteit wil zich namelijk wat betreft haar toelatingsbeleid niet onderwerpen aan het oordeel van een instelling die horig is aan de overheid. De devaluatie van het schooldiploma tot een bewijs van vrijstelling van militaire dienst is dus een handige zet om de beoordeling van de kwaliteit en geschiktheid van een leerling weer te leggen waar ze hoort, namelijk bij de academische gemeenschap.

Sluw verzet tegen overheidsbemoeienis

Kant verzet zich tegen iedere poging van de overheid om de universiteit met verantwoordelijkheden te belasten die niet tot haar eigenlijke takenpakket behoren, zoals het bewaken van vrijstellingen voor militaire dienst. Het is tekenend voor Kants talent dat hij een schijnbaar onbeduidende kwestie over militaire dienstplicht aangrijpt, waar voor de overheid een groot belang mee was gemoeid, om daarmee een wettelijke bepaling uit te hollen die de autonomie van de universiteit beperkte.

Kant als bestuurder

De nieuwe brief toont hoe Kant zich als universiteitsbestuurder krachtig inzet voor het behoud, maar bovenal voor de herovering van verloren academische autonomie. De brief draagt bij aan een beter inzicht in de invulling van Kants ambtelijke functies, waar nog weinig over bekend is. Belangrijke vragen zijn natuurlijk of, en zo ja hoe zijn wijsgerige opvattingen van invloed waren op zijn ambtelijk handelen.

Dr. Ernst-Otto Onnasch is docent-onderzoeker bij het departement Wijsbegeerte, afdeling Geschiedenis van de moderne filosofie. Ook is hij verbonden aan het Descartes Centre. Hij publiceert vooral over de klassieke Duitse filosofie. In het kader van een NWO-VIDI-project onderzoekt hij de wijsgerige nalatenschap van Immanuel Kant, het zogenaamde Opus postumum.